Beren over de hele wereld…

Beren over de hele wereld…
door Paula Weston en Carl Wieland in Creation 20(4).
vertaling AH, Werkgroep In Genesis

 

Zij lijken leuk als ze jong zijn, humeurig als ze oud zijn, maar beren behoren tot de meest wonderbaarlijke dieren in God’s schepping.

PandaVan de dikke maagwand van de panda en de gedeeltelijke zwempoten van de ijsbeer, tot de insecten zuigende bek van de lippenbeer, vormen beren een fascinerend voorbeeld van de variatie in gespecialiseerde eigenschappen die bestaan binnen één familie.

De beren familie (Ursidae) bestaat uit 8 variëteiten, waarvan er vier tot de Ursus groep behoren: de bruine beer, de Amerikaanse zwarte beer, de Aziatische zwarte beer en de IJsbeer. Zelfs binnen deze groep (bekend als een geslacht) is de variatie groot.

De bruine beer en de Amerikaanse zwarte beer zijn vegetariërs met bijbehorende gebitskenmerken om plant materiaal fijn te maken. De eerste heeft klauwen om mee te graven en de ander heeft klauwen die meer geschikt zijn om mee te klimmen. De Aziatische zwarte beer heeft ook klauwen om mee te klimmen, maar is een omnivoor die dus zowel planten als vlees eet. [1]

De IJsbeer

De ijsbeer heeft enkele verbazingwekkende eigenschappen die hem in staat stelt om perfect te functioneren in het koude en natte klimaat van de poolgebieden. Hij is veel zwaarder dan de bovengenoemde beren en heeft twee verschillende soorten haar. Eén lange haarsoort en één korte haarsoort, waardoor het lijkt alsof hij twee jassen aanheeft. Hierdoor is het drijfvermogen veel groter dat hem helpt bij het zwemmen, evenals zijn lange nek en de gedeeltelijke zwemvliezen tussen de tenen. Zijn bontgevoerde voetzolen geven een betere grip op het ijs. Als bijna volledig vleeseter (met aangepaste tanden), heeft zijn maag toch voldoende capaciteit voor gelegenheidsvoeding.

Zonberen en Lippenberen

De zonberen en de lippenberen (volgens vele geleerden ook behorend tot de Ursus groep) hebben evenveel verschillen als overeenkomsten. De zonbeer is een omnivoor, met scherpe, sikkelvormige klauwen geschikt om te klimmen. De lippenbeer die klauwen heeft zowel geschikt om te graven als om te klimmen, heeft echter een ongewone kop en gebitstructuur optimaal geschikt om zijn hoofdvoedsel, termieten te eten. De lippenbeer heeft een langwerpige snuit en vooruitstekende lippen en neusgaten die hij kan sluiten. Deze twee kenmerken stellen hem in staat om een vacuümbuis te vormen om zo de termieten op te zuigen.

De Pandabeer

BerenkopDe grote panda heeft net als de ijsbeer zeer gespecialiseerde eigenschappen die noodzakelijk zijn voor het overleven. Hierbij inbegrepen zijn de krachtige kaken en speciale maaltanden om planten te vermalen, en een keelgat (oesophagus) met een sterke hoornachtige bekleding om de beer tegen splinters te beschermen als hij bamboe, zijn stapelvoeding eet. Ook de maag heeft een speciale gespierde wand om hem te beschermen tegen bamboesplinters.

Hoe kwam deze variatie tot stand?

Zowel evolutionisten en creationisten beschouwen deze gespecialiseerde eigenschappen als aanpassingen aan de omgeving door natuurlijke selectie. De twee beschouwingen staan echter ver van elkaar als het gaat om de vraag hoe deze variatie oorspronkelijk tot stand kwam.

De evolutionisten beschouwen deze genetische (erfelijke) informatie (die het recept vormt voor de constructie van zulke gespecialiseerde eigenschappen in het ontwikkelende embryo) als ontstaan uit een opeenstapeling van kopieerfouten (mutaties). Enkele positieve fouten, die het schepsel hielp te overleven, werden doorgegeven. Op deze manier geloven zij dat deze ontwerpeigenschappen allemaal het resultaat zijn van kopieerfouten, opeengestapeld gedurende miljoenen jaren.

Hoewel creationisten accepteren dat alle beren waarschijnlijk afstamden van één berensoort, [2] geloven zij echter niet dat de informatie in de ‘receptuur’ voor alle ontwerp eigenschappen door toeval ontstonden. Niemand heeft nog ooit een biologisch proces gezien, waarbij informatie werd toegevoegd!

Een betere uitleg is dat alle informatie al aanwezig was in de genen van de eerste beren, een populatie geschapen door God, met een groot potentieel voor variatie.

Dit betekent niet dat alle eigenschappen van de beren van vandaag ook toen duidelijk zichtbaar waren. Een eenvoudig voorbeeld zou zijn, dat bastaardhonden het potentieel hadden om alle verschillende rassen te ontwikkelen die wij vandaag kennen. Dus op zich was er honderden jaren geleden geen feitelijke poedel onder de bastaardhonden, maar door vele van hen nauwkeurige te bestuderen, zou men ten minste enkele eigenschappen van de huidige poedels hier en daar kunnen herkennen.

Bruine beerZo is het ook niet waarschijnlijk dat er ijsberen waren vóór de zondvloed, maar omdat de informatie voor hun specifieke eigenschappen al aanwezig was, zouden sommige van deze in mindere mate in enkele individuen van tijd tot tijd zichtbaar kunnen zijn. Door selectie (natuurlijk of kunstmatig) kunnen deze eigenschappen worden verbeterd, maar hiermee wordt niet iets nieuws geschapen, er zijn geen nieuwe ontwerpgegevens. Als er geen genetische informatie voor een dikke vacht beschikbaar was in de beren familie, zouden er nooit beren in het poolgebied geleefd hebben.

Het is waarschijnlijk dat niet alle eigenschappen van de hedendaagse beren in de genen gecodeerd waren in het oorspronkelijke beertype. Mutaties, genetische kopieer fouten die de defecten veroorzaken, kunnen in zeldzame gevallen helpen, hoewel zij verderf of verlies aan informatie betekenen. Zo zouden de gedeeltelijk met zwemvliezen voorziene poten ontstaan kunnen zijn uit een mutatie, die ervoor zorgde dat de tenen niet goed gescheiden werden in het embryonale stadium. Dit defect geeft hem het voordeel te kunnen zwemmen wat hem helpt te overleven als zeehondenjager tussen de ijsschotsen.

Deze beren zullen dit defect doorgeven aan hun nazaten, maar alleen in die omgeving. Omdat mutaties altijd vermindering van informatie betekenen, is er een limiet op de mogelijkheid van dit mechanisme voor het ontstaan van aanpassingseigenschappen. Het zal bijvoorbeeld nooit bont in veren veranderen. [3]

Na de zondvloed, toen dramatische veranderingen in het klimaat en in de omgeving optraden, waren er plotseling een groot aantal ‘lege’ nissen, en nadat het eerste paar vermenigvuldigde, vonden groepen afstammelingen nieuwe leefomgevingen. Alleen zij, van wie de overheersende eigenschappen geschikt waren voor die nieuwe omgeving, overleefden en ontwikkelden zich. [4] Zo waren er geen miljoenen jaren nodig voor de ontwikkeling van nieuwe variëteiten of zelfs soorten.

Bijvoorbeeld, de eerste beren die moesten overleven op bamboe. Alleen die beren met een sterke keel en maagwand, zouden in elke generatie overleven. Dieren zonder deze eigenschappen zouden niet lang genoeg geleefd hebben om nageslacht te kunnen vormen, waardoor het genenreservoir, (de gene pool) verminderde en alleen de overlevende beren konden kruisen. Zo werden de eigenschappen in die groep steeds geprononceerder. Dit is redelijker dan te veronderstellen dat deze groep moest wachten op de juiste mutaties over miljarden jaren om die vitale eigenschappen te produceren.

Merk op hoe zulke nieuwe soorten:

a) Meer gespecialiseerd worden.
b) Beter aangepast zijn aan een bijzonder woongebied.
c) Minder genetische informatie hebben dan de oorspronkelijke groep.

(Zie de box (hieronder) voor een eenvoudig voorbeeld hoe informatie verdwijnt als dieren zich aanpassen.)

Het is vrij logisch dat God de oorspronkelijke dieren als zeer robuuste groepen schiep, met de mogelijkheid zich aan te passen aan diverse omgevingen.

Met andere woorden: dieren die zich aan hun woongebied aangepast hebben, tonen latente eigenschappen die zij van God kregen tijdens de schepping. Het evolutionistische geloof dat mutaties alle noodzakelijke ontwerp eigenschappen hebben toegevoegd is dus in strijd met zowel de theorie als de waarneming. [5]

Samenvatting

Creationisten geloven dat ontwerpkenmerken, die wij waarnemen in hedendaagse dieren, het resultaat zijn van het oorspronkelijke scheppingontwerp, tot uiting gekomen, verfijnt, en door natuurlijke selectie aangepast aan hun woongebied in de gevallen wereld van dood en strijd. Als, zoals blijkt uit fossiel bewijs, er vóór de zondvloed geen ijskappen waren, dan waren er ook geen ijsberen in die tijd. De wijsheid van de Schepper wordt duidelijk uit het feit dat de oorspronkelijke organismen waren voorzien van het potentieel om zich aan te passen. Zodanig, dat ze passen in een grote variatie van woongebieden en levenstijlen.

De beren familie met zijn ongelofelijke variatie, geeft duidelijk blijk van een intelligente Schepper.

 

Hoe informatie verloren gaat als de schepselen zich aanpassen aan hun omgeving

Stamboom van lang en kortharige berenIn het voorbeeld rechtsonder (vereenvoudigd voor de illustratie), wordt onder elke beer, een enkel genenpaar getoond in twee mogelijke vormen. Eén vorm van het gen (L) draagt instructies voor lang haar, de andere (K) voor kort haar.

In rij 1, beginnen we met dieren die middellang (medium) haar hebben (LK) en nageslacht produceren. Iedere nakomeling van deze beren kan één van elk gen (of beiden) ontvangen van elke ouder om zo zijn eigen twee genen te verkrijgen.

In rij 2, zien we dat de resulterende nakomelingen ofwel kort (KK), middellang (LK) of lang (LL) haar hebben.

Stel je nu voor dat het klimaat drastisch afkoelt (zoals in de ijstijd na de zondvloed). Alleen de beren met lang haar overleven en zijn in staat de volgende generatie te produceren (rij 3). Vanaf dat moment zijn alle nieuwe beren van het langharige soort. Merk op:

  1. Zij zijn nu aangepast aan hun omgeving.
  2. Zij zijn nu meer gespecialiseerd dan hun voorouders in rij 1.
  3. Dit alles vond plaats door natuurlijke selectie.
  4. Er zijn geen nieuwe genen toegevoegd.
  5. In feite zijn er genen verloren uit de populatie, d.w.z. er is een verlies van genetische informatie opgetreden, het tegengestelde van wat de microbe tot mens evolutie nodig heeft om geloofwaardig te zijn.
  6. De populatie is nu minder geschikt om zich in de toekomst eventueel aan te passen aan een nieuwe klimaatsverandering. Als het klimaat warmer wordt is er geen genetische informatie meer voor kort haar, dus zullen de beren waarschijnlijk oververhit raken.


IJsberen: corrigeren van blunders uit het verleden…

IjsbeerIn 1979, toen dit tijdschrift nog Ex Nihilo heette, werd in Nr. 2(2):18 gerapporteerd dat de haren van ijsberen transparant waren, en zo vergelijkbaar met optische kabels, lichtenergie transporteerden naar de huid om hem warm te houden. Deze informatie kwam uit seculiere bronnen, en natuurlijk hadden wij geen haren van ijsberen om het te controleren.

Recentelijk heeft een schrijver deze haren nu wel getest, en het blijkt dat dit idee, dat keer op keer herhaald werd in allerlei seculiere wetenschappelijke artikelen, feitelijk een mythe is. [6]

De haren van ijsberen blijken niet de glasvezel eigenschappen te hebben (die in feite moeilijk te verklaren zou zijn, als alle beren recentelijk afkomstig zouden zijn van één soort, zoals de meeste creationisten tegenwoordig denken). Zij zijn van normaal keratine gemaakt, net als de haren van alle overige schepselen. Dit benadrukt nog eens, dat alle wetenschappelijke beweringen voorlopig en feilbaar zijn, ongeacht wie ze maakt.

Een andere foutieve bewering over ijsberen, die in sommige anti-Darwiniaanse artikelen verscheen, is dat natuurlijke selectie niets te maken heeft met de witte vacht van de ijsbeer, omdat de beer geen roofdieren kent.

Dit is niet het geval, omdat ten tijde dat de eerste beren de sneeuwgebieden bereikten, diegene met een licht gekleurde vacht in het voordeel waren.

Omdat zij een goede (sneeuw) camouflage hadden, zouden zij beter in staat geweest zijn om hun prooi ongemerkt te besluipen. Dus speciaal daar waar voedsel schaars is, zouden ‘wittere’ beren beter in staat zijn om te overleven en hun genen aan het nageslacht door te geven.

 



Referenties en aantekeningen

[1] Voornaamste bron voor de beschrijving van de soorten: D.J. Tyler, Creation Matters 2(5):1–3, 1997. Also, general information from Encyclopædia Britannica 2:252, 5:507, 1992 and Hutchinson’s Animals Of All Countries, Part VI, 1923.
[2] Hoewel gebrek aan hybriden vorming niet de afstamming van dezelfde oorspronkelijke soort uitsluit, is de mogelijkheid van hybridisatie een duidelijk bewijs van gemeenschappelijke afstamming. Alhoewel niet alle controles voor hybridisatie zijn uitgevoerd, is het al wel bekend dat bruine,- en Grizzly-beren kunnen kruisen met de Amerikaanse zwarte beren, ijsberen en Aziatische zwarte beren. Lippenberen kruisen met zonnenberen. Zie DJ Tyler, Creation Matters 2(5):1–3, 1997.
[3] Defecten kunnen soms ‘goed’ zijn (bijvoorbeeld de afwezigheid van vleugels bij torren op winderige eilanden, zie Kever miskleun) maar zijn altijd degeneratief. Het voorbeeld van de poedel in dit artikel gaat maar ten dele op, omdat degeneratieve mutaties een grotere rol hebben gespeeld in de vorming van bepaalde eigenschappen (gewoonlijk duidelijk te zien als misvormingen) in tamme honden rassen. Net als bij mutaties in het wild, voegen zij geen informatie toe. Maar de mens kan ervoor kiezen om bepaalde vreemde afwijkingen in tamme honden aan te houden, die in het wild vanzelf zouden worden geëlimineerd.
[4] Ook zouden er kleine geïsoleerde populaties zijn, die ideaal zijn om bepaalde eigenschappen permanent te maken.
[5] Lee Spetner, Not by chance. Shattering the Neo-Darwinian theory of evolution. The Judaica Press, Inc. USA, 1996. Zie het online review bij AiG.
[6] Daniel W. Koon, ‘Power of the polar myth’ New Scientist, April 25, 1998, p. 50.

Originele Engelse tekst op: http://www.answersingenesis.org/creation/v20/i4/bears.asp