Hubble-ruimte-telescoop toont ‘big-bang’ problemen

Hubble-ruimte-telescoop toont ‘big-bang’ problemen
door Carl Wieland.
vertaling AH, Werkgroep In Genesis


Dankzij de bevindingen van nieuwe instrumenten, zoals de Hubble-ruimte-telescoop hebben vele van de meest geliefde big bang versies grote problemen. Bijvoorbeeld, enkele metingen die gebruikt werden om de expansiesnelheid van het heelal te berekenen, (om te zien of de ‘roodverschuiving’ van licht inderdaad expansie betekend) zouden binnen het raamwerk van kosmische evolutie hebben betekend dat het heelal jonger is dan sommige sterren!

Met verbeterde optische telescopen kunnen astronomen verder in de ruimte kijken. Aanhangers van de big bang verwachten dat er een consistent patroon gevonden zal worden, zodanig dat er bij grotere roodverschuiving (en dus grotere afstanden) jongere sterrenstelsels zouden worden gevonden. Het blijkt dat de meeste sterrenstelsels met grote roodverschuiving inderdaad worden beheerst door blauwe sterren (dit is volgens huidige theorieën de kleur van sterren die nog niet zo lang branden als de rode sterren). Er is een opvallende ‘variatie in vormen’. Hoewel dit niet erg specifiek is, past het wel binnen de algemene verwachtingen van de oerknaltheorie. Het zou ook kunnen passen in een aantal kosmologische scenario’s van creationisten.

Er hoeft echter maar één zwarte zwaan te zijn om de bewering dat alle zwanen wit zijn te ontzenuwen. En er zijn feitelijk diverse sterrenstelsels in hetzelfde roodverschuiving gebied die niet blauw zijn maar rood. Vandaag heeft het ‘meest verbazingwekkende’ sterrenstelsel een schijnbare leeftijd van 3,5 miljard jaren, wat veel ‘te oud’ is voor een sterrenstelsel in een dergelijk verondersteld vroeg stadium (roodverschuiving 1,5) van het heelal. [1]

Het einde van de big bang?

Bovendien, bezorgt het verre heelal kopzorgen doordat het veel te veel ‘klonterig’ is voor het populaire big bang scenario. Ongeveer 10 jaar geleden waren astronomen uitgebreid bezig om het heelal 3-dimensionaal in kaart te brengen. Ze waren verbaasd dat het heelal ontzettend ‘klonterig’ was, met grote vlakken van sterrenstelsels (één genoemd de ‘Grote Muur’) afgewisseld met grote ‘leegten’. Zelfs toen werd al gezegd dat er te weinig tijd was voor een exploderende massa om zulke grote structuren te vormen.

Hoewel kosmologen moeite hadden met deze werkelijkheid te leren leven, konden zij zich tenminste nog troosten met de wetenschap dat het ‘vroege heelal’ beter zou overeenkomen met hun voorspellingen. Door ver genoeg terug te kijken, zou het heelal geleidelijk ‘egaler’ worden. Jammer genoeg voor de theorie lijkt het er steeds meer op dat het verderop nog meer ‘klonterig’ is. Voorlopige observaties tonen aan dat er vele ‘structuren zijn van de grootte en vorm van de Grote Muur, maar tientallen malen verder weg.’ [2] Feitelijk ziet men dit clusteren in één specifiek gedeelte van het heelal, dat ‘de vaagste en verst afgelegen observeerbare sterrenstelsels omvat’. [3]

Betekent dit het einde van de big bang? Wij menen van niet, omdat dit model door sommigen lange tijd is aangemerkt als voldoende vaag om opmerkelijk flexibel te zijn. Waarschijnlijk zal het model, net als in het verleden, met hier en daar een aanpassing, het wel weer overleven. Er zijn veel variabelen die naar wens kunnen worden aangepast in de computermodellen – veranderingen in de expansiesnelheid, de dichtheid van de massa in het heelal (je kunt bijna elke hoeveelheid onzichtbare ’donkere materie’ veronderstellen), het bestaan van een hypothetische ‘kosmologische constante’ – er zijn zelfs veronderstellingen geuit dat de wet van de zwaartekracht in het vroege heelal anders was. Het is daarom geen verrassing dat het schijnbare conflict tussen de leeftijd van het heelal en die van enkele sterren bijna verklaard is door enkele aanpassingen. Berekeningen leveren voor de oudste sterren leeftijden van 12 tot 15 miljard jaar. Astronomen bereiken ondertussen consensus dat het heelal 8 tot 12 miljard jaar oud is. [4] Hoe klein de overlap ook is, het is op dit moment genoeg om de theorie te redden.

Roodverschuivingen

Maar er zijn nog andere vervelende en lastige waarnemingen op de achtergrond bij gekomen in de laatste 20 jaren. Als zij correct zijn, kunnen zij grote implicaties hebben; zij kunnen zelfs de nekslag betekenen voor ieder oerknalconcept. De observatie is de quantisatie van roodverschuiving, waarvan zelfs wordt gezegd dat zij het hele idee van een uitzettend heelal ondermijnt.

Waar gaat het over? Astronoom William Tifft van de Universiteit van Arizona, was de eerste die beweerde dat de roodverschuiving (de mate waarin het licht van sterren verschoven is naar het rode einde van het spectrum, waarmee de snelheid van een ster die van ons af beweegt wordt aangegeven en dus ook hoe ver weg de ster is) van sterrenstelsels valt binnen verschillende pakketten, zoals de treden van een ladder. Dit is vergelijkbaar met de bewering dat de snelheid van deeltjes, die uit een explosie komen, niet gelijkmatig verdeeld zijn over een bereik van snelheden, maar vallen in groepen van bijvoorbeeld 100 km/h, 200 km/h, 300 km/h enz.

Tifft werd aanvankelijk genegeerd, maar ging gedurende vele jaren door met het verzamelen van gegevens, die doorgaans hetzelfde resultaat lieten zien. Twee Engelse astronomen, Bill Napier uit Oxford en Bruce Guthrie uit Edinburgh, hebben met zeer gevoelige apparatuur een uitgebreide studie gedaan naar meer dan 200 sterrenstelsels. Zij beweren dat ze ‘het beste bewijsmateriaal tot nu toe’ hebben dat het fenomeen werkelijkheid is. [5]

Nu bereiden zelfs voormalige sceptici zich voor om deel te nemen aan het debat, en stellen voor om het model verder te testen.

Mike Disney van Cardiff’s Universiteit van Wales, zegt dat als het idee staande blijft, het de standaard kosmologie op zijn kop zou kunnen zetten. Hij zegt dat ‘het zou betekenen dat veel van het huidige onderzoek moet worden verworpen’. Alle pogingen om het te verklaren binnen conventionele modellen zijn, voorzichtig uitgedrukt, ‘hoogst onorthodox’. Als het de volgende ronde van tests overleeft, dan zullen theoretici een groot probleem hebben om het te verklaren.

James Peebles van de universiteit van Princeton, wiens lievelings-oerknal-kosmologie de grote verliezer wordt als dit alles waar is, zegt dat hij de beweringen om die reden met een grote omzichtigheid behandelt. Hij zegt ook dat hij niet dogmatisch wil zijn en dat het ‘niet waar kan zijn, maar als het wel waar is, dan is dat een grote schok’. De gegevens zijn al zeer indrukwekkend. Volgens Bill Napier hebben zij hun best gedaan de conclusie te omzeilen dat roodverschuivingen gequantiseerd zijn, maar het is hen niet gelukt.

Als deze waarnemingen niet in strijd waren met de big bang, zouden zij in het verleden ongetwijfeld veel serieuzer genomen zijn. Het probleem schijnt te zijn, zoals de prominente astronoom Geoffrey Burbidge het uitdrukt (Professor Natuurkunde aan de Universiteit van California, San Diego):

‘Big bang kosmologie kan waarschijnlijk rekenen op bredere acceptatie dan enig andere theorie over het universum in de geschiedenis van de Westerse beschaving. Het berust echter op vele niet-getoetste en doorgaans niet-toetsbare aannames. De big bang kosmologie is een mode van gedachtegoed geworden dat evenveel geloof, als objectieve waarheid omvat.’ [6]

Jammer genoeg zijn enkele van hen christenen die de big bang beschouwen als een geloofsbrief. Zij beweren dat het een ‘natuurlijk feit’ is en daarom moet worden aanvaard. Genesis moet worden geherinterpreteerd om te passen binnen dit en andere concepten van evolutionisten.

Deze ‘natuurlijk feiten’ zijn volgens hen een bron van openbaring op gelijke voet met de Bijbel. Zo schrijft Dr. Hugh Ross bijvoorbeeld: ‘De feiten der natuur kunnen worden beschouwd als het 67ste boek van de Bijbel.’ [7]

Het probleem met deze gedachte – nu enthousiast omhelst door tal van evangelische leidinggevenden – is dat men zich moet realiseren dat zulke ‘feiten’ slechts interpretaties en conclusies zijn van feilbare mensen, met hun beperkingen, die naar hun aard vooringenomen zijn tegen hun Maker.

Velen die zijn afgedwaald door zulke pogingen om de Bijbel met evolutionisme te verenigen, zullen moeten zoeken naar een ‘nieuwe interpretatie’ van Genesis als (of misschien moeten we zeggen wanneer) de oerknaltheorie gedurende hun leven door de seculiere wereld wordt verworpen. Natuurlijk zal een dergelijke verwerping pas plaatsvinden wanneer een alternatief concept is bedacht. Eén die minstens goed genoeg bij de gegevens past om de ongelovige wereld te helpen in haar heilloze poging het ontstaan van de wereld te verklaren zonder God. [8]



Referenties en aantekeningen

[1] An old galaxy in a young Universe, Nature Vol. 381, pp. 555-556, 13 juni 1996.
[2] Science, Vol. 272, p. 1590, 14 juni 1996.
[3] Ibid.
[4] Zie Age of the Cosmos: A First Consensus, Science News 49 (19), p. 292, voor een voorbeeld van hoe het veranderen van de aannames betreffende de dichtheid van materie de resulterende leeftijd bijstelt.
[5] Science, Vol. 271, p. 759, 9 februari 1996.
[6] Scientific American, p. 96, februari 1992.
[7] H. Ross, The Creator and the Cosmos, p. 55.
[8] Vele christenen die wanhopig hebben getracht op één lijn te blijven met de opinies van seculiere wetenschappers, reduceerden uiteindelijk de rol van God tot slechts het aansteken van het oerknal-lontje. Dat is bijna hetzelfde als Hem volledig wegredeneren. Zelfs dat is niet genoeg voor de consistente atheïst Paul Davies (de fysicus die ironisch genoeg de Templetonprijs voor religie won). Volgens hem heeft het heelal (niet alleen materie, maar ook ruimte en tijd) zichzelf doen ontstaan uit niets; het enige ‘eeuwige gegeven’ voor hem zijn de natuurkundige wetten zelf, die hij eufemistisch ‘God’ noemt.

Originele Engelse tekst op: http://www.answersingenesis.org/creation/v18/i4/bigbang.asp