Christelijke filosoof ziet geen conflict met evolutie

Wat hij wel en niet bij het juiste eind heeft

M.C. uit Nieuw Zeeland vroeg onze reactie op het volgende citaat uit een artikel in de New York Times. Het artikel bespreekt christelijk filosoof Alvin Plantinga en zijn boek ‘Het echte conflict’ (origineel: ‘Where the conflict really lies’, 2011).

Citaat:

“Dhr. Plantinga zegt dat hij de wetenschappelijke evolutietheorie accepteert, zoals volgens hem ook alle christenen zouden moeten doen. Atheïsten, zo redeneert hij, zijn de enigen die Darwin verkeerd uitleggen. Hun geloof dat evolutie het bestaan van God uitsluit, met inbegrip van een God die doelbewust de mens schiep door een proces van geleide evolutie, is geen wetenschappelijke stelling, maar “een metafysische (bovennatuurlijke) of theologische toevoeging.”

Het antwoord op de vraag van M.C. komt van CMI-medewerker Keaton Halley.

Ik heb Plantinga’s boek, ‘Het echte conflict’, gelezen toen het voor het eerst uitkwam. Het boek bevat vele nuttige zaken. Zo behandelt Plantinga wat hij “het evolutionaire argument op basis van rationaliteit” noemt uitvoerig. Dit is gerelateerd aan ‘arguments from reason’ wat ik ook behandelde in Monkey minds: How evolution undercuts reason and science.

Tevens verdedigt hij dat wonderen te verenigen zijn met wetenschap en wijst hij er op hoe wetenschap geworteld is in het christelijke wereldbeeld.

Daarnaast leverde Plantinga een positieve bijdrage aan onze documentaire Darwin – de reis die de wereld veranderdeTevens is het aan te raden kennis te nemen van de recensie van zijn boek in het Journal of Creation.

Helaas stelt Plantinga dat evolutie te verenigen is met het christelijk geloof.

Komt hij tot deze conclusie omdat hij uitvoerig en in voldoende mate antwoord heeft gegeven op de vele punten van onverenigbaarheid die creationisten naar voren hebben gebracht? Nee, in het geheel niet. Voor het overgrote deel gaat Plantinga niet eens in op de argumenten van creationisten of de vele bijbelteksten die strijdig zijn met de evolutietheorie.

Feitelijk toont hij zijn volledige onwetendheid wat betreft creationistische literatuur als hij stelt dat we geloven dat God de wereld heeft geschapen met daarin reeds aanwezig de fossielen en licht afkomstig van verre sterrenstelsels (p.10).

In plaats daarvan is Plantinga’s grootste zorg in het boek het weerleggen van de intrinsieke en noodzakelijke doelloosheid van darwiniaanse evolutie. Hij beredeneert dat God het proces kan hebben gestuurd. Zelfs als hij het op dit punt bij het rechte eind zou hebben, is hij nog mijlenver van een verzoening tussen christendom en de evolutietheorie vandaan.

Voor het overgrote deel gaat Plantinga voorbij aan de vele bijbelse teksten die evolutie tegenspreken

Ik ben het niet eens met Plantinga’s karakterisering van het darwinisme, dat dit te verenigen zou zijn met ontwerp. Vanaf het begin hebben darwinisten zelf de darwiniaanse evolutie overtuigend voorgesteld als een ongeleid en ongepland proces. Dit is inderdaad een filosofische stellingname, maar het darwinisme is juist afgeleid van deze filosofische belangen en wordt hierdoor nog steeds ondersteund in plaats van dat het gestoeld is op wetenschappelijke argumentatie.

Ik ben het echter met Plantinga eens dat men niet kortzichtig elke mogelijkheid kan uitsluiten dat mutaties of andere natuurlijke fenomenenzouden kunnen zijn gebeurd als gevolg van een goddelijk doel. Hij heeft dus gelijk dat er niet per se een noodzakelijke logische onverenigbaarheid bestaat tussen ontwerp en universele gemeenschappelijke herkomst. Hoewel er ruim voldoende andere bijbelse en wetenschappelijke argumenten zijn om evolutie af te wijzen, laten we die omwille van deze discussie terzijde.

Met het weglaten van deze argumenten heeft Plantinga gelijk als hij stelt dat “God [hypothetisch gezien] zijn beoogde resultaat had kunnen bereiken door er zelf voor te zorgen dat de juiste mutaties op het juiste moment plaats zouden vinden”. Of, als alternatief, dat “God het van tevoren zo zou kunnen hebben ingeregeld dat de juiste mutaties zouden plaatsvinden op het juiste moment zonder Zijn ingreep” (p.16).

Dus als we ze maar algemeen genoeg beschrijven, zijn evolutie en ontwerp niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar.

Maar de basale logische samenhang van een bepaalde vorm van ‘geleide evolutie’ bevrijdt theïstisch evolutionisten niet van hun problemen. De meeste aanhangers van de evolutietheorie, inclusief de grote namen onder theïstische evolutionisten, zien het als een volledig materialistisch proces.

Een deel van het probleem is dat de meeste theïstische evolutionisten niet zo filosofisch hoogontwikkeld zijn als Plantinga en zichzelf tegenspreken: ze houden stug vol dat evolutie tegelijkertijd zowel geleid als ongeleid is. Er bevindt zich een zware innerlijke tegenstrijdigheid in hun positie.

Zoals besproken in Did God create an ‘open’ universe?, staan veel theïstische evolutionisten erop dat God afstand heeft gedaan van een grote mate van controle over evolutie, en de natuur haar eigen gang laat gaan. Hun argumenten voor evolutie, gebaseerd op natuurlijk kwaad en dysteleologie (slecht ontwerp), nemen over het algemeen aan dat God geen volledige controle uitoefende op het proces. En derhalve zouden evolutionisten veel van hun favoriete argumenten voor evolutie moeten herzien als ze het uitgangspunt zouden accepteren dat God evolutie orkestreerde om zijn specifieke vooropgezette doelen, zoals de schepping van de mens, te bewerkstelligen.

Darwin formuleerde tevens zijn theorie expliciet als alternatief voor intelligent ontwerp, en dit aspect werkte eraan mee dat het uiteindelijk het heersende paradigma werd. Theïstische evolutionisten zijn het er over het algemeen over eens dat Darwins mechanisme de aanwezigheid van ontwerp wegredeneert. Als ze dus verklaren dat er toch ontwerp aanwezig is in levende dingen, kan het slechts een niet-detecteerbare vorm van ontwerp zijn. Het kan niet datgene zijn wat Romeinen 1 bedoelt als Paulus spreekt over de Schepper die duidelijk zichtbaar is in “de dingen die zijn gemaakt” (Rom. 1:20).

Bij iedereen die zaken verkondigt en poneert moeten we leren het kaf van het koren te scheiden

Bovendien moeten theïstische evolutionisten er rekening mee houden dat de Bijbel zelf veel zaken leert die de doodsteek vormen voor hun opvatting. Zo zeggen Jezus en de nieuwtestamentische schrijvers dat de mens al aanwezig was vanaf de grondlegging van de wereld, terwijl theïstische evolutionisten stellen dat de mens pas veel later ten tonele verschijnt.

De Bijbel stelt dat God alles schiep in zes dagen, waar theïstische evolutionisten stellen dat er miljarden jaren voor nodig waren. De Bijbel zegt dat God op de zevende dag de schepping voltooide; theïstische evolutionisten stellen dat de wereld nog ‘werk in uitvoering’ is. De Bijbel zegt dat God Adam als eerste mens op bovennatuurlijke wijze schiep uit het stof der aarde, en Eva uit Adam; theïstische evolutionisten stellen dat de mens afstamt van hominiden.

De Bijbel zegt dat door Adams zondeval de dood zijn intrede deed in de wereld; theïstische evolutionisten stellen dat de dood reeds aanwezig was voordat de mens er was. De Bijbel verklaart dat er een wereldwijde overstroming was; theïstische evolutionisten zeggen dat de fossielen een dergelijke ramp uitsluiten. U snapt het idee.

Het is daarom erg jammer dat een groot denker als Alvin Plantinga zo sympathiseert met theïstische evolutie. Hoewel ik zijn werk zeer waardeer, inclusief het boek waarover we het hier hebben, moeten we leren om kritisch te kijken naar de zaken die iemand verkondigt en poneert en om het kaf van het koren te scheiden.