Darwinisme zit in de familie

De beroemde kleinzoon van Erasmus Darwin leerde al vroeg over evolutie

Quangpraha / Pixabay

Veel mensen denken ten onrechte dat Charles Darwin (die een graad in de theologie behaalde) ooit volkomen tevreden was met de Bijbelse oorsprongsverklaring—totdat hij, als onbevooroordeelde naturalist, struikelde over de idee van evolutie door de ‘feiten van de natuur’ te observeren op de Galapagoseilanden in 1835.

De waarheid is duidelijk anders. Het concept van evolutie bevond zich in feite al in zijn familiekring sinds zijn grootvader, Erasmus Darwin, het voor het eerst in 1770 presenteerde.1

Charles Darwin

Zoals we al vaak hebben opgemerkt, hebben evolutionisten geen feiten die niet ook beschikbaar zijn voor creationisten—het is hoe deze feiten worden geïnterpreteerd die van belang zijn, en het is de ideologie die de interpretatie grotendeels bepaalt.

Charles Darwin zelf zei: ‘Het is toch raar dat iemand niet zou zien dat alle waarneming voor of tegen een opvatting moet zijn om ook maar van enig nut te kunnen zijn.’2

Dus moeten we zorgvuldig de invloeden op Darwins denkwijze overwegen van voor zijn wereldtocht aan boord van de Beagle­­. De sleutel tot het begrijpen hoe hij voorbeschikt was tot het interpreteren van feiten ten gunste van een evolutionaire ideologie grijpt terug op de overtuigingen, geschriften en het voorbeeld van zijn grootvader, Erasmus.

Wetenschapper, uitvinder en arts

Derby Museums – Erasmus Darwin by Joseph Wright; Source: flickr.com

Erasmus Darwin (1731-1802) was één van de meest erudiete, enthousiaste en toegewijde wetenschappers/uitvinders van zijn tijd. Hij voltooide een belangrijke vertaling van het Latijn naar het Engels van de werken van Carl Linnaeus (1707-1778), die de plantenclassificatie heeft ontworpen die de basis vormt van de moderne plantkunde.

Zijn vele uitvindingen omvatten een spreekmachine, een kopieermachine en een sledestuurmechanisme dat later in auto’s werd gebruikt. Inderdaad, ‘Er is nauwelijks een idee of uitvinding in de moderne wereld die Erasmus Darwin niet presenteerde of voorzag, van evolutie tot eugenetica, van vliegtuigen tot onderzeeërs, van antiseptica tot psychoanalyse, van pratende machines tot telefoons.’3

Hij begon zijn zelfgekozen beroep van medicus in Lichfield in 1756. Zijn reputatie als arts werd gevestigd toen hij het leven redde van een jongeman van een prominente plaatselijke familie, die door andere artsen ongeneeslijk was verklaard.

Omdat zijn genezingen ‘ongewoon frequent’ waren, werd zijn praktijk geleidelijk de grootste in de Engelse Midlands. Koning George III vroeg hem om zijn lijfarts in Londen te worden, maar Erasmus weigerde.

Rond 1766 was hij medeoprichter van de Lunar Society—een sociale club voor de grote wetenschappers, industriëlen en natuurfilosofen van zijn tijd. Het werd ‘de denktank van de industriële revolutie’ genoemd en was de beroemdste Engelse wetenschappelijke kring van de achttiende eeuw, na de Royal Society.

Leden waren James Watt (beroemd vanwege de stoommachine), Joseph Priestley (de ontdekker van zuurstof), William Murdoch (de uitvinder van gasverlichting), Josiah Wedgwood (de grote pottenbakker) en Samuel Galton (een rijke industrieel). Anderen in Amerika verbonden aan de Society waren Thomas Jefferson en Benjamin Franklin.

Genotzoeker, vrijdenker en dichter

Zijn liefde voor eten (met name fruit, suiker, room en boter)4 werd geëvenaard door zijn afkeer van lichaamsbeweging, en op 46-jarige leeftijd was hij zo corpulent geworden dat er een halve cirkel uit zijn eettafel moest worden gezaagd om ruimte te geven voor zijn buik tijdens de maaltijden.

Tweemaal getrouwd, verwekte hij 12 Darwin-nakomelingen en, tussendoor, nog twee (erkende) onwettige dochters bij ene Miss Parker (de gouvernante van de kinderen). Deze meisjes werden bij zijn andere kinderen thuis opgevoed en zijn later de inspiratie geweest voor een omvangrijk traktaat door Erasmus over onderwijs aan vrouwen.5

Erasmus was anti-Christendom, anti-slavernij en pro de Amerikaanse en Franse revoluties. Als voortreffelijke dichter schreef hij zijn meningen en wetenschappelijke ideeën vaak in versvorm; de meest opmerkelijke waren The Botanic Garden (gepubliceerd in twee delen, 1789, 1791), die bestond uit 4.384 perfect rijmende coupletten, en The Temple of Nature (postuum gepubliceerd in 1803).

Voorbeeld:

‘Cold gills aquatic form respiring lungs,
And sounds aërial flow from slimy tongues.’6,7

Evolutie à la Erasmus

Erasmus opperde in 1770 voor de eerste keer voorzichtig de idee van evolutie. Zijn familiewapen werd gekenmerkt door drie schelpen, waaraan hij de Latijnse woorden E Conchis omnia (‘alles uit schelpen’) toevoegde.

Eramus Darwin’s boekmerk /ex libris  met drie sint-jakobsschelpen op de diagonaal. In 1771 voegde hij de woorden ‘E conchis omnia‘ (‘alles van schelpen’) toe om zijn geloof in de evolutie te tonen.

Hij had dit motto op zijn koets laten schilderen om zijn theorie bekend te maken ‘zonder dat iemand het merkte’. Maar ze merkten het wel degelijk op. Canon Seward van de kathedraal van Lichfield schreef zelf enkele satirische verzen waarin hij klaagde dat Darwin …

‘… afstand doet van zijn Schepper
En vormt alles wat zin heeft uit zinloze materie.
Geweldige tovenaar is hij! door magische spreuken
Kunnen alle dingen ontstaan ​​uit kokkelschelpen.’8

Om zijn rijke patiënten niet te beledigen, schilderde Erasmus het motto op zijn rijtuig over en deed het in plaats daarvan op zijn boekplaat (1771).

In de volgende twee decennia werd Erasmus aangemoedigd om meer en meer van zijn evolutionaire ideeën te verklaren. In The Economy of Vegetation (1792) verklaarde hij dat de aarde was gevormd uit een kosmologische explosie:

‘When high in ether, with explosion dire
From the deep craters of his realms of fire,
The Whirling Sun this ponderous planet hurl’d,
And gave the astonish’d void another world.’9

In The Botanic Garden zei hij dat het leven begon in de zee en zich vanaf dat punt progressief ontwikkelde:

‘Organic Life beneath the shoreless waves
Was born and nurs’d in Ocean’s pearly caves;
First forms minute, unseen by spheric glass,
Move on the mud, or pierce the watery mass;
These, as successive generations bloom,
New powers acquire and larger limbs assume;
Whence countless groups of vegetation spring,
And, breathing realms of fin, and feet, and wing.’10

Zijn belangrijkste werk, Zoonomia or the Laws of Organic Life (twee delen, 1794 en 1796), was een enorme medische verhandeling in proza, die een uitgebreide classificatie van ziekten en behandelingen omvatte. Binnen 10 jaar verschenen er vier Britse en twee Amerikaanse edities van en werd het vertaald in het Duits, Frans en Italiaans.

Het werd ‘de eerste consistente allesomvattende hypothese van evolutie’ genoemd en werd ongeveer 65 jaar vóór Charles zijn versie van evolutie publiceerde in On the Origin of Species in 1859 gepubliceerd.

Erasmus zei dat ‘miljoenen eeuwen [d.w.z duizenden miljoenen jaren] vóór het begin van de geschiedenis van de mensheid … alle warmbloedige dieren zijn voortgekomen uit één levende vezel, die door de Grote Eerste Oorzaak werd begiftigd met leven, met de kracht voor het verwerven van nieuwe delen … en dus het vermogen bezittend om te blijven verbeteren door zijn eigen inherente activiteit, en die verbeteringen door te geven van generatie tot nageslacht, wereld zonder einde!’ (I: 505)11

Later, in The Temple of Nature, breidt Erasmus dit uit tot: ‘alle aanwezige groenten en dieren waren oorspronkelijk afgeleid van de kleinste microscopische exemplaren, gevormd door spontane vitaliteit in oeroude oceanen’.11 En hij zegt:

‘De mens …
Moet met tederheid kijken naar alle levende vormen,
Zijn broeder-mieren en zijn zuster-wormen.’12

Erasmus was sterk anti-christelijk en nam Goedgelovigheid, Bijgelovige Hoop en Angst voor de Hel op in zijn catalogus van ziekten.
Erasmus probeerde de kerkgangerscultuur van zijn tijd te sussen door te verwijzen naar ‘The Great First Cause’, gemarkeerd in hoofdletters, maar bevestigde snel dat, eenmaal gestart, evolutie geen goddelijke hulp nodig heeft, maar ‘door zijn eigen inherente vermogen’ voortgaat. Hij was sterk anti-christelijk en zei dat hij ‘Goedgelovigheid, Bijgelovige Hoop en Angst voor de Hel’ had opgenomen in zijn catalogus van ziekten.13 Deze ideeën werden op grote schaal afgekeurd door schrijvers als de grote dichter Samuel Taylor Coleridge, die de term ‘Darwinisering’ bedacht, wat ‘wild speculeren’ betekent, in verwijzing naar de evolutionaire ideeën van Erasmus.14 The Temple of Nature werd algemeen veroordeeld vanwege zijn ‘totale ontkenning van elke tussenkomst van een Godheid’ en hij werd verder aangevallen omdat hij probeerde ‘de religie van de natuur te vervangen door de religie van de Bijbel’.15

 

De invloed van Erasmus op Charles

Hoewel Erasmus zeven jaar voordat Charles geboren werd stierf, groeide Charles op in een huishouden waar zijn vader, Robert, Erasmus’ ‘vrijdenkende’ (materialistische), antichristelijke ideeën had overgenomen. Dus ongeloof was een acceptabele eigenschap binnen de Darwin-familie—niet als ‘een morele crisis of rebellie’, maar misschien zelfs als ‘een kinderlijke plicht’.16

Charles las en ‘had grote bewondering voor’ zijn Zoonomia toen hij 18 was. Jaren later, toen hij geconfronteerd werd met dezelfde soort kritiek als waarmee Erasmus geconfronteerd was, probeerde Charles het boek van zijn grootvader te verwerpen17 door te beweren dat, ‘na het lezen van het boek voor de tweede keer na een interval van tien of vijftien jaar, ik erg teleurgesteld was, ten aanzien van de grote hoeveelheid speculatie tegenover de gegeven feiten.18 Niettemin, in 1837, toen Charles zijn ideeën in een notitieboek schreef, noteerde hij het woord Zoonomia op de titelpagina ‘om aan te geven dat hij dezelfde weg bewandelde als zijn grootvader’.19

Eén van Charles’ voornaamste argumenten voor evolutie is gebaseerd op de vorm van de snavels van vinken als reactie op het soort voedsel dat hij in 1835 op de Galapagoseilanden zag. Is het geloofwaardig om te denken dat hij niet was beïnvloed door wat Erasmus had geschreven over het onderwerp?

Bijna elk besproken onderwerp en gegeven voorbeeld in Zoonomia verschijnt weer in Charles’ Origin.
Namelijk: ‘Sommige vogels hebben hardere snavels gekregen om noten te kraken, zoals de papegaai. Anderen hebben snavels gekregen die zijn aangepast om hardere zaden te breken, net als mussen. Anderen voor de zachtere zaden van bloemen, of de toppen van bomen, als de vinken. Andere vogels hebben lange snavels verworven … en andere brede snavels … . Allen … geleidelijk geproduceerd gedurende vele generaties door de eeuwige inspanning van de wezens om in het gebrek aan voedsel te voorzien (I: 504).’20

 

Bijna elk besproken onderwerp en gegeven voorbeeld in Zoonomia verschijnt ook in Charles’ Origin. In feite hebben al zijn boeken, op één na, een tegenhanger in een hoofdstuk van Zoonomia of een essay-note bij één van de gedichten van Erasmus.21 En Charles’ eigen exemplaren van Zoonomia en The Botanic Garden zijn uitgebreid gemarkeerd en voorzien van verklarende aantekeningen.

Dus wierp Erasmus een lange schaduw die, via zijn kleinzoon, het atheïsme intellectueel respectabel heeft gemaakt en het wereldbeeld van de westerse mensheid heeft veranderd van het geloof in de Schepper-God naar de aanbidding van humanistisch hedonisme, vrij van enig besef van verantwoordelijkheid tegenover de God die ‘Rechter van de hele aarde is’ (Genesis 18:25).

De boodschap voor ons vandaag is om te overwegen wat wij doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen. We hebben de verantwoordelijkheid om hen het ware Bijbelse wereldbeeld te leren, dat niet alleen fundamenteel is voor onze behoefte aan redding, maar ook voor de manier waarop het gebeurt—door bekering en geloof in de Heer Jezus Christus, in Zijn dood en opstanding. Dit zal zin geven aan hun leven, zodat ze niet hoeven te ploeteren in de zee van onzekerheid over een kunstmatige anti God-theorie, die nu ‘de grote leugen’ is van het 21e-eeuwse denken.

 

Referenties en notities

  1. Veel van dit artikel is gebaseerd op King-Hele, D., Erasmus Darwin , Charles Scribner’s Sons, New York, 1963. 
  2. Barlow, N., The Autobiography of Charles Darwin, Collins, London, p. 161, 1958, die Charles’ brief aan Henry Fawcett citeert (1861).
  3.  Colliers Encyclopedia 7 : 724, 1994.
  4. Ref. 1, p. 34.
  5. A Plan for the Conduct of Female Education in Boarding Schools, 1797.
  6. Ref. 1, p. 73, die The temple of Nature citeert ( I : 295-302).
  7. Dit is de Erasmus-versie van embryonale recapitulatie, een concept dat Haeckel frauduleus ontwikkelde als ‘de biogenetische wet’, waarvan nu bekend is dat het totaal onjuist is. Zie Grigg, R., Ernst Haeckel: Evangelist for evolution and apostle of deceitCreation 18(2):33–36, 1996.
  8. King-Hele, D., The furtive evolutionist, New Scientist 2390:48–49, 12 April 2003.
  9. Vertaling:

    ‘Toen hoog in de ether, met een ontzettende ontploffing
    Vanuit de diepe kraters van zijn domeinen van vuur,
    De wervelende zon deze logge planeet wegslingerde,
    En de verbaasde  leegte nog een andere wereld erbij gaf.’

    rochester.edu, accessed August 2003.

  10. Vertaling:

    ‘Organisch leven onder de oeverloze golven
    Werd geboren en getogen in de parelwitte grotten van de oceaan;
    De eerste vormen, minuscuul, ongezien door bolvormig glas,
    Bewegen door de modder of dringen door de waterige massa;
    Terwijl opeenvolgende generaties zich ontwikkelen,
    Verwerven deze nieuwe krachten en nemen grotere ledematen aan,
    Van daaruit ontspringen ontelbare groepen,
    En ademende domeinen van vinnen, voeten en vleugels.’

    Ref. 1 p. 73.

  11. Ref. 1, p. 71. Getallen tussen haakjes verwijzen naar de editie en paginanummers in de eerste editie van Zoonomia. (Ref. 1, p. 46)
  12. Ref. 1, p. 90, dies The Temple of Nature IV:427–28 citeert.
  13. Ref. 1, pp. 55, 171.
  14. Nichols, A., Erasmus Darwin (1731–1802), dickinson.edu, accessed September 2003.
  15. Ref. 1, p. 137.
  16. Brentnall, J. and Grigg, R., Darwin’s slippery slide into unbeliefCreation 18(1):34–37, 1995, who quote Himmelfarb, G., Darwin and the Darwinian Revolution, Chatto and Windus, London, p. 10, 1959.
  17. Tegen het einde van zijn leven gaf Charles toe en schreef hij een biografie over Erasmus, The Life of Erasmus Darwin (1880); hij stond zijn dochter Henrietta toe om het aan te passen en zij verwijderde 16%, wat ze te schunnig vond voor Victoriaanse lezers.
  18. Charles Darwin’s Autobiography (edited by Sir Francis Darwin), Henry Schuman, New York, p. 21, 1950.
  19. Desmond, A. and Moore, J., Darwin, Penguin Books, London, p. 229, 1992.
  20. Ref. 1, p. 70.
  21. Ref. 1, pp. 88, 94.