‘Struisosauriër’ vondst?

‘Struisosauriër’ vondst?
door Dr. David N. Menton, AiG-USA spreker en schrijver; Professor Emeritus in de Anatomie, Washington University School of Medicine, St. Louis, Missouri.
28 maart 2005
vertaling Ruben, Werkgroep In Genesis

Meer licht op de nieuwe, opzienbarende vondst van zacht weefsel in een T-rexbot.

Wetenschappers hebben recentelijk een opzienbarende ontdekking gedaan: dinosauriërbot dat nog steeds goed gepreserveerd zacht weefsel bevat, inclusief bloedbanen, cellen en bindweefsel [1] (zie ons vorige bericht – met foto’s). Dit is een grote verrassing voor evolutionisten, die geloven dat dinosauriërs minstens 65 miljoen jaar geleden uitstierven. Het vraagt inderdaad veel van het voorstellingsvermogen je te verbeelden dat zacht weefsel en cellen zo relatief vers hebben kunnen blijven voor tientallen miljoenen jaren.

Maar, zoals we acht jaar geleden al zeiden, is dit niet bepaald de eerste vondst van zacht weefsel – zelfs cellen – in dinosauriërfossielen. Bewijsmateriaal voor kleine bloedvaten, cellen en zelfs moleculaire informatie in dinosauriërs, zijn allemaal al eerder beschreven.

In de uitgave van het tijdschrift Science van 25 maart, werd gerapporteerd dat een team, onder leiding van Dr. Mary Schweitzer van North Carolina State University, elastisch bindweefsel en vertakkende bloedvaten heeft gevonden, in de femur (dijbeen) van een ‘68 miljoen jaar oude’ Tyrannosaurus rex van de Hell Creek formatie van Montana. Ook werden er intacte cellen gevonden, waarschijnlijk rode bloedcellen en osteocyten (botcellen). De dinosauriër lag begraven in zandsteen dat door water was afgezet (geen verrassing voor creationisten – zie Genesis and Catastrophe). De meeste beenderen zaten niet meer aan elkaar vast, maar waren goed gepreserveerd.

Aangezien het bot relatief ongefossiliseerd leek, maakten de wetenschappers gebruik van een zwak zuur om een gedeelte van het dinosauriërbot te demineraliseren (naar ongeveer hetzelfde principe als de schoolklasoefening waarbij kippenbotten een week lang in azijn worden gelegd, om ze rubberachtig te maken). Bij verse botten verwijdert het zuur de harde mineralen, waardoor alleen organisch materiaal overblijft, zoals vezelachtig bindweefsel, bloedvaten en diverse cellen. Ter vergelijking: als iemand een normaal, goed gemineraliseerd fossiel zou demineraliseren, zou er niets overblijven. Maar de zuurbewerking van dit dinosauriërbot leverde een flexibele en elastische structuur op, zoals het resultaat zou zijn bij vers bot.

Onder de microscoop onderzocht, bleek het gedemineraliseerde T-rexbot kleine, doorschijnende, zich vertakkende bloedvaten te bevatten, met daarin, zo leek het, rode bloedcellen. De binnenwanden van de bloedvaten werden onderzocht met een elektronenmicroscoop en leken bedekt te zijn met endothele cellen. Dat zijn de gespecialiseerde cellen die de binnenwanden van alle bloedvaten en het hart bedekken. Het bot bevatte ook cellen die erg veel leken op de cellen (osteocyten) die men ziet in verse botpreparaten.

De onderzoekers stonden natuurlijk perplex: hoe kan een 68 miljoen jaar oud bot, na demineralisatie, de aanblik hebben van in principe vers bot? Ze speculeren dat deze opmerkelijke preservatie het gevolg zou kunnen zijn van een speciale manier van fossilisatie, waarin ‘onbepaalde geochemische en omgevingsfactoren’ een rol spelen, waardoor fossielen tot cellulair niveau bewaard kunnen blijven, en misschien zelfs nog verder.

Als vanzelfsprekend hebben deze evolutionisten niet de mogelijkheid overwogen dat het dinosauriërbot misschien lang niet zo oud is als zij denken.

Het verslag zou een interessante wetenschappelijke bijdrage zijn geweest als de schrijvers zouden hebben geconcludeerd dat dinosauriërbotten verrassend jong lijken. Maar ja, dat zou amper als bewijsmateriaal kunnen dienen voor hun miljoenen jaren van evolutie.

Van dinosauriërs naar struisvogels?

In een duidelijke poging voort te borduren op de tegenwoordige ‘vogels zijn dinosauriërs’ gekte binnen het evolutionisme, vervolgen de auteurs met een microscopische anatomische vergelijking van hun goed gepreserveerde dinosauriërbot met het bot van een vogel. Om een niet-verklaarde reden kozen ze voor een onbekend gedeelte van een onbekend bot van een recentelijk overleden struisvogel.

Gebruikmakend van een lichtmicroscoop en een elektronenmicroscoop, rapporteerden ze dat het algemene uiterlijk van de bloedvaten, het bindweefsel en de cellen van de dinosauriër en struisvogel ‘vrijwel ononderscheidbaar’ zijn. Specifiek berichten ze dat de bloedvaten hetzelfde vertakkende, buisvormige uiterlijk hebben en bedekt zijn met hetzelfde type cellen met celkernen. De bijna doorzichtige vaten bevatten dezelfde veronderstelde rode bloedcellen. De botten hebben dezelfde veronderstelde osteocyten, met dezelfde cytoplasmatische processen, binnen hetzelfde vezelige bindweefsel. De onuitgesproken conclusie is dat deze overeenkomst in microscopische structuur bewijst dat dinosauriërs en vogels nauw verwant zijn, via evolutie.

Je zou je afvragen of dit de eerste keer was dat deze paleontologen door een microscoop naar zacht weefsel keken. Want alle overeenkomsten die ze beschrijven zouden in wezen verwacht worden in elk amfibie, reptiel, vogel of zoogdier. Alle kleine bloedvaten zijn buisvormig en vertakt. Alle bloedvaten zijn, net als het hart, bedekt met endotheelcellen. Deze cellen zijn, onder andere, nodig om te voorkomen dat het bloed stolt binnen de bloedbanen. En natuurlijk bevatten alle bloedbanen … bloedcellen.

Bijna alle botten worden aangemaakt door speciale cellen, genaamd osteoblasten, die een speciale organische matrix uitscheiden. Deze matrix trekt mineralen aan, die vervolgens ‘aangroeien’ in combinatie met vezelig bindweefsel (collageen) en andere botspecifieke, organische componenten. In de meeste botten zorgen deze cellen voor langdurige processen en worden ze uiteindelijk begraven in de matrix die ze zelf uitscheiden (voor de mineralisatie), waarna ze osteocyten genoemd worden. Hoewel osteocyten in bijna alle botten worden gevonden (met uitzondering van enkele vissen), is hun functie niet helemaal duidelijk.

Hoewel de auteurs schijnbare rode bloedcellen rapporteren in de dinosauriër en de struisvogel, zeggen ze niets over de aanwezigheid van celkernen in de rode bloedcellen. Erik Stokstadt beweert echter, over zijn studie in Science Now (24 maart 2005), dat ‘zich in deze [dinosauriër rode bloedcellen] kleinere objecten bevinden, met dezelfde grootte als de celkernen van de rode bloedcellen in moderne vogels.’ Als de rode bloedcellen van de dinosauriër inderdaad celkernen bevatten, zou dat amper een verrassing zijn voor reptielen. En het zou zeker geen bewijs vormen voor hun evolutionaire verbintenis met vogels. Alle amfibieën, reptielen en vogels hebben rode bloedcellen met celkernen. Zelfs zoogdieren hebben in hun beenmerg rode bloedcellen met celkernen.

Conclusies

Helaas zijn we gewend geraakt aan het lezen van gepubliceerde rapporten, zowel binnen de populaire als de wetenschappelijke literatuur, waarin evolutie en miljoenen jaren naar voren gebracht worden, zwaar vooringenomen en gebrekkig in wetenschappelijk vernuft. Maar deze studie en dit verslag door Schweitzer & co is zelfs gebrekkig naar evolutionistische standaard. Hoewel het rapport van een nieuwe vondst van een dinosauriërfossiel met zacht weefsel op zichzelf interessant is, waarom kozen de auteurs de histologie (microscopische anatomie) van dit bot te vergelijken met een ongeïdentificeerd bot van een vogel – en waarom een struisvogel? Waarom werd de histologie van het dinosauriërbot niet vergeleken met dat van een hedendaags reptiel? Immers, dinosauriërs zijn reptielen.

Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand. Het zou niet zo interessant zijn het algemeen bekende feit te publiceren dat de bloedbanen, bloedcellen, de botmatrix en botcellen van de meeste gewervelde er hetzelfde uitzien op het niveau van details in deze studie.

Je zou zeggen dat de eisen voor publicatie in zelfs de meest hooggeachte wetenschappelijke tijdschriften, zoals Science, nogal anders liggen als het gaat om evolutie, dan wanneer het gaat om een andere tak van wetenschap. Evolutionaire paleontologie schijnt ook de tak van wetenschap te zijn waarvan zoveel van haar proponenten zo vastgeroest zijn in hun overtuigingen, dat hun denken in het zand gestoken zal blijven, ongeacht waar de feiten hen brengen.



Referenties en aantekeningen

[1] Science, 25 maart 2005, Vol. 307, pp. 1952-1955.

Originele Engelse tekst op: http://www.answersingenesis.org/docs2005/0328discovery.asp