“En de aarde bracht voort…”

Een recensie van het boek van Gijsbert van den Brink door J. A. van Delden

5arah / Pixabay

En de aarde bracht voort, Christelijk geloof en evolutie, dr. G. van den Brink, Boekencentrum 2017

J. A. van Delden, Amersfoort 14-11-2017

In het onderstaande wil ik ingaan op het boek “En de aarde bracht voort” van dr. G. van den Brink. Dit is meer dan een recensie; het is een reactie op het boek met een persoonlijk karakter. Dat past bij het boek, dat bij tijden  niet alleen zakelijk maar ook persoonlijk getoonzet is. Ik heb maanden gewacht om de stof te laten bezinken en om te zien hoe er op het boek gereageerd zou worden. Dat heeft mij gebracht tot de aanpak die ik nu heb gevolgd.

Ik verwijs tussen haakjes naar de bladzijden in het boek.

De “ellende” bij discussies tussen theïstisch evolutionisten (TE-ers) zoals Van den Brink en creationisten, waar ik mij toe reken, is dat vaak de toonzetting onaangenaam, scherp, veroordelend, denigrerend is.1 Dit boek doet daar niet aan mee en daar ben ik blij om. Verschillen worden niet verbloemd of verdoezeld maar eerlijk benoemd. Zelf vind ik het van belang om vooraf uit te spreken, dat ik Van den Brink respecteer als christen en als wetenschapper, ook al ben ik het op punten fundamenteel met hem oneens. In het bijzonder waardeer ik zijn intentie (en die van vele van zijn medestanders): onnodige barrières voor het christelijk geloof uit de weg ruimen. Het middel is in mijn ogen zeer schadelijk, maar de intentie is zeer goed. Daarin staan we naast elkaar!

Daarmee ben ik aan de kern van dit boek. Er is een groot verschil tussen de bijbel en de evolutietheorie waar het gaat over ontstaan en wording van deze wereld:

  • Een schepping in zes dagen in een bepaalde volgorde tegenover een spontaan, natuurlijk ontstaan en een evolutie gedurende miljarden jaren en in een andere volgorde.
  • De zondeval met als gevolg de menselijke dood tegenover de dood die altijd onlosmakelijk verbonden is geweest met het leven.
  • Een wereldomvattende zondvloed enkele duizenden jaren geleden tegenover een tijd van miljoenen jaren waarin geen plaats is voor een dergelijke ramp.

Er zijn in de loop der jaren vele pogingen gedaan die twee met elkaar te verzoenen. Dat kan door verwerping van de evolutietheorie vanwege het letterlijk nemen van de bijbel (het creationisme). Het kan door aanpassing van de interpretatie van de bijbel én van de evolutietheorie. Het kan tenslotte ook door een scheiding van geloof en wetenschap vanuit de veronderstelling dat de evolutietheorie klopt. Deze laatste vorm kun je karakteriseren met het geloof in een door God geschapen evolutie, Theïstische Evolutie ofwel TE.

Van den Brink gaat uit van de stelling: laten we eens aannemen dat de evolutietheorie juist is. Levert dat onoverkomelijke bezwaren op om in de bijbel te blijven geloven? Het antwoord is: Nee, als je de bijbel maar goed leest. Wat dat inhoudt, bespreek ik in wat volgt. Aan het eind van deze bespreking zal ik de balans opmaken.

Inleiding

Laat ik beginnen met een herinnering uit mijn (verre J ) verleden. Toen ik van de middelbare school afkwam was mij duidelijk geworden dat de wereld in een proces van evolutie ontstaan is en ik had enkele manieren bedacht waarop die opvatting in overeenstemming kon worden gebracht met de Bijbel. Ik bedacht minstens drie mogelijke aanpassingen van de meest voor de hand liggende lezing van Genesis 1-11. In die tijd was ik lid van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt, en daar was openheid voor dit standpunt ondanks (in mijn ogen toen) vooral bijbelse maar geen wetenschappelijke bezwaren. Het enige wat aan mij knaagde was dat ik meerdere oplossingen had. En misschien knaagde toch ook nog op de achtergrond, dat het de vraag was of ik daarmee de Bijbel wel tot zijn recht liet komen.

Ik ging wiskunde studeren in Leiden en in het kader van mijn doctoraalstudie was er de mogelijkheid om een bijvak te doen buiten de eigen faculteit. Ik kreeg (in 1966) toestemming van mijn faculteit om het vak hermeneutiek te volgen bij prof. Dr. H. Berkhof. Hij gaf ook toestemming, stelde een programma voor mij samen en ik volgde colleges, schreef een scriptie over de exegese van Gen.1 en deed tentamen. Het resultaat was positief hoewel ik tot de conclusie was gekomen dat mijn aanvankelijke visie hermeneutisch niet verantwoord was: Het gezag van de Bijbel, de “vrijheid van de exegese”, de “helderheid van de Bijbel”, hoe je het ook wilt formuleren, verdraagt zich niet met een uitleg waarbij de wetenschap–de evolutietheorie–bepaalt wat er wel of niet mag/kan staan. Ik herinner me dat ik me moest verdiepen in de kerugmatische theologie, waarbij het gaat om de “boodschap” van de tekst en het historisch kader als niet essentiële verpakking wordt beschouwd. Vaak was “de boodschap” heel mooi, maar niet meer dan een deelwaarheid met een beperkt en subjectief karakter. De boodschap zonder de historische component verloor bovendien zijn geloofwaardigheid. Wat heb ik aan een verhaal dat God looft om wat Hij gedaan heeft, als Hij het in werkelijkheid niet gedaan heeft?! Wat heb ik aan een Bijbel die mij in niet mis te verstane taal zegt wat er gebeurd is, als het niet meer is dan een verzinsel, een mythe, een aan heidense verhalen aangepaste fictie? Hetzelfde geldt voor een scheiding tussen ‘heilshistorie’ en ‘echte’ geschiedenis. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Het suggestieve verhaal over “de boodschap” van de tekst met loslaten van het kader van de tekst ben ik sinds die tijd steeds weer tegen gekomen en ik vind het nog altijd een heilloze benadering.

Ik kom het ook nogal eens tegen in een verhulde variant. Die gaat zo: “Het belángrijkste in deze tekst is zus en zo (vul maar in). Dat en dat is van ondergeschikte betekenis.” Maar even later blijkt dat wat van “minder betekenis” zou zijn, helemaal uit het zicht is verdwenen. Kennelijk vond de schrijver het van geen betekenis, maar werd dat verhuld. Dan heb je het principe van de boodschap waar het om zou gaan weer terug, maar dan op een manipulatieve manier.

Berkhof respecteerde mijn opvatting ook al was hij het niet met me eens. Ik herinner me dat hij zelfs veel waardering uitsprak voor mijn verdediging vanuit de hermeneutiek. Alleen vond hij het jammer dat ik mijn goede verstand inzette voor een in zijn ogen natuurwetenschappelijk onverdedigbare zaak. Hij stelde echter geen vragen hoe het dan zat met de evolutietheorie. Gelukkig, want ik had toen geen idee wat ik dan had moeten zeggen. Van het creationisme wist ik nog niets. Maar na dat tentamen nam ik mij voor uit te gaan zoeken hoe het dan zat. Als het conflict tussen de Bijbel en de evolutietheorie niet kon worden opgelost door aanpassing van de Bijbel, was er dan wat loos met die theorie?

Ieder mens heeft zijn eigen levensgeschiedenis. Van den Brink is een weg gegaan van een orthodoxe manier van lezen naar een integratie van evolutietheorie en de Bijbel, ik ben de weg gegaan in een andere richting. Het positieve daarvan is dat ik me kan verplaatsen in zijn visie en dat hij dat kan in mijn visie.

Framing

Ik heb van een zoon geleerd hoe belangrijk het is welke positie je inneemt bij een strijd. “Choose your battles” zei hij en hij had gelijk. Sinds die tijd heb ik beter in de gaten dat en hoe anderen dat doen in discussies. Welke dingen haal je voor het voetlicht, wat laat je buiten beschouwing? Hoe omschrijf je begrippen? Bij het nieuws heet dat “framen”, in een kader zetten waardoor gebeurtenissen haast vanzelf geïnterpreteerd worden zoals dat jou uitkomt.

Daar is op zich niets op tegen. Als je het niet bewust doet, gaat het vaak vanzelf. Maar het kan leiden tot een tunnelvisie, bijvoorbeeld bij de politie. Als bij het onderzoeken van een misdaad men te snel probeert te bewijzen dat één bepaalde verdachte de dader is, kan het leiden tot slechte, onevenwichtige journalistiek als de werkelijkheid geen recht wordt gedaan. Dan kan het nieuws afglijden naar indoctrinatie. De verschillen tussen kerkgenootschappen kunnen berusten op een verschil in framing. Het kan bij geschiedschrijving leiden tot vertekening als iemand probeert het verleden voor zijn eigen ideologisch karretje te spannen. Het kan bij wetenschapsbeoefening leiden tot selectief onderzoeken, waarnemen, interpreteren, gladstrijken van de resultaten. Soms wordt er zelfs regelrecht bedrog gepleegd, bijvoorbeeld bij onderzoek naar de effectiviteit van medicijnen. Hoe groter het financiële of ideologische belang, hoe meer je op je hoede moet zijn!

Als je er een antenne voor krijgt, zie je dat het gevaarlijkste de schijnbare vanzelfsprekendheid van het frame is. In “En de aarde bracht voort” zit veel framing. Het is heel goed geschreven en het kan de lezer zo maar ontgaan. Van den Brink geeft overigens over het algemeen duidelijk aan wat zijn frames zijn, maar dat neemt de schijnbare vanzelfsprekendheid niet weg. Toch is het heel belangrijk bij de beoordeling. Daarom wil ik een aantal voorbeelden van die frames geven om duidelijk te maken waar dit speelt. Ik doe dat puntsgewijs (de frames zijn genummerd). Daarna wil ik op één punt dieper ingaan.

  1. De afgrenzing van het onderwerp tot de biologische evolutie.

Van den Brink beperkt zich tot de evolutietheorie als de geschiedenis van de ontwikkeling van het leven van eerste cel tot de mens. Die theorie is echter onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het ontstaan van heelal, aarde en van het eerste leven. Dat komt al enigszins uit als de schrijver de evolutietheorie baseert op de geschiedenis van de aardkorst.

Nu heeft het woord “evolutie” verschillende betekenissen:

  • Populair-wetenschappelijk: Het ontstaan en de ontwikkeling van de hele wereld. Een citaat: “God heeft de wereld geschapen via een lang proces van evolutie … wetenschap zoals evolutie gaat over allerlei interessante weet-dingen (hoe sterren ontstaan, hoe DNA werkt, hoe nieuwe diersoorten ontstaan …)”2
  • De biologische evolutie: de ontwikkeling van het eerste leven van de eerste cel tot de mens. Een proces van toename van complexiteit, “opgang”, vooruitgang.
  • Veranderingen binnen de soort, bijvoorbeeld bij vinken. Hier is het woord evolutie misplaatst. Er is variatie binnen de soort, specialisatie, achteruitgang. Je kunt die “ontwikkeling” “evolutie” noemen, maar dan gaat het om iets heel anders dan een opklimming naar een nieuwe “hogere” soort, geslacht, familie, enz. Dan heb je het over twee verschillende zaken, al was het alleen al vanwege de schaal van ontwikkeling.

De biologische evolutie is onlosmakelijk verbonden met de totale evolutie (frame 1) terwijl de variatie binnen de soort geen evolutie is (frame 2). Van den Brink koppelt de eerste los en vat de tweede op als evolutie.

De vraag is: waarom deze beperking? De verwevenheid  met de totale ontstaansgeschiedenis had in enkele alinea’s aangegeven kunnen worden. Ik zie minstens twee mogelijke redenen.

  1. Het noodzakelijke spontaan ontstaan van de eerste levende cel is in strijd met de aard van de natuur: zonder eerste cel geen evolutie! Maar het spontaan ontstaan van die eerste cel is buitensporig onwaarschijnlijk. Dat ondermijnt de aannemelijkheid van het betoog en dan is het beter dat buiten beschouwing te laten. Een citaat: “… volgens de evolutietheorie gaat het simpele (het ontstaan van de bouwstenen van het leven) logisch en chronologisch vooraf aan het complexe (soortontwikkeling). Het simpele begrijpen we echter niet. Daar de processen van het simpele nog steeds cruciaal zijn (bijvoorbeeld stabiliteit van chiraliteit van verbindingen), kun je gewoon niet zeggen dat je het complexe echt wel begrijpt als je het simpele niet begrijpt.”3
  2. De idee dat het totale heelal “spontaan”, puur natuurlijk is ontstaan lijkt erg veel op een geloof, een wereldbeschouwing. Dat idee is meer dan een wetenschappelijke theorie. Als je je dan beperkt tot de evolutietheorie in strikt biologische zin, maakt dat het makkelijker om de indruk te wekken dat het niet om een geloof gaat, maar om algemeen aanvaarde en “neutrale” wetenschap.4

 

  1. Evolutie is de genetische verandering van dieren van eerste cel tot de mens door natuurlijke selectie van toevallige mutaties.

Volgens Van den Brink zie je evolutie aan de lopende band gebeuren. Koolmezen die gevoerd worden krijgen in de loop der tijd langere snavels. Bacteriën worden resistent tegen antibiotica. Omstandigheden kunnen de oorzaak zijn dat bepaalde variaties meer geschikt zijn om te overleven. De natuurlijke selectie leidt dan tot een aanpassing van het erfelijk materiaal. Dat proces kun je extrapoleren. Van de kleine veranderingen binnen een soort (micro-evolutie) tot de macro-evolutie: de ontwikkeling van eerste cel tot de mens. Creationisten ontkennen dat ten onrechte, aldus Van den Brink: zij ontkennen dat nieuwe soorten kunnen ontstaan [maar zie hieronder].

De framing zie je hier in het misbruiken van de term evolutie, alsof elke verandering binnen de soortgrens al evolutie zou zijn. Denk aan variatie, specialisatie, degeneratie, aanpassingen door veranderingen in de omgeving. Dat wordt (met een ongelukkige term) micro-evolutie genoemd. Dat is (nog) geen evolutie. Voor echte “macro-evolutie” is een systematische toename van de complexiteit van het erfelijk materiaal nodig. “De evolutie van koolmezen gaat sneller dan verwacht”, lees ik vandaag in het nieuws, maar er is geen sprake van “macro-evolutie”, het ontstaan van bijvoorbeeld nieuwe complexe organen. Het gaat slechts om variatie, “micro-evolutie”. De tekst van het nieuws is misplaatst suggestief door misbruik van het woord evolutie. Van den Brink maakt zich daaraan ook schuldig als hij de verandering van de peper-en-zoutvlinder, de berkenspanner, karakteriseert als een “evolutionaire transformatie”. (63)

Bovendien ontkent het creationisme in het geheel niet dat nieuwe soorten kunnen ontstaan. (64) Het gaat zelfs uit van verwantschap tussen soorten doordat verschillende soorten van één oertype, “baramin”, kunnen afstammen.5 Het gevolg is dat een belangrijk deel van het “bewijsmateriaal” voor evolutie even goed of zelfs beter kan wijzen op gemeenschappelijke afstamming van een geschapen “oertype”.

 

  1. De zondvloed was een regionale overstroming. Het beeld dat de Bijbel er van geeft als wereldomvattend gebeuren heeft geen historische betekenis.

Van den Brink gaat niet in op de uitleg van Genesis 6 – 8. Dat begrijp ik: het valt niet mee om die geschiedenis te karakteriseren als niet meer dan een verslag van een lokale overstroming. Het is dan tactisch om er maar over te zwijgen.

Maar in het beeld van de geschiedenis van de aarde en het leven op aarde heeft de zondvloed altijd een grote rol gespeeld. In de Bijbel is het een beeld van het oordeel van God over de zonde waarbij niet alleen de mens maar ook bijna alle landdieren en vogels zijn omgekomen. Dat oordeel was wereldomvattend, zoals ook het laatste oordeel wereldomvattend zal zijn. Het is onmiskenbaar dat de zondvloed grote gevolgen moet hebben gehad voor de aarde als werkelijk de hele aarde onder water stond. De Bijbel zegt daar bijzonder weinig over vanuit het eigen perspectief: het gaat vooral om het oordeel over de mens. Maar wat er wel gezegd wordt is duidelijk genoeg! Het idee dat het ging om een regionale vloed maakt Genesis 6-8 tot een groteske overdrijving!

In dit verband is het toch wel heel kras wat Petrus schrijft over de redenering van spotters: “… Sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is. Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water.” (2 Petr. 3:4-6, cursivering van mij).

Je ziet hier weer het belang van framing: selecteer wat past in je theorie, laat weg wat die theorie weerspreekt.

Dan is het ook niet nodig om in te gaan op de herinnering aan de zondvloed bij volken over de hele aarde.

 

  1. God openbaart zich in “twee boeken”, het boek van de natuur en in de Bijbel. De wetenschap vertelt ons wat in het boek van de natuur staat.

De basis van deze opvatting vinden we o.a. terug in Psalm 19: 1-7, in Romeinen 1: 18-32 en in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2. Als de evolutietheorie op een lijn gezet wordt met de inhoud van het boek der natuur, krijgt ze de status van Goddelijke openbaring.

Een citaat: “Daarom doen de bevindingen waarop de evolutietheorie gebaseerd is ons terugkeren naar de Bijbel, waarbij we ons afvragen of onze traditionele interpretaties van bepaalde teksten werkelijk de lading dekken of deels ingegeven zijn door een wereldbeeld dat nu blijkens het boek der natuur achterhaald is …” (140). ‘Blijkens het boek der natuur’: Daar is het onderscheid verdwenen tussen de boodschap van het boek en de vertolking door de evolutietheorie! Gods openbaring in het boek der natuur komt op een lijn te staan met de evolutietheorie.

Twee bezwaren daartegen. In de eerste plaats is de Bijbel het raamwerk waarin de boodschap van de schepping past en moet passen. Wat we in de natuur vinden zijn bij wijze van spreken plaatjes, die op zich op allerlei manieren geduid kunnen worden. Maar in de Bijbel blijkt pas of de duiding betrouwbaar is. De Bijbel is de norm. Dat komt al uit in de Belijdenis: “De Bijbel spreekt “nog duidelijker en volkomener” dan het boek der natuur. Wat de Bijbel zegt is niet alleen aanvullend en verdiepend, het is ook sturend en waar nodig correctief.

In de tweede plaats, Gods grootheid, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid komt tot uiting in de ongelooflijke complexiteit en doelmatigheid van de schepping. Van die doelmatigheid en Gods geweldige zorg voor de mens wil de evolutietheorie met haar naturalistische karakter persé niets weten. Zie punt 8. Daardoor is duidelijk, dat die theorie geen weergave is van Gods openbaring maar een ernstige ontkenning. Het getuigenis van de schepping is “voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen … om God niet te verheerlijken of te danken” (Rom. 1:21). Van den Brink werkt aan de ontkrachting van dat getuigenis mee door te pleiten voor de aanvaardbaarheid van de evolutietheorie.

 

  1. De Bijbel spreekt geen wetenschappelijke taal, maar de bedoeling, de boodschap is verpakt in de begrippen van een verouderd wereldbeeld.

Van den Brink verzet zich tegen het verzoenen van Bijbel en wetenschap door het concordisme. Dat veronderstelt dat de “Bijbel correcte wetenschappelijke uitspraken doet.” Hij pleit voor “perspectivisme”, dat verouderde voorstellingen in de Bijbel onderscheidt van de theologische boodschap. (136, 137)

Daarmee geeft hij een karikatuur van het creationisme. De stelling dat de Bijbel correcte wetenschappelijke uitspraken doet, is een misvatting die getuigt van een overschatting van de wetenschap en een miskenning van het karakter van de Bijbel. Ik heb daar zelf al in 1977 aandacht aan besteed in mijn Schepping en wetenschap. Ik citeer: “De Bijbel leert geen wetenschappelijk wereldbeeld, de Bijbel spreekt geen wetenschappelijke taal. Deze fout wordt gemaakt door het concordisme dat de resultaten van de wetenschap wil inlezen in de Schrift …”6 Wel ben ik er van overtuigd dat wat de Bijbel leert correct is, ook al is het geformuleerd in de taal van het “kijkbeeld”, de taal van de dagelijkse werkelijkheid die we nog altijd spreken en die door de eeuwen voor ieder begrijpelijk is. Die correctheid geldt ook voor de historische betrouwbaarheid en de begrijpelijkheid van de boodschap.

Het perspectivisme van Van den Brink poneert een verouderd (wetenschappelijk) wereldbeeld. Dat is een anachronisme en een vertekening.7

Wij hebben in de loop van de geschiedenis tussen ruwweg 1400 en 1600 een ander wereldbeeld gekregen. Het oude was “organisch”: het beeldde een levende werkelijkheid uit. Het nieuwe is “mechanisch”, het beeldt een machine, een levenloze werkelijkheid uit. In het oude wereldbeeld speelde de analogie met levende wezens en in het bijzonder met de mens een grote rol.8 De wereld werd vergeleken met een huis, met fundamenten en zolders. De bomen, bergen, zon, maan en sterren werden als bezield gezien, als zingend, als getuigen. Daarin speelde beeldspraak een grote rol. Als je daar een mechanisch beeld uit wilt halen, is dat een anachronisme en doe je het verleden geen recht. Als je dan ook nog stelt dat de Bijbel dat veronderstelde verouderde beeld leert, ben je nog verder van huis.

Bovendien maakt het de bijbellezer afhankelijk van een nieuw wereldbeeld: de vrucht van een wetenschap, waarin een niet-christelijke wereldbeschouwing de interpretatie van de werkelijkheid kan vervormen. Zie de evolutietheorie.9

Het vaststellen wat dan wel de theologische boodschap zou zijn, heeft een fundamenteel subjectief karakter. Zie wat ik zei in mijn inleiding over de kerugmatische theologie.

Van den Brink citeert Billy Graham: “Ik denk dat we een fout hebben gemaakt door te denken dat de Bijbel een wetenschappelijk boek is. De Bijbel is geen boek over wetenschap. Het is een boek over Verlossing.” (139)

Dit is een onzinnig dilemma. De Bijbel gaat over de werkelijkheid waar de wetenschap zich ook mee bezig houdt. De Bijbel gaat over de Verlossing, die ieder mens aangaat. Het gaat hier om een karikatuur van de tegenstander, om een vals dilemma, gebruikt om de positie van andersdenkenden te vertekenen. De Bijbel is geen boek over wetenschap, dat is waar. Maar het is ook geen boek tegen wetenschap. Het is een boek over Verlossing, jazeker, maar ook een boek dat waar en betrouwbaar is, ook in wetenschappelijke zin. Als die wetenschap zelf tenminste betrouwbaar is!

Ik citeer verder Graham: “Natuurlijk accepteer ik het scheppingsverhaal. Ik geloof dat God de mens schiep en of het door een evolutionair proces heenging waarbij Hij op zeker moment deze persoon of dit wezen nam en tot een levende ziel maakte of niet, verandert niets aan het feit dat God de mens schiep  (…). (O)p welke manier God het deed, maakt geen verschil voor wie de mens is en voor zijn relatie tot God.”

Kennelijk staat er nogal wat overbodige informatie in Genesis 1 en 2. Wat is de achtergrond van deze eenzijdige, gekleurde benadering? Dat komt door “theologie”! Die bepaalt vanuit een eigen kader wat wel en niet verschil maakt, wat de bedoeling is en wat niet relevant is. Graham “accepteert natuurlijk het scheppingsverhaal”, zegt hij. Duidelijk is echter dat hij dat gedeeltelijk niet doet! Hij accepteert alleen een stukje van het scheppingsverhaal, een persoonlijke selectie van wat wel en wat niet gebeurd zou zijn. Dat komt al uit in het gebruik van de term “verhaal” in plaats van “geschiedenis”.

Van den Brink sluit aan bij het citaat van Billy Graham: “Hier wordt helder onderscheiden tussen de theologische boodschap van de bijbeltekst en het wereldbeeld waarin deze gevat is.”

Het is helder en duidelijk: de exegese wordt gedomineerd door de theologie, door een hermeneutische benadering die bepaalt wat wel en wat niet de boodschap is van de tekst. En die hermeneutische benadering is op zijn beurt weer gestempeld door een geloof in “ de wetenschap”, lees: de evolutietheorie.

Ik verwijs naar mijn inleiding: de “boodschap-ideologie” waart nog rond. Een citaat dat mijn bezwaar prachtig verwoordt: “De Reformatie had juist afscheid genomen van het idee dat alleen het kerkelijk gezag in staat en bevoegd is de Schrift uit te leggen, maar nu lijkt het alsof de theoloog de plaats van de paus heeft ingenomen. Dat kan vandaag ook weer gebeuren. Theologen die zeggen dat je niet moet afgaan op wat er staat, maar op wat zij jou vertellen over de bedoeling van de tekst.”10

Het is mooi, dat Van den Brink nog wil vasthouden aan de inhoud van de Bijbel, zoveel als mogelijk is binnen het aanvaarden van de evolutietheorie. Maar wat hij loslaat en de rechtvaardiging daarvan met zijn exegetisch principe doen de Bijbel en haar gezag geen recht.

 

  1. Het gaat niet om de vraag of de evolutietheorie waar is, maar om de vraag of die aanvaardbaar is voor een christen.

Dit is een belangrijk kader voor de discussie! Waarom? Omdat het de vraag naar de waarheid omzeilt. Je hoeft niet te geloven in de evolutietheorie om toch te vinden dat die theorie ingepast kan worden in een orthodox-christelijk geloof. Daarmee ontwijk je een moeizame discussie over allerlei bezwaren tegen de theorie.

De discussie zou daarmee nogal abstract worden. In ieder geval voert Van den Brink zelf geen dergelijke abstracte discussie. Hij accepteert evolutie “als de meest plausibele wetenschappelijke verklaring van dit moment voor de biodiversiteit op aarde” (19). Het is voor hem de vraag hoe christenen lering kunnen “trekken uit zo’n verbluffend fenomeen als het evolutionaire proces”.(20) Hij aanvaardt de idee dat “mensen lang geleden als groep in plaats van als koppel uit voormenselijke voorouders zijn voortgekomen” (255). Kortom: hij gelooft, neemt voor waar aan dat de evolutietheorie in de kern juist is. “Bij die kern denk ik dan aan het gedurende een zeer lange tijdsperiode op aarde verschijnen van steeds complexere levensvormen alsook aan de opvatting van gemeenschappelijke afstamming–niet per se aan de opvatting dat het mechanisme van natuurlijke selectie het enige of belangrijkste principe voor dit alles is (19).” Bovendien gelooft hij niet “dat in de toekomst wetenschappelijk onderzoek de noties van deep time en voortgaande schepping in de prullenbak zal gooien (48).”

Zonder dat geloof zou hij naar mijn mening niet gekomen zijn tot de omslag in zijn “denken over de oorsprongsvragen” (20). Van den Brink gaat er dus overduidelijk van uit, dat de evolutietheorie in de kern waar is en dat de toekomst niet anders zal uitwijzen. In dat kader staat dit boek en anders zou het naar mijn mening niet (zo) geschreven zijn.

Het is de ironie van de geschiedenis, dat kernpunten van de theorie inmiddels al weer onjuist zijn gebleken. De mutaties zijn níet de bron van eventuele evolutionaire veranderingen en de natuurlijke selectie wordt níet meer als motor gezien. Maar ondanks deze fundamentele veranderingen blijven de noties van “deep time en voortgaande schepping” nog overeind. En daarom blijft de vraag: is dat te combineren met wat de Bijbel zegt? Het antwoord daarop hangt af van je overtuiging met betrekking tot het gezag, de historische betrouwbaarheid en de helderheid van de Bijbel. En het hangt af van de mate van geloof in de (mogelijke) juistheid van de evolutietheorie en haar uitgangspunten.

 

  1. Je kunt in de evolutietheorie geloven en dat kan samengaan met een orthodox christelijk geloof.

Dit lijkt een aangelegen punt voor Van den Brink. Hij omschrijft “orthodox-christelijk” als “overeenstemmend met de grote concilies en besluiten van de ongedeelde kerk. Vooral de ‘moeilijke’ besluiten over triniteitsleer en christologie die genomen zijn op de concilies van Nicea, Constantinopel en Chalcedon zijn in dit verband bepalend.” (20, 21)

Deze stelling zet je op het verkeerde been. Drie kanttekeningen:

Allereerst bindt Van den Brink zich daarmee aan een samenvatting van het christelijk geloof. Wie daarmee instemt is orthodox, rechtzinnig. Maar de vraag waar het hier om gaat is of een specifieke opvatting van zo iemand dan ook past onder het kopje orthodox. Luther was orthodox, maar dat gold beslist niet van zijn opvattingen over de Joden. De Nederlandse slavenhandelaren in de zeventiende eeuw kunnen best theologisch orthodox zijn geweest, maar hun visie op de slaven en hun handelen was alles behalve orthodox. Kortom het gaat niet om de persoon, of iemand orthodox is, maar om de vraag of wat hij zegt orthodox is. Hier worden persoon en zaak door elkaar gehaald. Van den Brink is volgens zijn definitie orthodox, maar zijn aanvaarden van de evolutietheorie is dat niet.

In de tweede plaats is bij de Kerkvaders de (doorgaans in de confessies niet expliciet uitgesproken) vanzelfsprekende basis dat de Bijbel het hoogste gezag heeft. De leeruitspraken werden immers gefundeerd op de Bijbel. Maar wat Van den Brink nu doet met zijn theorie over het perspectivisme staat haaks op de erkenning van dat gezag. Waar nodig bepaalt de wetenschap bij hem, wat de Schrift kan en mag bedoelen. Vandaar dat de vraag allereerst essentieel is of er sprake is van een “bijbelgetrouwe” benadering. “Bijbelgetrouw” verwijst niet naar de inhoud van het standpunt maar naar de methode, de onderbouwing, de hermeneutiek die gehanteerd wordt. Het perspectivisme is in strijd met het Sola Scriptura, het geloof dat de Schrift zichzelf uitlegt, het hoogste gezag heeft en begrijpelijk en helder is. Het is daarom niet “bijbelgetrouw”.

Ik heb het gehad over de verwisseling van persoon en zaak, over het gezag van de Bijbel. Maar ook als het gaat om de inhoud van het geloof is de visie van Van den Brink niet orthodox. Daarvoor hoeven we niet bij de kerkvaders te rade te gaan. De schepping in zes dagen, de schepping van Adam als eerste mens en Eva vervolgens uit zijn zij, de zondeval op de wijze zoals beschreven in Genesis 3, de zondvloed waarbij de hele mensheid afgezien van Noach en zijn gezin omkwam, het komt allemaal op losse schroeven te staan.

Ik moet in dit verband denken aan het conflict in de jonge gemeente waar Paulus over schrijft in Gal. 2:11–14. Je ziet daar hoe ongetwijfeld orthodoxe gelovigen (!) onder sociale druk zich schaarden aan de kant van joodse dwaalleraars. Zelfs Petrus en Barnabas! Dat was echter een miskenning van de eenheid in de nieuwtestamentische gemeente tussen joden en voormalige heidenen. Zo is er nu in academische christelijke kringen vaak een sociale druk om de letterlijke lezing van Genesis 1-11 op te geven en als “verlichte” mensen je aan te passen aan wat in de wereld als vaststaand wordt aangenomen! Het is moeilijk om daarin niet mee te gaan.

In het licht van het bovenstaande is duidelijk dat het dilemma orthodox of niet-orthodox niet voldoet. Het is niet het een of het ander. Het uitgaan van de evolutietheorie is niet alles bepalend, alsof daarom Van den Brink over de hele linie niet orthodox zou zijn. Er is gelukkig in veel zaken geloofsverbondenheid met Van den Brink. Maar het is ook niet onschuldig, want het gaat om een principieel punt met betrekking tot het gezag van de bijbel. Daarom deugt het dilemma niet: wel of niet orthodox. Het is niet alles of niets.

 

  1. Het verschil tussen evolutietheorie en evolutionisme.

Van den Brink maakt een fundamenteel onderscheid tussen de evolutietheorie, “een ‘kale’ wetenschappelijke theorie” en evolutionisme, een levensbeschouwing, een atheïstische visie waarbinnen naturalisme en sciëntisme een grote rol spelen (29, 30). Hij verzet zich tegen dat evolutionisme.

Dat verzet is hartverwarmend. Alleen is het de vraag of het ver genoeg reikt. De evolutietheorie gaat uit van een naturalistische en sciëntistische benadering: het geloof dat een verklaring van het ontstaan van de werkelijkheid alleen op grond van natuurwetten en natuurwetenschap mogelijk is en volstaat. Van den Brink presenteert dat als een “kale wetenschappelijke theorie” die uitgaat van methodisch naturalisme. Ze beperkt zich tot de natuur en natuurlijke oorzaken. God staat daarbuiten, die speelt geen rol in de natuurwetenschap maar in het geloof. Het klinkt aannemelijk, om niet te zeggen vanzelfsprekend. Wil je geloven dat daarachter een Schepper staat? Ga je gang. Zo lang dat maar niet een rol speelt in je theorie. Het is niet nodig, sterker nog, het is niet toegestaan om God er bij te halen in de verklaring van de werkelijkheid. Gods macht, grootheid, wijsheid; het is niet terug te vinden in de natuur. Er is geen doelmatigheid. Alles is te verklaren uit een ontstaan door toeval en tijd, door natuurwetten die autonoom en eeuwig zijn.

Op die manier wordt de gezonde methodische beperking een levensbeschouwelijk dogma. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot “natuur”, tot een mechanisch model. De beschrijving van hoe iets is en werkt wordt opgeblazen tot een verklaring van de oorsprong. Daarbij verdwijnt veel uit beeld: het geheim van “leven”3, het ontstaan van instincten, de overweldigende doelmatigheid, de indrukwekkende schoonheid, de zinvolle samenhang, de mens en zijn wezen. Het wetenschappelijk model wordt aangezien voor de werkelijkheid, terwijl het niet meer is dan een gekleurde, beperkte en tijdgebonden beschrijving daarvan. Dat is sciëntisme: wetenschapsverheerlijking. De dienstknecht (natuurwetenschap) wordt koning en verwordt tot dictator. Van den Brink probeert dat proces naar vermogen te stoppen in de laatste hoofdstukken van zijn boek. Maar alleen al door de biologische evolutietheorie te aanvaarden als neutraal, kaal wetenschappelijk, geeft hij dit naturalisme een voet tussen de deur. “Geen doelgerichtheid in de schepping”, dat is geen natuurwetenschap maar materialistisch geloof.

“De hemelen vertellen Gods eer”, zegt Psalm 19. Daar blijft in de evolutietheorie niets van over.11

Mijn conclusie is, dat de evolutietheorie niet losgemaakt kan worden van het evolutionisme.

 

  1. Als je gelooft in een geschapen evolutie kun je het geloof in God als Schepper en in de evolutietheorie combineren.

Er lijkt een streven te zijn in de natuur naar het hogere, het doelmatige.12 Christenen kunnen dat interpreteren als een teken van Gods voorzienigheid. Zo worden wetenschap en geloof complementair, ze vullen elkaar aan. Dat wil niet zeggen dat die twee benaderingen verenigbaar zijn. De wetenschap weet alleen van toeval, het geloof ziet daarachter Gods Hand. Het is het fundamentele verschil tussen de waarneembare werkelijkheid en de “hogere” geloofswerkelijkheid. Die twee zijn complementair, ze vullen elkaar aan zoals een viool en een piano. Probeer niet de een te herleiden tot de ander! Er is “consonantie” tussen geloof en wetenschap (286).

Het lijkt een prachtige oplossing maar het is in feite vlees noch vis. Voor de wetenschap is het “streven in de natuur” onderdeel van de natuur. En de natuur is per definitie een onpersoonlijke kracht die niet vooruitziend en doelgericht kan werken. Als de natuur “streeft”, doelgericht op iets aankoerst, de macht, het inzicht, de wil heeft om deze wereld tot stand te brengen en te ordenen, dan is die natuur bezield. Dan is de natuur goddelijk, dan is God niet meer de Schepper maar deel van de schepping.

Binnen het kader van de methodologie van de natuurwetenschap is er per definitie geen doelmatigheid, noch in het proces van wording, noch in het resultaat. Materie is onpersoonlijk, onbewust, streeft niet en is willoos. De “taal van de schepping” moet dan wel fictie zijn. Neem als voorbeeld een boek. Het geloof dat het is ontstaan door een toevallige verzameling van letters valt niet te combineren met het geloof dat het is geschreven door een auteur. Die twee geloven/verklaringen vullen elkaar niet aan, ze sluiten elkaar uit.

Maar er is nog een reden waarom voor een christen geschapen evolutie moeilijk te verteren is. Als God geschapen heeft door middel van de evolutie in een bestek van vele miljarden jaren, wat kunnen we van deze God zeggen? Als het de God van de Bijbel is, dan heeft Hij de mensheid duizenden jaren een onjuist beeld voorgespiegeld over de schepping, de zondeval, de zondvloed en is het uitermate onwaarschijnlijk dat wat de Bijbel zegt over de Wederkomst binnen afzienbare tijd wel betrouwbaar zou zijn.

Op de achtergrond van deze discussie speelt een vorm van scheiding van twee vormen van kennis, een vorm van dualisme. Een citaat: “Is de kennis die de Bijbel bevat niet van heel specifieke aard, namelijk geloofskennis en geen wetenschappelijke kennis?” (25)

Ik zie hier een parallel met wat ik hierboven schreef over de “theologische boodschap” van de bijbeltekst (Zie kader). Daar proef ik een soortgelijk dualisme: geloofskennis en (wetenschappelijke) theologische kennis. Dat er onderscheid is, hoeft geen betoog. Maar als dat onderscheid scheiding wordt, gaat het fout. Als de wetenschappelijke kennis een hogere status krijgt dan de geloofskennis (en de nuchtere dagelijkse kennis en levenswijsheid) is dat een bron van sciëntisme, wetenschapsoverschatting.

Van den Brink zal zeggen dat voor hem de geloofskennis een hogere status heeft, zwaarder weegt, veel rijker is. De theologische boodschap is veel waardevoller dan de wetenschappelijke feitjes. Dat geloof ik, dat neem ik van hem aan. Maar als de wetenschappelijke feitjes de doorslag geven bij de vraag wat in de Bijbel “verpakking” is, dan weegt op dát punt de wetenschap, de evolutietheorie toch echt zwaarder. Je kunt zeggen: “Ja, maar dan gaat het alleen om de verpákking van de boodschap”. Maar of het verpakking is, bepaalt de evolutietheorie samen met het perspectivisme.

 

  1. Natuurlijke selectie is een motor achter het evolutionaire proces, al kunnen er meer factoren zijn.

Van den Brink komt in drie stappen tot zijn geloof in de evolutietheorie. De eerste stap is het geloof in de ouderdom van de aarde en de aardlagen. De kans dat dat waar is schat hij op 99%. De tweede stap is het geloof dat de opeenvolging van de fossielen in de aardlagen de evolutie zichtbaar maakt. De kans daarop schat hij op 80 %. De derde stap is het geloof dat biologisch de evolutietheorie juist blijkt.13 Vanwege de neodarwinistische onderbouwing met mutaties en natuurlijke selectie en vanwege de genetische overeenkomsten die sterker zijn naarmate soorten meer verwant zijn. Daarbij is hij niet zeker of de natuurlijke selectie de enige motor achter het evolutieproces is. Die kans schat hij op 50 %. Maar kennelijk is hij wel zeker dát het een motor is! Een symptoom van zijn “geloof” in de evolutietheorie.

Toen ik zelf tot de overtuiging was gekomen dat het scheppingsverhaal historisch betrouwbaar is, ben ik ook op zoek gegaan naar de vraag of de evolutietheorie wel klopte. In de eerste plaats heb ik uitgezocht hoe het biologisch14 Mij werd duidelijk dat er geen zinnig mechanisme is voor de veronderstelde toenemende complexiteit. De natuurlijke selectie is geen motor maar een rem: wat afwijkt wordt verwijderd of als het gunstig is behouden. Maar ik heb geen selectie- maar een creatie-/constructiemechanisme nodig! En dan ook nog een ongelooflijk vernuftig mechanisme.15

Daar komt bij dat zelfs Darwin op het eind van zijn leven er van overtuigd was dat een eventuele nieuwe veelbelovende mutatie zou verdwijnen in de massa. Dat wist hij als kweker maar al te goed. Hij zou het niet eens zijn met het neodarwinisme!

Vervolgens heb ik me afgevraagd hoe het zat met het spontaan ontstaan van het leven. In die tijd was de overtuiging dat het wel duidelijk was dat het zo ontstaan was en hoe dat gegaan was. Mij bleek echter, dat het in strijd is met de natuur en dat het “bewijs” geen steek hield. Dat is inmiddels breed aanvaard, als het gaat om de aarde.

Inmiddels was ik redelijk geschokt: wat was mij voorgeschoteld over de evolutie dat ik in goed vertrouwen had geslikt?!

Toen heb ik me afgevraagd hoe het dan zat met de boodschap van de fossielen. Daaruit bleek me dat overgangsvormen systematisch ontbreken. Er is degeneratie, er is variatie en specialisatie ook over de soortgrenzen heen. Er zijn kennelijk leefmilieus geweest die heel anders waren dan wij nu op aarde kennen. Maar er is geen overtuigende “boom van het leven” te reconstrueren.

Tenslotte heb ik me bezig gehouden met de vorming van de aardlagen. In die tijd was er nog de uniformistische overtuiging dat ze geleidelijk in lange tijd waren afgezet. Toen woonde ik een lezing bij over polystrate dendrolieten, versteende boomstammen die door een aantal aardlagen heen steken en snel gefossiliseerd moeten zijn. Het was een van de aanleidingen om ook binnen de geologie over te gaan op een catastrofistische benadering: er zijn ingrijpende catastrofes geweest waarbij in korte tijd tientallen of honderden meters aan aardlagen is afgezet. Inmiddels is het catastrofisme algemeen geaccepteerd als aanvulling op het uniformitarisme..

Tenslotte: bij de bepaling van de ouderdom bleken ook grote vraagtekens te stellen.

Toen ik in 1977 voor de EO de serie tv-documentaires maakte onder de titel “Adam of aap?”, is er een groot congres georganiseerd in de Jaarbeurshal. Daarbij spraken drie creationisten en drie evolutionisten over biologie, geologie en astronomie. Randvoorwaarde was dat alleen natuurwetenschappelijke argumenten mochten worden gebruikt. De lezingen zijn gepubliceerd in het boekje “Schepping of evolutie?“.

Dat vind ik nog steeds een goede benadering. Scheid de theologische en de natuurwetenschappelijke discussie. Maar maak wel duidelijk hoe die twee benaderingen elkaar beïnvloeden.

Ik heb dus in vergelijking met Van den Brink de weg omgekeerd afgelegd. Dat heeft geleid tot een volkomen ander resultaat. En daarbij heb ik gemerkt dat het creationisme wat betreft de vooronderstellingen een vruchtbaarder benadering is.

 

  1. Als de overgrote meerderheid van de mensen een bepaalde (wetenschappelijke of morele) visie aanhangt, dan moet de kerk zich daarnaar voegen om niet ongeloofwaardig te worden.

Je kunt lang twisten over de vraag wat waar is. Misschien valt dat vaak niet eens uit te maken en blijft het bij een waarschijnlijkheid. Belangrijker is dat er geen onnodige belemmeringen worden opgeworpen om te gaan of te blijven geloven. En als de evolutietheorie te combineren valt met het orthodox-christelijk geloof, dan is afwijzen van die theorie onnodig, schadelijk, slecht. Dan maakt het ook niet zo veel meer uit of de theorie waar is!

Het gaat hier om twee vragen: de vraag naar waarheid en de vraag naar het effect. Kun je weten wat waar is en staat vast of het verzet op bijbelse gronden tegen de evolutietheorie het geloven in de weg staat?

Allereerst de vraag of de evolutietheorie waar is of op zijn minst waarschijnlijk. Wat de Bijbel betreft moet die vraag negatief beantwoord worden als je het gezag, de historiciteit, de samenhang en de duidelijkheid van de Bijbel recht doet. Wetenschappelijk bezien oogt de theorie indrukwekkend, imponerend. Het is een groots verhaal, door C.S. Lewis eens gekarakteriseerd als een machtige mythe. Daarbij is de biologische evolutie slechts een onderdeel van het grote verhaal van de wording van deze wereld, van oerknal via oercel en oermens tot ons. Dat de overgrote meerderheid van de mensen er in gelooft, is opmerkelijk maar te verklaren. De theorie maakt “God overbodig”! Dat is waar vele mensen naar verlangen en wat een rol speelde bij Darwin, Huxley en vele anderen die aan de wieg van de evolutietheorie stonden. Ze past in een geseculariseerde, individualistische en materialistische maatschappij. Aanvaarding wordt bevorderd door de grote sociale druk die wordt uitgeoefend om je aan te passen.

Toch verandert dat niets aan de feitelijke stand van zaken. De theorie schiet in meerdere opzichten fundamenteel tekort. Niet alleen op bijbelse gronden, maar ook op filosofische: Hoe kan ons denken betrouwbaar zijn en ons leven zin hebben als we het product zijn van een doelloos en zinloos proces? Hoe kan ik zeker zijn dat mijn beperking tot het materiële en waarneembare de totale werkelijkheid recht doet? Met een rode bril kun je toch alleen nog rood zien? En wat moet ik met de vaststelling dat de materie niet uit zichzelf streeft naar orde en zinvolle complexiteit? Daarom geldt: Je moet de meerderheid niet volgen in het kwaad en in de vertekening van de werkelijkheid.

Het is vervolgens de vraag of acceptatie van de evolutietheorie positief werkt voor de geloofwaardigheid van het evangelie. Dat zal soms inderdaad zo zijn. Maar veel vaker is die acceptatie een kleine of grote stap op de weg van het loslaten van het evangelie. Dat vind ik begrijpelijk. Het dualisme tussen wetenschappelijke feiten en theologische feiten (zie noot 10) gaat in tegen het “gezond verstand”. Aanvaarding van theïstisch evolutionisme leidt tot secularisatie. Daar is de kerkgeschiedenis van de laatste honderd jaar getuige van. Daar zijn ook de niet-christelijke aanhangers van de theorie van overtuigd. Dat is veelzeggend! “Zelfs in menselijke aangelegenheden wordt groot belang gehecht aan het eenstemmig oordeel van mensen die het bijna nooit met elkaar eens zijn”!16

Ik twijfel niet aan de oprechtheid van de motivatie van christelijke aanhangers van de evolutietheorie: hun verlangen om belemmeringen voor het christelijk geloof weg te nemen. Maar het goede doel gaat gepaard met een middel dat veel schade heeft bewerkt, zoals uit de praktijk blijkt.

 

  1. De les van de geschiedenis: uit de geschiedenis blijkt dat de evolutietheorie op zich aanvaardbaar is voor christenen.

Er is volgens Van den Brink altijd oog voor geweest, dat de Bijbel geen “handboek voor de wetenschap” is en dat we voorzichtig moeten zijn met het trekken van (natuur)wetenschappelijke conclusies uit de Bijbel.

Ik ga nu niet in op het gekleurde beeld van het verleden dat hij geeft. Een betere conclusie van het verleden is, dat Genesis de eeuwen door vrijwel steeds “letterlijk”–als historisch betrouwbaar–is opgevat. Daarvoor verwijs ik naar noot 5. Slechts één voorbeeld: Calvijn zou met zijn visie op accommodatie al de weg gewezen hebben van het perspectivisme: maak onderscheid tussen beeldspraak met zijn beperkingen en de werkelijkheid waar het beeld betrekking op heeft. Wat Van den Brink niet vermeldt, is dat Calvijn zich expliciet heeft uitgesproken over de niet-toepasbaarheid van accommodatie als het gaat om de zes scheppingsdagen. “Het is een te gewelddadige spotternij, te zeggen, dat Mozes ter wille van zijn verhaal in zes dagen verdeelt, wat God op één ogenblik voltooide. Veeleer heeft God zelf, willende zijn werken regelen naar de bevatting der mensen, een tijdvak van zes dagen voor zich genomen.”17 Een creationist zou het nu niet mooier onder woorden kunnen brengen.

Wat is dan de les der geschiedenis? Uit de geschiedenis blijkt dat aanvaarding van de evolutietheorie in de kerk heeft geleid tot een doorgaand proces van het loslaten van het gezag van de Bijbel.

Uit de geschiedenis blijkt ook, dat de evolutietheorie de ideologische basis is geweest voor communisme, nazisme, racisme en atheïsme. Dat maakt duidelijk dat evolutietheorie en evolutionisme nauw verbonden zijn.

Het principe “Aan de vruchten kent men de boom”, geldt kennelijk binnen en buiten de kerk.

 

Conformisme

De mens is een sociaal wezen en geneigd zich aan te passen aan wat algemeen gangbaar is. Dat geldt voor de mode, voor het gedrag en voor het denken. Ik typeer dat als conformisme, aanpassingsgedrag. Het is als regel verstandig: dwarsliggers en eigenheimers zijn niet populair. Tegelijkertijd is het buitengewoon gevaarlijk. Christenen zijn per definitie anders: burgers van het rijk van God. “Vreemdelingen en bijwoners”. Het zout in de pap van de wereld. Dat is soms of vaak moeilijk. Maar smakeloos worden is veel erger. Conformisme kan leiden tot het krachteloos worden van het zout, tot secularisatie.

Die aanpassing moet onderbouwd worden met een legitimatie. Is het goed, wijs, doet het recht aan je levensovertuiging? Dat hoeft niet altijd vanzelfsprekend of voor de hand liggend te zijn. In dat geval ligt het voor de hand om te zoeken naar een verantwoording waardoor je een brug slaat tussen dat waar je voor staat en dat wat je overneemt van de maatschappij. Je hebt dan een aanpassingsstrategie nodig. .

Het gaat nu om de aanpassing van het christelijk geloof aan de evolutietheorie. Dat kan in de vorm van verschillende varianten van concordisme, het kan in de vorm van een van de drie vormen van perspectivisme (zie kader), het kan in de vorm van creationisme. Op dat gebied zijn er drie onderdelen:

  • De exegese. Hoe leg je de Bijbel zo uit dat er geen conflict is tussen de evolutietheorie en de bijbel? Daarbij is wat er staat, het tekstverband, het kader en het geheel van het spreken van de Bijbel van belang. De meest voor de hand liggende interpretatie, zoals die vele eeuwen heeft gegolden, is een “letterlijke”, “historische” uitleg van Genesis 1–11. Als je je daar niet in kunt vinden, moet je verder kijken, zoeken naar een alternatief dat kennelijk niet voor de hand ligt. Een exegese die afrekent met wat de tekst lijkt te bedoelen.
  • De hermeneutiek, de leer, de theorie van de exegese. Heb je in Genesis 1 wel te maken met geschiedenis? Is het spreken over zes dagen soms een “kader” dat niet historisch is maar een kunstmatig raamwerk voor het verhaal? Heb je wel te maken met geschiedenis of gaat het om iets “hogers”, om heilsgeschiedenis, om een theologische boodschap? Of heb je te maken met een verouderd wereldbeeld dat stamt uit een primitieve tijd, waarin men nog niet beter wist en waar God zich in zijn openbaring bij aanpast? Dat zou een vorm van accommodatie kunnen zijn.Het zijn allemaal vormen van conformisme. Uitgangspunt is dat aanpassing nodig is van het eigen standpunt aan wat algemeen gangbaar is, “bewezen” is. Dat is kenmerkend voor de legitimatie van het theistisch evolutionisme.De kernvraag daarbij is: is dat bijbelgetrouw, passend bij het gezag en het karakter van de Bijbel?Van den Brink kiest voor het idee, dat de theologische boodschap van de bijbel verpakt is in een verouderd en achterhaald wereldbeeld. Dat moet gescheiden worden van de theologische boodschap: aldus zijn (beperkte!) perspectivisme.Waarom “theologisch”? De Bijbel past zich in woordkeuze en beelden aan de mens aan. Dat is het “accommodatiebeginsel”. (132) Zo spreekt de Bijbel van Gods ogen, oren, mond, hand en strijden alsof Hij een mens is. Het is wel duidelijk dat God zich daarbij aanpast aan ons, ons voorstellingsvermogen. Van den Brink verwijst dan naar Calvijn: “Het is slechts ‘niet helder en klaar uitgedrukt’. God heeft immers niet echt  een mond, oren, ogen et cetera. Evenmin heeft Hij echt berouw of verdriet. Calvijn heeft dus wel een duidelijk criterium (Gods transcendentie mag niet in het geding komen), maar aan de hand daarvan hanteert hij het accommodatieprincipe om niets minder dan ons godsbeeld te reguleren–een cruciaal theologisch thema, waarvan men zou denken dat het juist op de Schrift moet teruggaan!”Dat Calvijn hier met het badwater van het beperkte beeld ook de inhoud van de werkelijkheid van Gods emoties kwijtraakt, zal wel duidelijk zijn. Wat dat betreft heeft de Here Jezus op aarde ons de Vader leren kennen in zijn reële bewogenheid! Van den Brink valt Calvijn op dit punt dan ook niet bij.

    Maar zijn eigen hermeneutische benadering in de vorm van het beperkt perspectivisme komt ook neer op een theologische scheiding van tekst en boodschap. Dat leidt net als bij Calvijn tot de conclusie dat wat er staat voor een deel niet serieus hoeft te worden genomen, “niet echt zo bedoeld is”. Alleen gaat het nu niet om het theologisch criterium van Gods transcendentie maar om Van den Brinks theologisch perspectivisme en het afstemmen van de Bijbel op de evolutietheorie. Een aanpassing die in strijd is met de wijze waarop het Nieuwe Testament spreekt over Genesis 1–11.

    De theologische boodschap van een bijbeltekst biedt kennelijk een wetenschappelijk gekleurde en versmalde betekenis er van. Het gevolg kan zijn dat daardoor de evidente betekenis verloren gaat.

  • De wetenschap. In de eerste twee punten ging het om aanpassing van het lezen van de bijbel. Nu kijken we naar de kant van de evolutietheorie, de wetenschap.Je kunt de claims van die theorie afzwakken om nog zoveel mogelijk van de bijbelse boodschap te redden. Het evolutionisme als levensbeschouwing wordt dan verworpen, er wordt vastgehouden aan de schepping van Adam en Eva en de zondeval of aan een of andere fase in de evolutie van de mens waarbij moreel bewustzijn ontstond.Je kunt ook zoeken naar mogelijke aangrijpingspunten. Dat doet Van den Brink als hij wijst op de emergentie in de evolutie (de toenemende complexiteit) en op de convergentie (grote overeenkomsten in organen bij niet evolutionair verwante soorten). Dat zou er op kunnen wijzen dat achter de schijnbare doelloosheid  toch een hogere macht aan het werk is. De wetenschap heeft nu eenmaal alleen oog voor het toevallige. Maar de christen gelooft dat God ook door het toevallige heen kan werken. Daar kan een evolutionist alleen op religieuze gronden bezwaar tegen hebben. Het lijkt een elegante vorm van concordisme. Het is echter niet overtuigend: het doet geen recht aan de aard van de natuur en geen recht aan God en zijn openbaring. Het is als met wonderen in de Bijbel: soms zijn ze “natuurlijk” en kun je ze zien als toevallig ook al weet je dat God het bestuurt. Maar vaak hebben ze ook een klaarblijkelijk on- of bovennatuurlijk karakter, zodat je ziende blind moet zijn om dat te ontkennen.18 Zo is het ook met de schepping en de taal die ze spreekt. De evolutietheorie doet geen recht aan het on- of bovennatuurlijk karakter van het ontstaan van de schepping.De aanpassing kan ook komen door kritische bezinning op de inbreng vanuit de maatschappij. Is wat algemeen gangbaar is wel goed, aanvaardbaar, normatief? Dat kan leiden tot bijstelling van de visie op het wezen en de methode van de natuurwetenschap. Als de natuurwetenschappelijke methode leidt tot een materialistische framing van de werkelijkheid kun je je daar tegen verzetten. Dan verzoen je niet wetenschap en bijbel met elkaar maar laat je zien waardoor het conflict ontstaat.Het kan ook, concreter, leiden tot verwerping van de evolutietheorie. Je bent verkeerd bezig als dat gebeurt met hetzelfde wetenschapsgeloof als uitgangspunt bij de evolutietheorie. Dan dreigt het willen bewijzen dat de Bijbel toch gelijk heeft. Maar als je naast fundamentele methodische kritiek ook ingaat op de experimentele gegevens, is dat prima. Creationisten wijzen de natuurwetenschappelijke methode niet af. Alleen de verabsolutering ervan. Gezien de beperkingen in geld en mankracht zal je slechts stukwerk kunnen leveren. Toch is het in principe prima: stel modellen op die passen in een bijbels kader. Ook dat is een vorm van aanpassing, niet van de bijbel maar van de theorie over het ontstaan van aardlagen, fossielen, variabiliteit binnen soort en eventueel ook familie, enz.

Conclusie

Ik maak de balans op. Is het conflict tussen de bijbel en de evolutietheorie hiermee opgelost? Dat hangt er van af wat je verstaat onder “opgelost”.

Van den Brink nam als uitgangspunt de veronderstelling dat de evolutietheorie juist is en “in de kern” ook in de toekomst niet zal veranderen. Je gaat dan bij wijze van spreken uit van het gezag, de betrouwbaarheid van die theorie. Dat fundeert Van den Brink met de stelling dat het gaat om Gods openbaring in het boek van de natuur en het Goddelijk gezag van die openbaring. Een oplossing kan dan alleen gevonden worden als de bijbel wordt aangepast. Dat doet hij op twee manieren.

  • Het perspectivisme maakt duidelijk wat in de bijbel niet letterlijk gelezen moet worden, wat de theologische boodschap is die wordt doorgegeven als er sprake is van achterhaalde verpakking. Zo functioneert de evolutietheorie via het perspectivisme als de maatstaf voor het opschonen van de bijbel van wat niet past.
  • Naast het zo “bewerken” van vooral Genesis 1–3 is het tweede middel het buiten beschouwing laten van vooral Genesis 6–9.

Het resultaat is dat het conflict is opgelost. Alleen is de prijs die betaald wordt te hoog. Want nu rest er een conflict met de bijbel. Mijn conclusie is daarom tweeledig:

  1. Het blijkt een verkeerd uitgangspunt te zijn om uit te gaan van de juistheid van de evolutietheorie en
  2. het perspectivisme doet geen recht aan het gezag, de historiciteit en de duidelijkheid van de bijbel.
Perspectivisme

Er zijn dus twee soorten feiten: de wetenschappelijke en de theologische. Die moeten we onderscheiden, nee, sterker, scheíden! Dit is de visie van het perspectivisme. Van den Brink pleit voor deze nieuwe benadering. Je moet hierbij echter wel nauwkeurig onderscheiden. Want binnen het perspectivisme zijn drie stromingen.

  • Het radicaal perspectivisme: daarbij wordt de boodschap van de bijbel gereduceerd tot een verzameling ‘eeuwige geestelijke waarheden’ (33,134).
  • Het perspectivisme: we moeten de theologische inhoud onderscheiden van het wereldbeeld waarin deze inhoud ingebed is (122-128). “Richt het wetenschappelijk perspectief zich op de feitjes, het theologische heeft betrekking op de zin van ons bestaan. Daarbij gaat het ook wel over feiten, maar van een totaal andere orde: over wie God is in relatie tot ons en wie wij zijn in relatie tot God. Deze twee perspectieven moeten niet door elkaar gehaald worden, maar dienen zorgvuldig gescheiden te blijven.” (121-122) Er zijn dan dus twee soorten feiten: de wetenschappelijke en de theologische. Die moeten we onderscheiden, nee, sterker, scheiden. Volgens Karl Barth kan er net zomin sprake zijn van harmonie als van tegenspraak (122). We hebben hier een vorm van dualisme, een specifieke vorm van conformisme. Verzoening is niet nodig tussen partijen die niet kunnen botsen. Van den Brink wijst deze benadering af.
  • Beperkt perspectivisme (114, 134-141): perspectivisme dat recht doet aan het historisch karakter van de bijbelse boodschap (135-138). Van den Brink pleit voor deze laatste benadering omdat “de bijbelse visie een door en door historisch karakter heeft” (132). Daarmee neemt hij het historisch karakter van de bijbel serieus. Dat verdient grote waardering, want hij maakt het zich daarmee niet gemakkelijk! Al is het in mijn ogen niet serieus genoeg. Het is overigens verwarrend, dat hij zijn benadering vervolgens omschrijft als “perspectivisme” zonder de specificatie “beperkt”.

Dat het perspectivisme dualistisch is, is wel duidelijk. Maar geldt dat ook voor het beperkte perspectivisme? In ieder geval in veel mindere mate. Toch vind je ook daar dualisme:

  • In de scheiding van evolutionisme en evolutietheorie.
  • In de scheiding van de theologische boodschap versus de boodschap van de bijbel.
  • In de scheiding van de taal van het boek der natuur en de openbaring van de bijbel.

Van den Brink sluit aan bij Berkouwer die eenzelfde redenering volgde maar die onderbouwde met de correlatie-idee. Daarbij krijgen bijbelteksten meer of minder “gewicht” naar gelang van hun betekenis voor het geloof. Het perspectivisme van Van den Brink kun je zien als een variant (geen evolutie!) van Berkouwers correlatiemotief. 

Noten

  1. Een voorbeeld daarvan is te vinden in Corien Oranje en Cees Dekker, Het geheime logboek van topnerd Tycho (Heerenveen: Jongbloed 2015). Daar worden de creationisten voornamelijk vertegenwoordigd door aardige maar onnozele meisjes en hun moeders, terwijl de hoofdpersonen van de TE-ers een superslim jongetje, zijn zeer geleerde oom, de sympathieke onderwijzer en de ruimdenkende dominee zijn. Domheid, onbenul, ondeskundigheid van vrouwen tegenover slimheid, geleerdheid, deskundigheid en ruimdenkendheid van mannen. Dat doet vrouwen en creationisten geen recht. Gelukkig is mijn contact met Van den Brink opbouwend. Op een concept van deze bespreking heb ik van hem uitgebreid en kritisch commentaar gehad. Daar ben ik hem dankbaar voor.
  2. C. Oranje en C. Dekker, 150.
  3. Han Zuilhof, Het antwoord van prof. Hans Zuilhof, (Evolutie.blog.com/page/19/, 13-7-2008).
  4. Deze framing in de vorm van selectie vind je binnen de evolutietheorie zelf ook weer structureel terug. Denk aan het gebrek aan aandacht voor het ontstaan van instincten en schoonheid en de ongeloofwaardige verklaringen daarbij. Denk aan de presentatie van variatie, specialisatie en degeneratie op het niveau van soort, geslacht en misschien ook families als evolutie zonder dat er duidelijk aanwijsbare toename is van complexiteit.
  5. Zie bijvoorbeeld: https://logos.nl/in-den-beginne-schiep-god-maar-de-aarde-bracht-voort/, https://answersingenesis.org/creation-science/baraminology/.
  6. J.A. van Delden, Schepping en wetenschap, (Amsterdam, Buijten & Schipperheijn , 1987 2e druk), 53.
  7. Zie M.J. Paul, Oorspronkelijk, Overwegingen bij schepping en evolutie, (Apeldoorn: Labarum Academic, 2017), 80-129. Ter aanvulling: De weerstand tegen het heliocentrisch wereldbeeld van de kant van Voetius en anderen maakt duidelijk hoe onjuist het is de bijbel te lezen als een boek in wetenschappelijke taal. Dat hadden ze van Calvijn kunnen leren. Het leidde tot een hermeneutiek die geen rekening hield met het “kijkbeeld” van de Bijbel.

    Tegelijkertijd maakt ook het duidelijk hoe onjuist het is uit te gaan van een gangbaar wetenschappelijk wereldbeeld en de bijbel daaraan aan te passen. Ook dat leidt tot een hermeneutiek die de Bijbel geen recht doet door waar “nodig” het kijkbeeld van de bijbel te ontkrachten. Dat zou Van den Brink op zijn beurt van Calvijn kunnen leren.

  8. Zie R. Hooykaas, Geschiedenis der natuurwetenschappen, van Babel tot Bohr, (Utrecht: Oosthoek, 1971), 89-91.
  9. Het perspectivisme is een fundamentele verandering in de visie op de betekenis van de Bijbel. Wat behoort tot het verouderde wereldbeeld moet bepaald worden en daarna moet de verouderde verpakking terzijde gesteld en de theologische boodschap vastgesteld en behouden worden. Die procedure geldt op overeenkomstige wijze ook voor de moraal!

    “We weten nu meer en andere dingen dan Paulus ten aanzien van de vrouw in het ambt en homosexualiteit”, vindt prof. Dr. A.L.Th. de Bruijne. “Daarom mag je zijn teksten niet een-op-een toepassen op deze wereld.”

    Het komt op hetzelfde neer als: wij begrijpen meer en beter. (Ned. Dagblad 30-9-2017, “We weten meer dan de apostel Paulus”)

  10. H.J. Selderhuis, Zorgen over afname van Bijbellezen en Bijbelkennis, (Reformatorisch Dagblad, 21-10-2017).
  11. Zie M.J. Paul, blz. 407-410. Dat geldt al voor Darwin. Twee citaten van Darwin:

    “Ik heb al lange tijd spijt dat ik kruiperig deed naar de publieke opinie en de term ‘schepping’ uit de Pentateuch gebruikte, waarmee ik in werkelijkheid ‘verscheen’ bedoelde aan te geven, door enig geheel onbekend proces.” (306,307)

    “In mijn meest extreme schommelingen ben ik nooit een atheïst geweest in de zin van het ontkennen van het bestaan van een God–In het algemeen denk ik (en meer en meer naarmate ik ouder word) dat een agnost de meest correcte beschrijving van mijn denkwijze is.” Dat was in 1879, drie jaar voor zijn dood. (306)

  12. Van den Brink verwijst naar evolutionaire convergentie: ‘de voortdurende tendens van biologische organisatie om tot dezelfde “oplossing” te komen voor een bepaalde “behoefte”.’ (284) Het gaat dan om treffende overeenkomsten in organen tussen soorten die niet evolutionair verwant zijn.
  13. Reformatorisch Dagblad, 20-9-2017.
  14. Een weergave van mijn bevindingen is te vinden mijn boek Schepping en wetenschap.
  15. Ik citeer Van den Brink: “Het proces van natuurlijke selectie op basis van toevallige mutaties heeft immers wel een ondubbelzinnig effect, namelijk de verhoging van de mate waarin populaties aangepast zijn aan hun omgeving, en daarmee het ontstaan van steeds complexere levensvormen.” (276) Dat gebeurt inderdaad door selectie van variaties op punten als kleur, specialisatie en degeneratie binnen de genetische mogelijkheden. Maar gezien het schadelijke karakter van mutaties in het algemeen lijkt het resultaat op de vooruitgang die je boekt als je één stap vooruit gaat en vervolgens 10 stappen achteruit. En dan komt nog de vraag naar de waarde van een mutatie die als stap op weg naar een uiteindelijk nuttige aanpassing zelf nog geen bijdrage levert aan een hogere overlevingswaarde en waarschijnlijk op zijn hoogst in eerste instantie nutteloos is. Terwijl de mutatie als uitzondering in het genetisch potentieel van de populatie verloren zal gaan. Dat laatste overtuigde in ieder geval Darwin er van, dat er een doelgerichte, systematische sturing achter het evolutieproces moet zitten.

    Hoe dan ook, er is geen bewijs dat de natuurlijke selectie een bron of motor is van een evolutie van eerste levende cel tot mens. Selecteren is fundamenteel anders dan creëren van nieuwe informatie en conserveren van wat op langere termijn nuttig zou kunnen blijken.

    Er is zeer uitgebreid onderzoek gedaan naar het effect van natuurlijke selectie. Die werking is ondubbelzinnig aangetoond: bij meer dan honderd soorten! Maar er zijn slechts veranderingen waargenomen in subspecies. Kortom: wel variatie, geen evolutie! (J.A. Endler, Natural Selection in the Wild, (Princeton, Princeton University  Press, 1986)

    “Natuurlijke selectie is niet de oorzaak, maar het gevolg van evolutie”. N.M. van Straalen, Darwins theorie is voor de helft achterhaald, (De Volkskrant, 23-5-2009)

    Zie ook: https://logos.nl/har1f-gen-een-probleem-voor-het-neodarwinisme/.

  16. C.S. Lewis, Een verspreking, In: C.S.Lewis, Koppige overtuiging en andere essays (Franeker: Van Wijnen, 2010), 107,108.
  17. Calvijn over Genesis 1 – 3, (Vlaardingen, Bolland, 1968), 32.
  18. J.A. van Delden, blz. 185-187.