Verrassende aanwijzingen voor de zondvloed

Verrassende aanwijzingen voor de zondvloed
door Andrew A. Snelling en Steven A. Austin in Creation 15(1).
vertaling AH, Werkgroep In Genesis

Pootafdrukken en ‘zandduinen’ in een zandsteenformatie van de Grand Canyon.

Er is niets op aarde wat het uitzicht van de Grand Canyon evenaart. Er zijn andere ravijnen, andere bergen en andere rivieren, maar deze kloof blinkt uit door zijn overweldigende grootsheid. Kan een bezoeker, bij het zien van de Grand Canyon, het spektakel bevatten en waarderen wat hij voor zich uitgespreid ziet? Het prachtige beeldhouwwerk en de kleurenrijkdom zijn ongeëvenaard. Zij suggereren een onbekende wereld. De schaal is te overweldigend. De enorme omvang en majestueuze indruk overweldigen de toeschouwer en gaan zijn verstand te boven.’ [1]


Figuur 1. Een panorama op de Grand Canyon vanaf de zuidrand bij Yavapai Point. Het Coconino Sandstone is de dikke geel/wittig gekleurde laag dicht bij de top van de canyonwand. Vergelijk met Figuur 2

Figuur 2. Een doorsnede van de Grand Canyon toont de namen die door geologen werden toegekend aan de verschillende eenheden.

Een ieder die op de rand heeft gestaan en naar beneden heeft gekeken in de Grand Canyon zal het eens zijn met deze woorden, want de immense grootsheid van het uitzicht is adembenemend. De Canyon strekt zich 446 km uit over Arizona en bereikt een diepte van meer dan 1600 meter en de breedte varieert van 6,4 kilometer tot 29 kilometer.

In de wanden van de Canyon kan men vlak liggende gesteentelagen onderscheiden, die ooit bestonden uit zand, modder of kalk. Nu gehard, zien zij eruit als pagina’s van een gigantisch boek, zich gelijkmatig uitstrekkend recht door de Canyon onder het plateaulandschap naar het noorden en zuiden en verder weg naar het oosten.

Het Coconino Zandsteen

Om iets van de enorme schaal van deze rotslagen te begrijpen kunnen we, een willekeurige laag kiezen voor een gedetailleerd onderzoek. De dikke gelige tot witte zandsteenlaag bijna aan boven aan de rand van de Canyon is wellicht het eenvoudigst te ontdekken. Geologen hebben de verschillende lagen een naam gegeven, en deze heet “het Coconino Sandstone” (zie figuren 1 en 2). De gemiddelde dikte wordt geschat op 96 meter en met het gelijksoortige zandsteen in het oosten, bedekt het ongeveer 518.000 vierkante kilometer. [2] Dat is 12,5 keer de oppervlakte van heel Nederland of bv tweemaal de Amerikaanse staat Colorado!
Het volume van dit zandsteen wordt geschat op 41.700 kubieke kilometers. Dat is heel veel zand!


Figuur 3. ‘Cross beds’ (schuine gekruiste lagen) binnen het Cocinino Sandstone, zoals te zien op de Bright Angel Trail in de Grand Canyon.

Wat is de betekenis van de rotslagen in de Grand Canyon? Wat vertellen zij ons over de geschiedenis van de aarde? Hoe kwam bijvoorbeeld al het zand in het Coconino Sandstone en nabijgelegen zandsteenlagen terecht?

Om daar een antwoord op te krijgen bestuderen geologen de eigenschappen van gesteentelagen zoals het Coconino Sandstone en zelfs de zandkorrels. Een gemakkelijk te onderscheiden eigenschap van het Coconino Sandstone zijn de duidelijke kruislingse afzettingen van zand, aangeduid als ‘cross-beds’ (zie figuur 3, rechts).


Vele jaren lang werden deze ‘cross-beds’ door evolutionisten verklaard door ze te vergelijken met zich in het heden vormende zandafzettingen: de zandduinen in woestijnen die voornamelijk bestaan uit kwartszand en die hellende interne zandbeddingen hebben. Aldus werd gesuggereerd dat dat het Coconino zandsteen zich had opgebouwd over duizenden jaren in een immense winderige woestijn door zich verplaatsende zandduinen, waarbij de kruiselingse beddingen zich vormden aan de lijzijden van de duinen waar het zand werd afgezet. [3]


Figuur 4: Een gefossiliseerd viervoetig spoor in het Coconino zandsteen tentoongesteld in het Yavapai Point Museum van de Grand Canyon Natural History Association aan de Zuidrand van de canyon.

Het Coconino zandsteen is ook bekend om zijn grote aantallen gefossiliseerde pootafdrukken, gewoonlijk in series die men sporen noemt. Deze afdrukken lijken afkomstig van vierpotige gewervelde, die over de oorspronkelijke zandoppervlakten trokken. (Zie fig.4, links). Deze gefossiliseerde afdrukken werden vergeleken met de sporen van reptielen op woestijn zandduinen. [4] Op die wijze werd er aangenomen dat deze gefossiliseerde pootafdrukken in het Coconino zandsteen gemaakt zijn in droog woestijnzand die daarna werden bedekt door stuifzand, dat vervolgens ging cementeren waardoor het zandsteen ontstond en de pootafdrukken konden fossiliseren.

Nog een ander kenmerk wat door evolutionistische geologen gebruikt hebben om aan te tonen dat het Coconino zandsteen het restant vertegenwoordigt van een lange periode van droge woestijncondities, zijn de zandkorrels zelf.

Geologen hebben de zandkorrels van hedendaagse zandduinen in woestijnen bestudeerd. Onder een microscoop is te zien dat het oppervlak van de korrels mat is met kleine putjes. Vergelijkbare korrelstructuren zijn ook waargenomen in zandsteenlagen met zeer dikke (elkaar kruisende) beddingen zoals in het Coconino zandsteen, en heeft ook deze vergelijking het geloof versterkt dat het Coconino zandsteen werd afgezet als duinen in een woestijn.

Op het eerste gezicht zou deze interpretatie bijbelgetrouwe geologen in verlegenheid kunnen brengen daar zij unaniem zijn over het ontstaan van deze lagen: namelijk dat de horizontale lagen wat eens zand, modder en kalk was zijn neergelegd door de zondvloed. De lagen zijn nu zichtbaar als rotslagen in de wanden van de Canyon.

Boven het Coconino zandsteen bevindt zich de Toroweap-formatie en er onder bevindt zich de Hermit-formatie. Over deze formaties zijn de geologen het eens; beiden zijn afgezet in water en/of, door water. [5], [6] Hoe kon er een periode van woestijnomstandigheden zijn in het midden van het zondvloedjaar, toen ‘alle hoge heuvels bedekt waren’ (Genesis 7: 19) met water?

Dit schijnbare probleem is niet onopgemerkt gebleven door tegenstanders (zelfs van vanuit de christelijke gemeenschap) van de zondvloedgeologie en creationisme. Zo is een recent boek van Dr Davis Young, professor in de geologie aan het Calvin College in Grand Rapids, Michigan, feitelijk een afspiegeling van wat evolutionistische geologen zeiden over de vorming van het Coconino zandsteen. Het boek wordt verkocht in christelijke boekwinkels. Dr Young spreekt zich uit tegen de zondvloed als mechanisme voor de afzetting van het Coconino zandsteen. Hij is zeer definitief in zijn beschouwing over het woestijn-zandduin-model:

‘Het Coconino-zandsteen bevat spectaculaire kruisende afzettingensporen van gewervelden en zandkorrels met een mat oppervlak met kleine putjes. Dit alles is in overeenstemming met de vorming van het Cocinino als woestijn zandduinen. Het zandsteen bestaat bijna geheel uit zuivere kwartskorrels dat niet in water wordt gevormd… geen vloed van welke omvang dan ook kan zulke zandafzettingen produceren…’ [7]

De pootafdrukken

De sporen in het Coconino zandsteen zijn recentelijk opnieuw onderzocht naar aanleiding van experimentele studies uitgevoerd door Dr Leonard Brand van de Loma Linda Universiteit in Californië. [8] Zijn onderzoek betrof een zorgvuldige bestudering van, en gedetailleerde metingen aan, 82 gefossiliseerde sporen. Het ging hier om series pootafdrukken van gewervelde dieren welke ontdekt zijn in het Coconino zandsteen langs de Hermit Trail in de Grand Canyon.

Vervolgens bestudeerde, observeerde en verrichtte hij metingen aan 236 experimentele sporen in testruimtes. Deze sporen waren gemaakt door levende amfibieën en reptielen in zand onder water, op vochtig zand bij de rand van het water, en op droog zand dat meestal helt bij een hoek van 25 graden. Ter vergelijking werden er ook enkele observatie gedaan op hellingen van 15 en 20 graden.

Tevens werden er, zowel in het laboratorium als in hun natuurlijke leefomgeving waarnemingen gedaan aan de bewegingen onder water van vijf soorten salamanders (amfibieën). Ook aan deze sporen werden metingen verricht.

Een gedetailleerde statistische analyse van deze data leidde met een hoge graad van waarschijnlijkheid tot de conclusie, dat de fossiele sporen onderwater gemaakt moeten zijn. De proefdieren produceerden tijdens het experiment onder alle testomstandigheden sporen, zowel klimmend als dalend op de 25 graden helling van de laboratoriumduinen. Van de fossiele sporen konden op één uitzondering na alle fossiele paden slechts gemaakt zijn door dieren in kwestie die de helling beklimmen.

Teenafdrukken waren over het algemeen goed te onderscheiden, maar de zoolafdrukken niet. Deze en andere details waren aanwezig in meer dan 80% van de fossiele, onderwater,- en natte zandsporen, maar minder dan 12% van de sporen gemaakt in het droge zand en vochtige zand vertoonde ook maar enige teenafdrukken.

De klimmende sporen in het droge zand waren voornamelijk slechts indrukken zonder details. De sporen in nat zand waren in sommige opzichten heel anders dan de fossiele sporen. Bovendien lieten de observaties van de bewegingen van levende salamanders zien, dat zij het grootste deel van hun voortbeweging onder water lopend op de bodem doorbrachten, en niet zwemmend.

Al zijn observaties samenvoegend, kwam Dr Brand tot de conclusie dat de configuratie en de eigenschappen van de sporen van de dieren, gemaakt op het ondergedompelde zandoppervlak het meeste leek op de gefossiliseerde sporen van viervoeters in het Coconino zandsteen.

Als we letten op het bewegingsgedrag van de levende amfibieën, kan uit de gefossiliseerde sporen worden geïnterpreteerd dat dit er op duidt dat de dieren zich volledig onderwater moeten hebben bevonden (d.w.z. niet zwemmend aan het oppervlak) en tegen de helling op bewogen (tegen de stroomrichting in) in een poging om uit het water te komen. Deze interpretatie is in overeenstemming met het concept van de wereldwijde vloed die zelfs de vierpotige amfibieën en reptielen overrompelde welke gewoonlijk voornamelijk in het water leven.

Niet tevreden met deze initiële studies, ging Dr Brand door (met hulp van een collega) met deze lijn van onderzoek. Hij publiceerde onlangs nieuwe resultaten, [9] die zo belangrijk waren, dat een kort verslag van hun werk verscheen in Science News [10] en Geology Today. [11]

Zijn zorgvuldige analyse van de gefossiliseerde sporen in het Coconino zandsteen, deze keer niet alleen van het de Hermit Trail in de Grand Canyon maar ook van andere paden en plaatsen, toonde opnieuw aan dat zij allen, op één na, gemaakt moesten zijn door dieren die opwaarts bewogen langs kruiselings hellende beddingen.

Voorts bleek dat deze sporen vaak aantonen dat de dieren in één richting bewogen, terwijl hun poten in een andere richting wezen. Het lijkt erop dat de dieren in stromend water liepen en niet in lucht. Andere sporen stoppen abrupt, zonder enige indicatie dat de ontbrekende pootafdrukken bedekt waren door een verstoring zoals verschuivende sedimenten. Het lijkt erop dat deze dieren eenvoudigweg wegzwommen van het sediment.

Omdat vele van de sporen eigenschappen hebben die bijna ‘niet te verklaren’ zijn, tenzij de dieren onder water bewogen, denkt Dr Brand dat op watersalamanders lijkende dieren de sporen hebben gemaakt terwijl ze onderwater liepen in stromend water. Om zijn ideeën te testen maakten Brand en zijn collega video-opnamen van watersalamanders die liepen door een watertank met stromend water.

Alle 238 sporen (series van sporen) door de watersalamanders gemaakt zijn vergelijkbaar met de gefossiliseerde sporen in het Coconino zandsteen. Hun gedrag dat op video is vastgelegd terwijl ze de sporen maakten, geeft een indruk van hoe de dieren die verantwoordelijk zijn voor de gefossiliseerde sporen zich mogelijk hebben voortbewogen.

Deze aanvullende onderzoeken bevestigden de conclusies van zijn vroegere onderzoek. Dr Brand concludeerde dat al deze gegevens aantonen dat de fossiele sporen in het Coconino zandsteen niet gebruikt zouden moeten worden als bewijsmateriaal voor door woestijnwind afgezet droog zand om zo het Coconino zandsteen te vormen, maar dat ze eerder wijzen op een afzetting onderwater.

Het door deze in overstromingen gespecialiseerde geoloog verkregen bewijsmateriaal van dit zeer zorgvuldige uitgevoerde experimentele onderzoek, gooit de oorspronkelijke interpretatie van deze fossiele sporen (door evolutionisten) in het Coconino zandsteen omver, en zet vraagtekens bij het gebruik ervan door Young en anderen als een argument tegen de zondvloed.

Woestijn ‘duinen’?

Het woestijn-zandduin-model voor de oorsprong van het Coconino Zandsteen is onlangs ook aangevallen door Glen Visher [12], een professor in de geologie aan de universiteit van Tulsa in Oklahoma, die overigens geen creationistisch geoloog is. Visher merkte op dat grote stormen, of versterkt tij, tegenwoordig onderzeese zandduinen vormen die men ‘zandgolven’ noemt. Deze moderne zandgolven bevatten grote kruiselingse beddingen bestaand uit zand met een hoog kwartsgehalte. Daarom heeft Visher het Coconino zandsteen geïnterpreteerd als zandgolven gevormd door water en niet door wind. Dit staat lijnrecht tegenover de claims van Young, die welbeschouwd slechts de herhaalde mening is van andere evolutionistische geologen.

Er is nog meer bewijs dat ernstige twijfel oproept over het denkbeeld dat de Coconino zandsteen kruiselingse beddingen werden gevormd in de woestijn. De gemiddelde helling van de kruiselingse beddingen in het Coconino Zandsteen is ongeveer 250 met de horizon, minder dan de gemiddelde helling van zandruggen in de meeste hedendaagse woestijnen. Die zandruggen hellen met meer dan 250, met sommige zelfs 300 tot 340, de stabiele hoek van droog zand. Daarentegen hebben moderne oceanische zandgolven geen zogenaamde lawinezijden zoals normaal is in woestijnduinen, en hebben gemiddeld dus lagere hellingen van kruiselingse beddingen.

Visher wijst ook op ander positief bewijsmateriaal voor accumulatie van het Coconino zandsteen in water. Binnen het Coconino zandsteen vinden we een eigenschap die bekend staat onder de technische naam ‘parting lineation’ (‘verwijderende lijnen’ ). Deze worden gewoonlijk gevormd aan het oppervlak gedurende kort en krachtige erosiestoten onder snelstromend water. Dit effect is niet bekend bij zandduinen in woestijnen. Visher gebruikt ook deze eigenschap als bewijsmateriaal voor krachtige waterstromen die het zand verzamelen en zo het Coconino zandsteen vormden.

Ook heeft Visher opgemerkt dat de korrelgrootte van zand binnen zandsteen een weerspiegeling is van het proces dat het zand deponeerde. Hij verrichtte onderzoek naar de zandkorrelgrootte van het Coconino Zandsteen en van moderne zandgolven, en concludeerde dat het Coconino zandsteen niet erg veel leek op dat van duinzand in moderne woestijnen.

Hij ontdekte ook dat het gekraterde oppervlakte niet typerend is voor het laatste proces dat de zandkorrels heeft afgezet (het vormen van dergelijke putjes kan bijvoorbeeld eerst door de wind gebeuren, gevolgd bij herplaatsing door water), maar de vorming van dergelijk putjes en het matte oppervlak van de zandkorrels kan ook buiten een woestijn omgeving gebeuren [13]. Zo hebben geologen bijvoorbeeld beschreven hoe putjes op het oppervlak van zandkorrels kunnen ontstaan door chemische processen tijdens het cementeren van de korrels.

Zandgolf afzettingen


Figuur 5. Schematisch weergave die de vorming van cross-beds toont gedurende de afzetting van zand door verplaatsing van onderwater zandgolven als gevolg van een voortdurende waterstroom.

Er is nu een aanzienlijke hoeveelheid bewijsmateriaal beschikbaar wat aantoont dat het Coconino zandsteen is afgezet door water en dus geen woestijnafzetting is zoals wordt beweerd door veel evolutionistische geologen, inclusief christenen zoals David Young.

De ‘cross-beds’ in het Coconino zandsteen (dat wil zeggen de hellende beddingen van zand binnen de totale horizontale laag van zandsteen) vormen uitstekend bewijsmateriaal dat oceaanstromingen het zand snel transporteerden als duinachtige heuvels die wij zandgolven noemen. [14]

Figuur 5 toont vanuit observaties de wijze waarop zandgolven kruiselingse zandbeddingen vormen in zandlagen. Het water stroomt over het zandoppervlak en zorgt voor ophoping van zand. De stroming transporteert zand van het stroomopwaartse deel van de zandgolf en zet het af als hellende lagen op de stroomafwaartse zijde van de zandgolf. Zo beweegt de zandgolf in de stroomrichting terwijl de hellende lagen voortdurend worden afgezet op de stroomafwaartse zijde van de zandgolf.

Voortdurende erosie van zand door de stroming verplaatst zowel de voorzijde als de top van de zandgolf. Normaliter het enige deel dat bewaard blijft, is de onderste helft van de stroom afwaartse zijde. Continuerend zandtransport zal leiden tot herhaalde lagen met hellende kruiselingse afzettingen. Deze worden op elkaar gestapeld.

Zandgolven zijn waargenomen op de oceaanbodem en in rivieren, maar zijn ook tijdens laboratoriumproeven geproduceerd. Er is aangetoond dat er een relatie bestaat tussen de hoogte van de zandgolfen de waterdiepte. [15] Als de waterdiepte toeneemt neemt ook de hoogte van ontstane zandgolven toe. De hoogte van de zandgolven is ongeveer één/vijfde van de waterdiepte. Ook heeft men de stroomsnelheden gemeten waarbij stromend water zandgolven veroorzaakt.

We hebben dus de middelen om de diepte en de stroomsnelheid van het water te berekenen, dat verantwoordelijk was voor de verplaatsing van de zandgolven van het zand wat we nu kennen als de kruiselingse beddingen van het Coconino zandsteen. De dikste pakketten van kruiselingse beddingen tot nu toe gerapporteerd in het Coconino zandsteen zijn 9 meter dik. [16] Kruiselingse beddingen van die hoogte betekenen dat de zandgolven tenminste 18 meter hoog waren en een waterdiepte van 90 tot 95 meter. Voor een dergelijke waterdiepte is een minimumsnelheid nodig van 1 m/s. De maximale stroomsnelheid was ca. 1,65 m/s.

Experimenteel onderzoek en observaties tonen aan dat buiten die snelheden, alleen vlakke zandbedden worden gevormd.

Om in zulk diep water het zandvolume te hebben getransporteerd waar nu het Coconino zandsteen uit bestaat moeten deze stroomsnelheden waarschijnlijk enkele dagen uit één richting hebben geduurd. Moderne getijden en normale oceaanstromingen hebben niet zulke snelheden in de open oceaan, hoewel diepzeestromingen bij geografische vernauwingen snelheden bereiken variërend tussen 0,5 tot 2,5 meter per seconde. Dus catastrofale gebeurtenissen vormen het enige mechanisme, dat hoge snelheid oceaanstromen over een uitgestrekt gebied kunnen veroorzaken.

Van orkanen wordt verondersteld dat ze moderne zandgolven van kleinere grootte maken dan die de ‘cross-beds’ in het Coconino zandsteen hebben geproduceerd. Er zijn echter geen rapportages bekend van orkaangedreven stromen die deze snelheden in diep water benaderen. De grootste stroomsnelheden in moderne oceaanstromingen die bekend zijn, zijn veroorzaakt door een tsunami of ‘vloedgolf’.

In ondiepe oceanen heeft men door tsunamis veroorzaakte stromingen gemeten van 5 m/s. Stroming in één richting hebben aangehouden gedurende uren. [19] Zo’n gebeurtenis zou in staat zijn grote hoeveelheden zand te verplaatsen, en in het afnemende stadium reusachtige zandgolven kunnen opbouwen in diep water. Een tsunami geeft dus de beste moderne analogie om te begrijpen hoe zulke kruislingse afzettingen zich op een grote schaal zoals in het Coconino Zandsteen konden vormen.

De zondvloed?

We kunnen ons nu voorstellen hoe de zondvloed het Coconino zandsteen (en gelijksoortige afzettingen) kon afzetten.

Een oppervlakte van 518.000 km2 ;
een gemiddelde dikte van 96 m;
en een hoeveelheid zand die wordt geschat op 41.700 km3.

Maar waar kon al dit zand vandaan komen?
De “cross beds” in het Coconino zandsteen wijzen hoofdzakelijk naar het zuiden, hetgeen betekent dat het zand uit het noorden kwam. Maar langs de noordelijke rand rust het Coconino direct op de Hermit Formatie, die bestaat uit silt (slib) en schalie en die kunnen dus niet de grote bron zijn van al het zand van het type dat nu gevonden wordt in het Coconino Zandsteen. Dus moet dit enorme volume zand zijn getransporteerd over een zeer grote afstand, wellicht 320 – 480 km. Bij de snelheden die wij nu inschatten kon het zand in enkele dagen over zo’n afstand zijn getransporteerd!

Dus het bewijsmateriaal binnen het Coconino Zandsteen is geen onderbouwing voor de evolutionistische geologische verklaring van een langzaam en geleidelijke zandafzetting in een woestijnomgeving met duinen die beklommen werden door vierpotige gewervelde. In tegendeel, zorgvuldige bestudering, ondersteund door experimenten en waarnemingen van processen die tegenwoordig plaatsvinden, wijzen op catastrofale afzettingen van zand in diep snelstromend water in enkele dagen tijd. Dit is volledig in overeenstemming met de omstandigheden tijdens de zondvloed.



Referenties en aantekeningen

[1] Morris, J.D., Cumming, K.B. and Ham, K.A., in press. The grandest of canyons. In: Grand Canyon — Monument to Catastrophe, S.A. Austin (ed.), Institute for Creation Research, San Diego, chapter 1, p. 1.
[2] Baars, D.L., 1962. Permian System of the Colorado Plateau. American Association of Petroleum Geologists Bulletin, vol. 46, pp. 200–201.
[3] Middleton, L.T., Elliott, D.K. andMorales, M., 1990. Coconino Sandstone. In: Grand Canyon Geology, S.S. Beus and M. Morales (eds), Oxford University Press, New York, and Museum of Northern Arizona Press, chapter 10, pp. 183–202.
[4] McKee, E.D., 1947. Experiments on the development of tracks in fine cross-bedded sand. Journal of Sedimentary Petrology, vol. 17, pp. 23–28.
[5] Blakey, R.C., 1990. Supai Group and Hermit Formation. In: Grand Canyon Geology, S.S. Beus and M. Morales (eds), Oxford University Press, New York, and Museum of Northern Arizona Press, chapter 9, pp. 147–202.
[6] Turner, C.E., 1990. Toroweap Formation. In: Grand Canyon Geology, S.S. Beus and M. Morales (eds), Oxford University Press, New York, and Museum of Northern Arizona Press, chapter 11, pp. 203–223.
[7] Young, D.A., 1990. The discovery of terrestrial history. In: Portraits of Creation, H.J. Van Till, R.E. Shaw, J.H. Stek and D.A. Young (eds), William B. Eerdmans, Grand Rapids, Michigan, chapter 3, pp. 80–81.
[8] Brand, L.R., 1979. Field and laboratory studies on the Coconino Sandstone (Permian) vertebrate footprints and their paleoecological implications. Palaeogreography, Palaeoclimatology, Palaeoecology, vol. 28, pp. 25–38.
[9] Brand, L.R. and Tang, T., 1991. Fossil vertebrate footprints in the Coconino Sandstone (Permian) of northern Arizona: Evidence for underwater origin. Geology, vol. 19,pp. 1201–1204.
[10] Monastersky, R., 1992. Wading newts may explain enigmatic tracks. Science News, vol. 141 (1), p. 5.
[11] Geology Today, vol. 8(3), May–June 1992, pp, 78–79 (Wet tracks).
[12] Visher, G.S., 1990. Exploration Stratigraphy, 2nd edition, Penn Well Publishing Co., Tulsa, Oklahoma, pp. 211–213.
[13] Kuenen, P.H. and Perdok, W.G., 1962. Experimental abrasion — frosting and defrosting of quartz grains. Journal of Geology, vol. 70, pp. 648–658.
[14] Amos, C.L. and King, E.L., 1984. Bedforms of the Canadian eastern seaboard: a comparison with global occurrences. Marine Geology, vol. 57, pp. 167–208.
[15] Allen, J.R.L., 1970. Physical Processes Sedimentation, George Allen and Unwin Ltd, London, p. 78.
[16] Beus, S.S., 1979. Trail log third day: South Kaibab Trail, Grand Canyon, Arizona. In: Carboniferous Stratigraphy in the Grand Canyon Country, Northern Arizona and Southern Nevada, S.S. Beus and R.R. Rawson (eds), American Geological Institute, Falls Church, Virginia, p. 16.
[17] Lonsdale, P. and Malfait, B., 1974. Abyssal dunes of foraminiferal sand on the Carnegie Ridge. Geological Society of America Bulletin, vol. 85, pp. 1697–1712.
[18] Rubin, D.N. and McCulloch, D.S., 1980. Single and superimposed bedforms: a synthesis of San Francisco Bay and flume observations. Sedimentary Geology, vol. 26, pp. 207–23 1.
[19] Coleman, P.J., 1978. Tsunami sedimentation. In: The Encyclopedia of Sedimentology, R.W. Fairbridge and J. Bourgeois (eds), Dowden, Hutchinson and Ross, Stroudsburg, Pennsylvania, pp. 828–831.

Originele Engelse tekst op: http://www.answersingenesis.org/creation/v15/i1/flood.asp