Wie heeft God gemaakt?

Free-Photos / Pixabay

Een aantal sceptici stelt de vraag: ‘Wie heeft God gemaakt?’ Maar God is per definitie de ongeschapen Schepper van het universum, dus de vraag ‘Wie heeft God gemaakt?’ is onlogisch, net als ‘Met wie is de vrijgezel getrouwd?’.

Een wat meer verfijnde denker zou kunnen vragen: ‘Als het universum een oorzaak nodig heeft, waarom heeft God dan geen oorzaak nodig? En als God geen oorzaak nodig heeft, waarom het universum dan wel?’ Als antwoord hierop zouden christenen de volgende redenatie kunnen geven:

  1. Alles dat een begin heeft, heeft een oorzaak.1
  2. Het universum heeft een begin.
  3. Daarom heeft het universum een oorzaak.

Het is belangrijk de vetgedrukte woorden te benadrukken. Het universum vereist een oorzaak, want het heeft een begin, zoals hieronder aangetoond zal worden. God daarentegen heeft geen begin, dus hoeft Hij geen oorzaak te hebben. Hij hoeft niet te worden geschapen. Bovendien toont de relativiteitstheorie van Einstein, waarvoor veel experimentele steun bestaat, aan dat tijd verband houdt met materie en ruimte. Dus de tijd zelf moet samen met materie en ruimte zijn begonnen.

Aangezien God, per definitie, de Schepper is van het gehele universum, is Hij de Schepper van de tijd. Derhalve is Hij niet gelimiteerd door tijdsdimensies die Hij zelf schiep en heeft Hij dus geen begin — God is ‘de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont’ (Jesaja 57:15). Daarom heeft hij geen oorzaak.

Daarentegen bestaat er goed bewijsmateriaal voor het hebben van een begin van het universum. Dit kun je aantonen met behulp van de wetten van de thermodynamica, de meest fundamentele wetten van de natuurwetenschappen.

  • 1e wet: De totale hoeveelheid massa-energie in het universum is constant.2
  • 2e wet: De voor arbeid beschikbare energie (werkbare energie) neemt voortdurend af, anders gezegd: de entropie neemt voortdurend toe tot een maximum.3

Indien de totale hoeveelheid massa-energie gelimiteerd is en de hoeveelheid werkbare energie afneemt, kan het universum niet altijd hebben bestaan, anders zou het reeds lang alle bruikbare energie hebben uitgeput — de ‘warmtedood’ van het universum. Alle radioactieve atomen zouden bijvoorbeeld vervallen zijn, elk deel van het universum zou dezelfde temperatuur hebben en er zou geen enkele activiteit meer mogelijk zijn.

De voor de hand liggende conclusie is dus, dat het universum een eindige hoeveelheid tijd geleden moet zijn ontstaan met een grote hoeveelheid werkbare energie, die nu afneemt.

Wat nu, als de vraagsteller accepteert dat het universum een begin had, maar niet dat het een oorzaak nodig heeft? Het is echter vanzelfsprekend dat alle dingen die beginnen een oorzaak hebben — niemand zal dat in z’n binnenste ontkennen. De hele wetenschap en de geschiedenis zouden in elkaar storten indien je deze wet van oorzaak en gevolg zou ontkennen. Hetzelfde geldt voor de wetshandhaving, als de politie zou vinden dat ze geen oorzaak hoeven te vinden voor een neergestoken lichaam of een ingebroken huis.

Evenzo kan het universum zichzelf niet hebben veroorzaakt — niets kan zichzelf scheppen, want dat zou betekenen dat het bestond voordat het ontstond, en dat is een logische absurditeit.

Samengevat

  • Het kan worden aangetoond dat het universum (inclusief de tijd zelf) een begin heeft gehad.
  • Het is onredelijk om te geloven, dat iets zou kunnen beginnen te bestaan zonder een oorzaak.
  • Derhalve vereist het universum een oorzaak, zoals de Bijbel dat leert in Genesis 1:1 en in Romeinen 1:20.
  • God, als Schepper van de tijd, staat buiten de tijd. Aangezien Hij daarom geen begintijd heeft, heeft Hij altijd bestaan en heeft Hij geen oorzaak nodig.

Tegenwerpingen

Er zijn slechts twee manieren om een argument aan te vechten:

  1. Toon aan dat het logisch gezien ongeldig is.
  2. Toon aan dat tenminste één van de aannames (vooronderstellingen) niet juist is.

1. Is het argument juist?

Een geldig argument is er een waarvoor het onmogelijk is dat de aannames waar zijn en de conclusie onwaar. Merk wel op dat de geldigheid niet afhangt van de waarheid van de aannames, maar van de vorm van het argument. Het argument in dit artikel is geldig; het is van dezelfde vorm als: alle walvissen hebben een ruggengraat; Moby Dick is een walvis; daarom heeft Moby Dick een ruggengraat. Dus de enige hoop voor een scepticus is om een of beide aannames te betwisten.

2. Zijn de aannames juist?

Heeft het universum een begin?

Opvattingen over een oscillerend universum zijn gepopulariseerd door atheïsten zoals de bekende wijlen Carl Sagan en Isaac Asimov, enkel en alleen met de bedoeling het idee te vermijden dat het universum een begin heeft en daarmee de implicaties van een Schepper. Maar zoals hierboven aangetoond halen de wetten van de thermodynamica dit argument onderuit. Zelfs een oscillerend universum kan niet om deze wetten heen. Elk van de hypothetische cycli zou de hoeveelheid beschikbare werkbare energie meer en meer uitputten.

Dit betekent dat elke cyclus groter en langer moet zijn dan de vorige, en als je dan terugkijkt in de tijd zouden de cycli kleiner en kleiner worden. Het multicyclusmodel zou een oneindige toekomst kunnen hebben, maar kan enkel een eindig verleden hebben, een begin.4

Tevens zijn er meerdere bewijslijnen die aantonen dat er veel te weinig massa is om de uitdijing te stoppen als gevolg van de zwaartekracht en om het oscilleren überhaupt mogelijk te maken. Oftewel: het universum is ‘open’.Volgens de gunstigste schattingen (zelfs als we oude-aarde-aannames zouden toestaan), heeft het universum slechts ongeveer de helft van de massa die nodig is voor de samentrekking. Dit is inclusief zowel lichtgevende als niet-lichtgevende materie (die gevonden wordt in galactische halo’s) en met inachtneming van de mogelijke bijdrage van neutrino’s aan de totale massa.5 Recent bewijs voor een ‘open’ universum komt van de het aantal lichtafbuigende ‘gravitatielenzen’ in de ruimte.6

Ook een analyse van het Type Ia supernova’s laat zien dat het uitdijingstempo niet genoeg afneemt om een gesloten universum mogelijk te maken.7,8,9 Het lijkt erop, dat er slechts 40-80% van de vereiste materie aanwezig is om een big crunch te veroorzaken. Toevalligerwijs is deze lage massa ook een groot probleem voor de momenteel populaire ‘inflatie’-versie van de oerknaltheorie, omdat het een massadichtheid op de drempel van instorten voorspelt — een ‘plat’ universum.

Tenslotte, is er geen enkel mechanisme bekend dat een terugslag zou toestaan na een hypothetische ‘big crunch’.10 Wijlen hoogleraar Beatrice Tinsley van Yale verklaarde zelfs dat zelfs al zou de wiskunde zeggen dat het universum oscilleert, “er geen fysisch mechanisme bestaat dat een catastrofale ‘big crunch’ kan doen omkeren”. In de echte wereld van de fysica beginnen al die modellen met een Big Bang, zetten uit, storten in elkaar en dat is dan het einde.11

Het ontkennen van oorzaak en gevolg

Enkele fysici houden vol dat de kwantummechanica dit oorzaak/gevolgprincipe overtreedt en iets uit niets kan produceren. Paul Davies schrijft bijvoorbeeld: … ruimtetijd zou uit ‘niets’ kunnen ontstaan als gevolg van een kwantumovergang. … Deeltjes kunnen ontstaan uit het niets zonder specifieke oorzaak … Toch produceert de wereld van de kwantummechanica met zekere regelmaat iets uit niets.12 Maar dit is een grof misbruik van de kwantummechanica. Kwantummechanica produceert nooit iets uit niets. Davies zelf gaf op de pagina ervoor toe dat zijn scenario ‘niet al te serieus genomen moet worden.’ Theorieën die zeggen dat het universum een kwantumfluctuatie is, moeten het vooreerst hebben van de stelling dat er iets was om te fluctueren — hun ‘kwantumvacuüm’ heeft een hoog materie-antimateriepotentieel — niet ‘niets’.

Daarnaast heb ik zelf veel theoretische en praktische ervaring in kwantummechanica (KM) vanuit mijn proefschrift. Bijvoorbeeld, Ramanspectroscopie is een KM-verschijnsel, maar met het golfgetal en de intensiteit van spectraalbanden kunnen we de massa’s van de atomen en krachtconstantes van bindingen die die banden veroorzaken uitwerken.

Om het atheïstische standpunt dat het universum is ontstaan zonder aanleiding te kunnen helpen, zou men Ramanbanden moeten zien verschijnen die niet worden veroorzaakt door overgangen in de vibrationele kwantumtoestanden. Of men moet alfadeeltjes zien verschijnen zonder reeds bestaande kernen, enzovoorts.

Indien KM zo niet-causaal is als sommigen menen, dan zouden we niet mogen aannemen, dat deze verschijnselen een oorzaak hebben. Dan zou ik net zo goed mijn proefschrift kunnen verbranden. Ook zouden dan alle spectroscopievakbladen maar moeten stoppen, en hetzelfde zou gelden voor elk nucleair fysisch onderzoek.

Als er geen oorzaak is, kan men ook niet uitleggen waarom dit specifieke universum ontstond op een specifieke tijd, noch waarom het een universum werd en geen banaan of kat, om maar iets te noemen. Dit universum kan geen eigenschap hebben die verklaart waarom dit universum ontstaan is op de manier dat het nu is, omdat het geen enkele eigenschap zou hebben tot het ook daadwerkelijk begon te bestaan.

Is schepping door God rationeel?

Een laatste wanhopige tactiek van sceptici om een theïstische conclusie te vermijden is te beweren dat schepping in tijd onsamenhangend is. Davies wijst er terecht op dat, aangezien de tijd zelf is begonnen met het begin van het universum, het zinloos is om te spreken over wat er gebeurde ‘voordat’ het universum begon. Maar hij claimt dat er aan elk gevolg een oorzaak vooraf moet gaan. Dus als er niets is gebeurd ‘voor’ het universum begon, dan is het (volgens Davies) zinloos om over een oorzaak voor het begin van het universum te spreken.

Echter, de filosoof (en nieuwtestamenticus) William Lane Craig, wijst er in een bruikbare kritiek op Davies op,13 dat Davies hierin gebrek toont aan filosofische kennis. Filosofen hebben allang gediscussieerd over het begrip van simultane veroorzaking. Immanuel Kant (1724–1804) gaf daarbij het voorbeeld van een gewicht dat rust op een kussen en tegelijkertijd het kussen indrukt. Craig zegt:

‘Het eerste tijdsmoment is het moment van Gods scheppingsdaad en van het gelijktijdige ontstaan van de schepping.’

De kritiek op Davies van Marc Kay, The Mind of God (Het Verstand van God) wijdt uit over verdere logische en fysische drogredenen van Davies’ redenering.14 Sommige sceptici stellen dat dit slechts proefanalyses zijn, omdat dat het karakter is van wetenschap. Dus kan dit niet gebruikt worden om schepping door God te bewijzen. Natuurlijk kunnen sceptici niet van twee walletjes snoepen: eerst zeggen dat de Bijbel het verkeerd heeft omdat de wetenschap dat bewezen heeft, maar als de wetenschap in overeenstemming met de Bijbel lijkt te zijn, ineens zeggen dat de wetenschap toch niet helemaal zeker is.

 

Referenties en aantekeningen

  1. Eigenlijk heeft het woordje ‘oorzaak’ meerdere betekenissen in de filosofie. Maar in dit artikel, gebruik ik het als de efficiënte oorzaak, het hoofdmiddel waardoor iets wordt gemaakt.
  2. Feitelijk schrijft deze 1e hoofdwet, ook wel bekend als de wet van behoud van energie, dat er geen energie verloren kan gaan noch uit het niets kan ontstaan. Het is echter wel mogelijk de ene vorm van energie in een ander om te zetten.
  3. Anders gezegd: de waarde (of kwaliteit) van de energie zal zelfs bij de meest ideale procesvoering voortdurend afnemen.
  4. Novikov, I.D. and Zel’dovich, Ya. B., 1973. Physical Processes Near Cosmological Singularities. Annual Review of Astronomy and Astrophysics 11:387–412. Op p. 402, wijzen de auteurs op het volgende: elke cyclus is verwikkeld met onomkeerbare entropievorming. Als het baryongetal constant blijft, moeten de totale hoeveelheid massa en druk van cyclus naar cyclus allebei groter worden. Vandaar dat de maximale straal ook van cyclus naar cyclus groter moet worden, zoals te zien is in Figuur 4. Het multicyclusuniversum heeft daarom een oneindige toekomst, maar slechts een eindig verleden.
  5. Schramm, D.N. and Steigman, G., 1981. Relic Neutrinos and the Density of the Universe. Astrophysical Journal 243:1–7.
  6. Watson, A., 1997. Clusters point to Never Ending Universe. Science 278(5342):1402.
  7. Perlmutter, S. et al., 1998. Discovery of a supernova explosion at half the age of the universe. Nature 391(6662):51. Perspective by Branch, D. Destiny and destiny. Same issue, pp. 23–24.
  8. Branch, D., 1998, Destiny and destiny, Nature 391(6662):23–24, 1998.
  9. Glanz, J. New light on the fate of the universe. Science 278(5339):799–800.
  10. Guth, A.H. and Sher, M., 1983. The Impossibility of a Bouncing Universe. Nature 302:505–507.
  11. Tinsley, B., 1975. From Big Bang to Eternity? Natural History Magazine. October, pp. 102–5. Cited in Craig, W.L., 1984. Apologetics: An Introduction, Chicago: Moody, p. 61.
  12. Davies, P., 1983. God and the New Physics, Simon & Schuster, p. 215.
  13. Craig, W.L., 1986. God, Creation and Mr Davies. Brit. J. Phil. Sci. 37:163–175.
  14. Kay, M., 1996. Of Paul Davies and The Mind of GodJ. Creation 10(2):188–193.