Hoe zit het met de “big bang”?

Zelfs de gedachte van een uitdijend heelal wordt bekritiseerd door sommige astronomen

In zijn boek, A brief history of Time, identificeert de bekende Britse natuurkundige, Stephen W. Hawking, de uiteindelijke vraag achter alles: ‘Tegenwoordig verlangen wij nog steeds te weten waarom wij hier zijn en waar wij vandaan kwamen.’1

In het laatste hoofdstuk van zijn boek zegt hij:

‘We bevinden onszelf in een onthutsende wereld. We willen begrijpen wat wij om ons heen zien, en vragen ons af: Hoe ziet het heelal eruit? Wat is onze plaats erin en waar kwam dit en wijzelf vandaan? Waarom is het zoals het is?’2

Hawking geeft toe dat de belangrijke vraag—waarom het heelal bestaat—niet beantwoord kan worden met vergelijkingen en theorieën.

‘Zelfs als er slechts één mogelijke verenigde theorie zou zijn, is het slechts een verzameling regels en vergelijkingen. Wat blaast vuur in de vergelijkingen en maakt een heelal voor hen om te beschrijven?’3

Niettemin, hij eindigt zijn boek door zich te beperken tot vergelijkingen, in plaats van naar hun Auteur te zoeken.

‘Als we echter ooit een complete theorie ontdekken, zal deze te zijner tijd begrepen worden (…) door iedereen, niet alleen door een paar wetenschappers. Dan zullen wij allemaal (…) in staat zijn deel te nemen aan de discussie over de vraag waarom wij en het heelal bestaan. Als wij daarop het antwoord vinden, zou het de ultieme triomf zijn van de menselijk geest—omdat wij dan de gedachten van God kennen.’4

Zoals zovele astronomen en fysici, probeert Hawking het heelal te verklaren zonder zijn Schepper te erkennen. Isaac Newton (1642–1727), waarschijnlijk de grootste fysicus aller tijden, en een voorganger van Hawking in dezelfde leerstoel aan de Universiteit van Cambridge, geloofde stellig dat het zonnestelsel was geschapen door God.

Het idee dat het zonnestelsel begon met een maalstroom van materiebegon bij Immanuel Kant (1724–1804). Vele hedendaagse kosmologen beschrijven het heelal in termen van evolutionistische ontwikkeling en de meeste accepteren de zogenoemde ‘big bang’-theorie (de Oerknaltheorie).

Volgens deze theorie begon het heelal ongeveer 10 tot 20 miljard jaar geleden als  een onvoorstelbaar klein stukje ruimte (of een enkel punt met enorme hoeveelheid energie) die sindsdien begon uit te dijen. De belangrijkste waarneming die het concept van een uitdijend heelal ondersteund is de roodverschuiving van het licht van verre sterren.

Deze veronderstelde uitdijing kan niet direct worden waargenomen, maar licht dat van verre melkwegstelsels komt, lijkt langere golflengten te hebben (d.w.z. roder te worden) naarmate de afstand groter wordt. Dit wordt ofwel toegeschreven aan het dopplereffect (de golflengten van het licht worden uitgerekt als de melkwegstelsels van elkaar weg bewegen) of het relatieve uitrekken van de ruimte tussen de sterren omdat het heelal uitdijt. De ‘big bang’ theorie suggereert dat het heelal oorspronkelijk samengeperst was in een heet en dicht ‘kosmisch ei,’ en later bij het ouder worden, uitdijde.

Dit artikel biedt niet de mogelijkheid voor een volledige discussie van het bewijsmateriaal voor en tegen een ‘big bang’; desalniettemin hebben veel ontdekkingen in de laatste jaren (uitgevoerd met betere instrumenten en observatietechnieken) deze theorie herhaaldelijk laten schudden.5 Interpretaties van de beschikbare feiten in termen van huidige kosmologische modellen leiden al snel tot onoplosbare inconsistenties. Er is een toenemend aantal astronomen dat inhoudelijke argumenten aanvoert tegen deze theorie.

Als het heelal ontstaan zou zijn uit een ‘Oerknal’, dan zou de materie gelijk verdeeld moeten zijn. Maar de massaverdeling is juist extreem ongelijk. Dat betekent dat de massa verzameld is in zones en vlakken rondom relatief lege gebieden. Twee astronomen, Geller and Huchra, begonnen met een meetprogramma, verwachtend dat zij bewijs zouden vinden om het ‘big bang’-model te ondersteunen. Door grote sterrenkaarten samen te stellen, hoopten zij aan te tonen dat de massa uniform verdeeld is in de kosmos (op een voldoende grote schaal).

Hoe verder zij kwamen met hun cartografisch overzicht van de ruimte, hoe duidelijker het werd dat verre sterrenstelsels samengevoegd zijn alsof het kosmische continenten zijn achter bijna lege stukken ruimte. Deze ontdekking heeft het ‘big bang’ model op zijn grondvesten doen schudden.

Een toevoeging is dat de zichtbare sterrenstelsels niet voldoende massa hebben om het bestaan en de verdeling ervan te kunnen verklaren. Maar de ‘big bang’-theorie werd niet verworpen. In plaats daarvan werd een mysterieus, onbekend en nooit waargenomen vorm van materie, ‘zwarte materie’, geïntroduceerd. Zonder enig direct bewijsmateriaal wordt de massa van deze materie verondersteld tien keer zo dicht te zijn als normale zichtbare massa.

Een criticus van de ‘big bang’-theorie, Ernst Peter Fischer, natuurkundige en bioloog uit Constance, Duitsland, bezint zich op de populariteit van dit model. Hij verwijst naar de…

‘…waarschuwing van [natuurkundige en filosoof] Carl Friedrich von Weizsäcker dat een maatschappij die het idee accepteert dat het heelal ontstaan kon zijn uit een explosie, meer openbaart over die maatschappij dan over het heelal. Niettemin worden de vele waarnemingen van de laatste 25 jaar die het standaardmodel weerspreken eenvoudigweg genegeerd. Als feit en theorie elkaar tegenspreken, moet een van beide het veld ruimen.’6

Een andere criticus van de ‘big bang’-theorie is Halton C. Arp was verbonden aan het wereldberoemde Mt. Wilson-observatorium, Pasedena (VS) en het Las Campanas-observatorium in Californie. Hij legt de redenen voor het afwijzen van de ‘big bang’-theorie uit in een opmerkelijk artikel, ‘Der kontinuierlicher Kosmos’ (de continue kosmos):

‘Sinds de oudheid hebben de ideeën omtrent het universum nogal gevarieerd, afhankelijk van aannames over feitelijke observaties. Het huidige ‘big bang’-model is al meer dan zestig jaar het standaard model. Maar ondertussen is het aantal waarnemingen toegenomen dat de aanname ontkent dat de roodverschuiving van het licht van verre melkwegstelsels kan worden verklaard door recessieve beweging.’7

Met andere woorden: zelfs het idee dat het universum uitdijt wordt door sommige astronomen onder vuur genomen.

Arp vervolgt zijn ‘big bang’-kritiek en roept de wetenschappelijke community op om het af te wijzen.

‘Naar mijn mening zeggen de observaties iets anders; ze roepen om een andere kijk op het universum. Ik geloof dat de ‘big bang’-theorie vervangen zou moeten worden omdat het geen geldige theorie meer is.’8

Professor Hans Jörg Fahr van het “Institute for Astrophysics” van de universiteit van Bonn, Duitsland, schrijft over de ondergang van de ‘big bang’-theorie in zijn boek ‘Der Urknall kommt zu Fall’ (De Oerknal komt ten val).

‘Het universum is twintig miljard jaar geleden in een kosmische explosie ontstaan (de Oerknal), het is sindsdien uitgedijt en zal daarmee door blijven gaan tot het einde der tijden (…) Dit klinkt overtuigend en wordt tegenwoordig binnen de heersende stroming door alle ‘vrije filosofen’ geaccepteerd.

Maar het zou duidelijk moeten zijn dat een doctrine die zo luidkeels wordt verkondigd, niet noodzakelijkerwijs dicht bij de waarheid staat. In het vakgebied van de kosmologie is de breed geaccepteerde ‘big bang’-theorie niet overtuigender dan een van de andere alternatieven. In feite is het zo dat er verbazingwekkend veel andere alternatieven zijn’9

Dr. James Trefil (hoogleraar natuurkunde aan de Mason University, Virginia) accepteert de ‘big bang’-theorie, maar erkent dat er een noodtoestand heerst als het gaat om de fundamentele aspecten omtrent het verklaren waarom het universum bestaat.

‘Er zouden daar in de ruimte helemaal geen sterrenstelsels moeten zijn, en als ze er al waren dan zouden ze niet zo bij elkaar gegroepeerd moeten zijn zoals nu het geval is.’ Hij vervolgt verderop: ‘Het verklaren van de aanwezigheid van sterrenstelsels is binnen de kosmologie het meest stekende probleem gebleken. Ze zouden daar gewoonweg niet moeten zijn, maar ze zijn er toch. Het is moeilijk uit te leggen hoeveel frustratie dit simpele feit oproept onder wetenschappers.’10

Het is erg jammer dat veel christenen bereid zijn het onfeilbare Woord van God te ‘herinterpreteren’ om het in te passen in een feilbare, door de mens gemaakte theorie zoals de ‘big bang’. Dergelijke ideeën zijn uiteindelijk bedoeld om het Bijbelse verslag, dat overduidelijk tegen een kosmische evolutie van miljarden jaren is, te ontkrachten.

Voor degene die aansporen om de ‘big bang’ te verenigen met de Bijbel is het vrij natuurlijk om hierin verder te gaan met andere evolutionistische ideeën zoals een ‘primitieve aarde’ die geleidelijk afkoelt, dood, en strijd miljoenen jaren voor de zondeval enzovoort.

Mijn weloverwogen mening hierover is als volgt: zolang we proberen het universum uit te leggen zonder rekening te houden met de Schepper en de door Hem gegeven Bijbelse verklaringen, zal het ons blijven duizelen van de opeenvolgingen van ingenieuze kosmologische ideeën, waarvan geen van allen bij de waarheid in de buurt zal komen.11

Dit artikel is een bewerking ontleend uit Dr Gitt’s boek Stars and their Purpose: Signposts in Space.

Sterren kunnen niet zijn ontstaan door de ‘big bang’

Evolutionisten geloven over het algemeen dat sterren zijn ontstaan door het ineen storten van gaswolken als gevolg van zwaartekracht. Hier wordt dan van aangenomen dat het de benodigde temperatuur (miljoenen graden Celsius) geeft voor nucleaire fusie.

Maar de meeste wolken zouden zo heet worden, dat de buitenwaartse druk deze samentrekking voorkomt. Evolutionisten moeten dus een manier vinden waarop de wolk afkoelt. Een mogelijk mechanisme hiervoor zou de botsing van moleculen in de wolk kunnen zijn, die daarbij genoeg hitte kwijtraken door warmtestraling.

Maar volgens de theorie creëerde de ‘big bang’ slechts waterstof met een beetje helium. De andere elementen zouden, naar men aanneemt, gevormd zijn in de sterren. Helium kan geen moleculen vormen, dus het enige molecuul dat gevormd zou kunnen worden is waterstof (H2). Zelfs dit wordt door UV-licht vrij gemakkelijk weer afgebroken. Sowieso zijn voor de vorming van waterstofmoleculen stofdeeltjes nodig en stofdeeltjes vereisen zwaardere elementen. Het enige koelmiddel dat dus overblijft is atomaire waterstof. Dit zou gaswolken geven die honderden malen te heet zouden zijn om samen te trekken.

Abraham Loed van het Harvard’s Center for Astrophysics zegt: ‘De waarheid is dat we de vorming van sterren op een fundamenteel niveau niet begrijpen.’1

Referenties

  1. Marcus Chown, ‘Let there be light’, New Scientist 157 (2120): 26-30, 7 februari 1998.

Referenties en aantekeningen

  1. A Brief History of Time—From the Big Bang to Black Holes, Bantam Books, New York, U.S.A., p. 13, 1998.
  2. Ref. 1, p. 171.
  3. Ref. 1, p. 174.
  4. Ref. 1, p. 175.
  5. H.J. Fahr, Der Urknall kommt zu Fall Kosmologie im Umbruch—Franckh-Kosmos Verlag, Stuttgart, Germany, 327 pages, 1992.
  6. E.P. Fischer (Ed.), Neue Horizonte 92/93—Ein Forum der Naturwissenschaften—Piper-Verlag, München, Germany, pp. 112–173, 1993.
  7. Ref. 6, p. 113.
  8. Ref. 6, p. 118.
  9. Ref. 5, pp. 9–10.
  10. Trefil, The Dark Side of the Universe. Charles Scribner’s Sons, Macmillan Publishing Company, New York, USA, p. 3 and p. 55, 1988.
  11. Zie ook “The mind of God and the big bang”, door R. Grigg Creation 15(4):38–43, 1993. en eveneens Galaxy-Quasar ‘Connection’ Defies Explanation door A. Snelling, CEN Technical Journal 11(3):254–5, 1994.