Hoe zit het met de IJstijd?

Hoe zit het met de IJstijd?
Door Ken Ham, Jonathan Sarfati, en Carl Wieland, red. Don Batten
Voor het eerst gepubliceerd in The Revised and Expanded Answers Book, Hoofdstuk 16.
Vertaling FZ, Werkgroep In Genesis

Hoeveel ijstijden waren er? Hoe past een ijstijd binnen het bijbelse verslag? Hoeveel van de aarde was bedekt met ijs? Hoe lang duurde de ijstijd? Hoe zit het met de bevroren mammoeten? Wat was het effect op mensen?

Het enige duidelijke bewijsmateriaal wat we hebben, duidt op één enkele ijstijd. We zien hiervan nog altijd overblijfselen, zoals gletsjers en U-vormige valleien die zijn uitgesleten. Deze ijstijd, zo zeggen evolutionisten, begon ongeveer twee miljoen jaar geleden en eindigde ongeveer 11.000 jaar geleden. Hij werd onderbroken door relatief warme perioden (interglacialen), die ongeveer 10% van de tijd duurden. De meeste creationisten geloven echter dat de ijstijd kort na de zondvloed begon en minder dan duizend jaar duurde. En inderdaad, zoals we later zullen zien, biedt de bijbelse zondvloed een goede basis om te kunnen begrijpen hoe die enkele ijstijd ontstond. Evolutionisten ondervinden echter grote moeilijkheden om verklaringen te geven voor welke ijstijd dan ook.[1] Volgens hun interpretatie zouden er meerdere ijstijden zijn geweest, ongeveer iedere 20-30 miljoen jaar.

Eerdere ijstijden?

Gebruikmakend van hun principe dat ‘het heden de sleutel is voor het verleden’[2] beweren evolutionisten dat er bewijsmateriaal is voor meerdere ijstijden. Echter, de veronderstelde overeenkomsten tussen gesteenten in deze geologische systemen en de specifieke kenmerken die geproduceerd zijn in de ijstijd, zijn niet consistent.[3-5]

In het heden, schuren gletsjers over het gesteente waar ze zich over verplaatsen en produceren daarbij een afzetting van door elkaar gemengd fijn en grof materiaal. Dit ongesorteerde materiaal staat bekend als till en als tilliet [red.1] wanneer het consolideert tot een rotseenheid. Ook schrapen de stenen die zijn ingebed in de parallel lopende krassen in het vaste gesteente waar de gletsjers over schuiven. Deze krassen worden aangeduid als gletsjerkrassen.

Wanneer in de zomer een gedeelte van de gletsjer smelt komt er ‘stof’ van het gesteente vrij, die wegspoelt in gletsjermeren en neerslaat. Dit vormt opeenvolgende lagen van fijn en grof materiaal. Deze lagen worden varven (sedimentaire jaarlaag) genoemd.[red.2] Soms breekt er een ijsgedeelte van de gletsjer of de ijskap die in het ijsmeer belandt. Eventueel ingesloten keien zullen op die manier in het meer terecht komen als het ijs verder smelt. Deze stenen vallen in het fijne sediment (varven) op de bodem van het meer met gevolg dat er soms stenen worden aangetroffen in de varven.

Geologen hebben beweerd dat deze kenmerken in oeroude gesteentelagen zijn aangetroffen. Dat zou bewijzen dat er eerdere ijstijden geweest zijn in de geologische geschiedenis. Vele bewijslijnen duiden er nu op, dat de waarnemingen verkeerd geïnterpreteerd zijn: [3]

  • Het tilliet van lager gelegen lagen beslaat slechts een klein oppervlak, is gewoonlijk dik, en waarschijnlijk allemaal ontstaan vanuit zee. De moderne gletsjers echter beslaan een relatief groot oppervlak, zijn dun en continentaal.
  • Er zijn kalkgesteenten en dolomieten die veel in verband worden gebracht met dit tilliet. Carbonaat verbindingen die zich vandaag de dag in warm water vormen, niet in koud water.
  • De grootste keien in het oude tilliet zijn veel kleiner dan de grote keien die momenteel door glaciale activiteit worden afgezet.
  • Onderwater (modder)stromingen, kunnen evenals tilliet-achtige sedimenten ook een gekraste ondergronden gekraste stenen in het tilliet produceren. Dergelijke stromingen zijn te verwachten in de zondvloed.
  • Troebelingsstromen [red.3] kunnen heel snel varve-achtige sedimentlagen afzetten. [6] De term ‘rhythmites’ is een preciezere aanduiding hiervoor. Een varve is gedefinieerd als een rhythmite afgezet in een jaar. Lambert en Hsu hebben bewijsmateriaal gepresenteerd van een Zwitsers meer, dat zulke varve-achtige rhythmites zich snel kunnen vormen bij catastrofale, troebelingsstromen. [7] Op één locatie, waren vijf strofes van deze varve-achtige rhythmites gevormd binnen één enkel jaar. Bij Mount St. Helens in de VS, is een 8 meter dikke gelaagde afzetting gevormd. De afzetting bestaat uit vele dunne varve-achtige laagjes (laminae) welke gevormd zijn in minder dan een dag (12 juni 1980). [8] Experimenten in een waterbassin hebben aangetoond hoe lagen zich snel kunnen vormen als er twee verschillende korrelgroottes samen in het stromende water worden meegevoerd. [9]
  • De zogenaamde ‘dropstones’ kunnen niet in de oude ‘varvites’ [10] zijn gevallen omdat dit gepaard zou gaan met een duidelijke verstoring in de gelaagdheid, iets wat zelden wordt waargenomen. Het bewijsmateriaal lijkt aan te geven dat ze daar met de omliggende sedimenten zijn geplaatst door troebelingsstromen of andere massastromen. Opnieuw komt dit overeen met wat te verwachtten is tijdens een wereldwijde vloed. Met andere woorden, de ‘varvites’ zijn niet het resultaat van cyclische, jaarlijkse, afzettingen in glaciale meren.

De omvang van het ijs

Wereldkaart

Bij benadering de omvang van de ijsbedekking tijdens de piek van de IJstijd.

We kunnen de effecten van de IJstijd nog altijd waarnemen. In het bijzonder de enorme ijsbedekking van Antarctica en Groenland, de alpengletsjers en de glaciale landschapsvormen en sedimenten. Omdat deze effecten zichtbaar zijn op het huidige landoppervlak is het duidelijk dat de ijstijd na de zondvloed plaatsvond.

Tijdens de ijstijd ontwikkelde zich een omvangrijke ijskap over Groenland en Noord Amerika (zover zuidelijk als het Noordelijke deel van de VS) en in Noord-Europa, van Scandinavië tot Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (zie afbeelding hierboven).

In de Rocky Mountains van Amerika, de Europese Alpen, de Zuid-Amerikaanse Andes en andere bergketens rustten permanente ijskappen op de toppen en uitgebreide gletsjers bedekten de valleien tot nabij de voet van de bergen in de laagvlaktes.

Een andere ijskap bedekte nagenoeg geheel Antarctica. Er ontwikkelden zich ijskappen op de bergen van Nieuw Zeeland, Tasmanië en de hogere gelegen delen van het vaste land van Zuidoost Australië. Er bestaan nog steeds enkele gletsjers op de zuidelijke Alpen van Nieuw Zeeland en in het Andes gebergte, maar in de New South Wales’ Snowy Mountains en in Tasmanië resten slechts de herinneringen aan de werking van het ijs, in de vorm van glaciale afzettingen en landvormen.

Nagenoeg alle schoolboeken beweerden gewoonlijk, dat het ijs zich in de IJstijd op zijn minst vier maal uitbreidde en weer terugtrok, met daartussenin relatief warme periodes (interglacialen genaamd). Gebaseerd op de zoektocht naar een cyclisch patroon van de ijstijden is het aantal ijstijden gedurende de laatste 2 miljoen jaar geologische tijd opgelopen tot 20. De compacte kleigronden, oude terrasvorming van rivieren en andere fenomenen welke geïnterpreteerd zijn als aanwijzingen voor meervoudige ijstijden, zijn echter beter te verklaren als resultaat van optrekkende en terugtrekkende stadia van één enkele ijstijd na de zondvloed. [11]

De IJstijd en de menselijke huisvesting

Het is belangrijk om te realiseren, dat zelfs op het hoogtepunt van de IJstijd, het ijs nooit meer dan een derde van het landoppervlak van de aarde bedekte. Tegelijkertijd was er waarschijnlijk een periode van verhoogde regenval dichter naar de evenaar als gevolg van de ijsbedekking op de meer noordelijke en zuidelijke delen. Een dergelijke verhoogde regenval nabij de evenaar zal hebben voorzien in een overvloed aan water. Zelfs in de huidige woestijngebieden zoals de Sahara, Gobi en Arabië. Archeologische opgravingen hebben inderdaad een overvloed aan bewijsmateriaal opgeleverd van rijke vegetatie, menselijke bewoning en complexe irrigatiesystemen in deze nu desolate gebieden.

Er zijn ook aanwijzingen dat er in West-Europa, aan de rand van de ijsvlaktes, gedurende de gehele ijstijd menselijke gemeenschappen bestonden. De Neanderthalers zijn hiervan een voorbeeld. Vele antropologen erkennen nu, dat hun wat grove verschijning op zijn minst gedeeltelijk veroorzaakt werd door ziekten (zoals rachitis en artritis) die ontstonden door het donkere, koude en vochtige klimaat van deze gebieden in die tijd. De vitamine D synthese, nodig voor een normale bot ontwikkeling, werkt niet correct bij een tekort aan zonlicht. Samen met het slechte dieet zou dit rachitis (Engelse ziekte) veroorzaakt hebben. [12]

Los van zeer twijfelachtige dateringsmethoden, is er geen reden waarom Neanderthalers niet in dezelfde tijden geleefd kunnen hebben als de ontwikkelde beschavingen van Egypte, Babylonië en anderen die zich op dichter naar de evenaar ongehinderd konden ontwikkelen. Een ijstijd van ongeveer 700 jaar is veel logischer verklaarbaar dan een ijstijd van twee miljoen jaar.

De bijbelse zondvloed: oorzaak van de IJstijd

Voor de ontwikkeling van een ijstijd met grote uitbreidende ijsmassa’s op het land, moeten de oceanen warm zijn op gemiddelde en hogere breedtegraden, en het aardoppervlak dient koud te zijn. In het bijzonder in de zomer. [5, 13-15] Er verdampt dan veel water uit de oceanen, dat zich naar het land verplaatst. De koude continenten zorgen ervoor dat het water neerslaat als sneeuw ipv regen, en ze voorkomen tevens dat de sneeuw zomers afsmelt. Het gevolg is een snelle aangroei van ijs.

Langzame en geleidelijke evolutionaire scenario’s [16] om de IJstijd te verklaren werken niet. Oude aarde theorieën behelzen een langzame afkoeling van de aarde, maar dat zal geen ijstijd genereren. Als het zo was dat de oceanen en het land geleidelijk afkoelden, dan zou tegen de tijd dat de landmassa koud genoeg was om dooi van de sneeuw in de zomer te voorkomen, de verdamping van de oceanen onvoldoende zijn om genoeg sneeuw te genereren voor de kolossale ijskappen. [17]Het resultaat zou een bevroren woestijn zijn, geen ijstijd.

'Ice Age' formation

De zondvloed met zijn nawerkingen zal hebben geleid tot de warme oceanen en koude continenten die hebben geleid tot een ‘IJstijd’.’

De wereldwijde zondvloed zoals beschreven in de Bijbel voorziet echter in een eenvoudig mechanisme voor een ijstijd. Tegen het einde van de wereldwijde zondvloed zouden we warme oceanen verwachtten. Dit als gevolg van heet onderaards water wat zich vermengde met het oceaanwater van voor de zondvloed, en door de vrijgekomen warmte van de vulkanische activiteit. Oard en Vardiman wijzen naar bewijsmateriaal waaruit blijkt dat kort voorafgaand aan de ijstijd, het oceaanwater inderdaad warmer was. Dit is terug te vinden in de zuurstof isotopen van de schalen van kleine waterdieren, foraminifera genaamd. [18-20], [red.4]

Grote hoeveelheden vulkanisch stof en aërosolen van vulkaanuitbarstingen aan het einde van, en na de zondvloed, zouden het zonlicht terug in de ruimte hebben gereflecteerd en daarmee op het land lagere temperaturen veroorzaken. Hierdoor werden in het bijzonder de zomerperiodes kouder. [21] Stof en aërosolen verdwijnen langzaam uit de atmosfeer maar het aanhoudende vulkanisme van na de zondvloed zal dit gedurende honderden jaren hebben aangevuld. Dit wordt ondersteund door het feit dat er grote hoeveelheden vulkanisch gesteente deel uitmaken van de zogenaamde Pleistocene sedimenten, die zich waarschijnlijk direct na de zondvloed hebben gevormd. Dit duidt op aanhoudend en wijdverspreid vulkanisme in de periode direct na de zondvloed.

Op basis van de algemene kennis aangaande circulatiesystemen in onze atmosfeer, heeft Vardiman aangetoond [19-20] dat de warme oceanen en de snelle afkoeling van de polen, na de zondvloed extreme atmosferische convectie hebben gedreven. Dit zal een enorm orkaanachtig stormsysteem bij de polen kunnen hebben gecreëerd, dat een groot deel van de poolgebieden bestreek. Dit, zo suggereert hij, zou actief kunnen zijn geweest gedurende een groot deel van de periode van 500 jaar, tot aan de glaciale piek. (zie het volgende gedeelte). Dergelijke circulatiepatronen zouden de hogere breedtegraden hebben voorzien van grote hoeveelheden sneeuw die spoedig zullen hebben geleid tot een ijsbedekking. Die verspreidde zich eerst over de continenten en later ook over de oceanen, toen het water verder was afgekoeld tegen het einde van het glaciale tijdperk.

Hoe lang duurde de IJstijd?

De meteoroloog Michael Oard [22] heeft berekend dat er slechts 700 jaar nodig is geweest om de poolzeeën af te koelen van een uniforme temperatuur van 30°C aan het einde van de zondvloed tot de temperaturen die momenteel worden (gemiddeld 4°C) waargenomen. Deze periode van 700 jaar is de duur van de IJstijd. Het ijs zal zich kort na de zondvloed zijn gaan opbouwen. Ongeveer 500 jaar na de zondvloed was de gemiddelde temperatuur van de oceanen afgekoeld naar ongeveer 10°C. De hieruit volgende verminderde verdamping resulteerde in een minder dicht wolkendek. Gecombineerd met de afname van vulkanisch stof in de atmosfeer zal dit ertoe geleid hebben dat meer zonnestraling het aardoppervlak kon bereiken zodat de ijsbedekking in toenemende mate kon afsmelten. De piek van het glaciale tijdperk moet zo ongeveer 500 jaar na de zondvloed worden geplaatst.

Interessant genoeg lijken er bepaalde verwijzingen naar deze ijstijd te staan in het (bijbel)boek Job (37:9–10, 38:22–23,38:29-30), die mogelijk leefde in de afnemende fase van de IJstijd. (Job leefde in het land van Uz, Uz is een nakomeling van Shem [Genesis 10:23], daarom zijn de meeste conservatieve bijbelgeleerden het erover eens dat Job waarschijnlijk leefde in de tijd tussen de Torenbouw van Babel en Abraham.)

God vroeg Job vanuit een wervelwind, ‘Uit welke schoot wordt het ijs geboren, wie baart de rijp van de hemel, wanneer de wateren stollen, hard als steen, wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt?’ (Job 38:29-30 NBV).

Zulke vragen veronderstellen dat Job, ofwel uit eerste hand, of door historische of familie verslagen, wist waar God het over had. Dit is mogelijk een verwijzing naar de klimatologische effecten van de IJstijd die nu in het Midden Oosten niet meer worden waargenomen.

Het heeft er de schijn van dat in de afgelopen jaren conventionele leeftijdsberekeningen voor de IJstijd bekrachtigd werden door ijskernen (ijsmonsters) afkomstig uit boringen van de ijslagen op Antarctica en Groenland. Er wordt geclaimd dat de ijsmonsters duizenden jaarlagen laten zien. Laagvorming is zeker zichtbaar in het uiterst bovenste deel van de ijskernen, maar de lagen representeren slechts de jaarlijkse patronen van de laatste paar duizend jaar. En dat zou ook het geval moeten zijn wanneer dit een jaarlijkse sneeuwafzetting weergeeft vanaf het einde van de IJstijd. In de onderste delen (dat is dieper gelegen in het ijs) van de ijskernen zijn de zogenaamde jaarlagen minder duidelijk. Zij kunnen net zo goed het gevolg zijn van andere mechanismen zoals individuele stormen.

Vardiman [18–20] heeft aangetoond dat de gegevens van de ijskernen het oude-aarde model alleen maar ondersteunen als ze op die manier geïnterpreteerd worden. De gegevens van de ijskernen passen echter gemakkelijk in het jonge-aarde model, waar de bulk van de ijslaagdikte is afgezet tijdens de zeer stormachtige circulaties (o.a. orkanen) in de relatief korte periode van ca. 500 jaar na de zondvloed. Bij deze interpretatie stellen bijvoorbeeld, de variaties van de zuurstof isotopen geen jaarlijkse seizoenen voor, maar individuele stormen. Komende vanuit verschillende windrichtingen waarbij de neerslagafzetting afkomstig is van verdamping uit oceanen met verschillende temperaturen. [23]

Het raadsel van de bevroren mammoeten

De Wolharige Mammoet

Door heel Noord Europa, Siberië en Alaska zijn er overblijfselen van honderdduizenden wolharige mammoeten gevonden. Jarenlang is er een lucratieve handel in ivoor van mammoeten geweest. Er zouden op zijn minst één miljoen mammoeten in Siberië en Alaska geleefd moeten hebben. [24] Maar hoe zou deze bevroren woestenij van Siberië ooit genoeg voedsel voor de mammoeten kunnen hebben geproduceerd? Ook wolharige neushoorns, bizons, paarden en antilopen leefden er in overvloed. Zelfs wanneer de dieren er alleen in de zomer naar toe trokken zou er niet genoeg voedsel voor hen zijn geweest.

Bovendien, wat moesten die dieren zoals de wolharige mammoeten, bizons en paarden drinken tijdens de koude winterdagen? Zulke dieren hebben grote hoeveelheden water nodig.

Evolutionisten, met hun oneindig lange tijdperken en meervoudige ijstijden geloven dat Siberië en Alaska momenteel relatief warm zijn, [25] vergeleken met de periode toen mammoeten daar leefden. Hoe konden deze grote dierpopulaties dan in die gebieden geleefd hebben?

Er wordt geschat dat er nog altijd 50.000 geheel of gedeeltelijke karkassen bestaan. [26] De grote meerderheid vertoond aanzienlijke tekenen van rotting en verval voordat ze bevroren en begraven (door de elementen) zijn. Er zijn echter ongeveer een half dozijn ongeschonden bevroren karkassen gevonden.

Enkele van de ongeschonden karkassen zijn gevonden met een grotendeels onverteerde maaginhoud. Sommigen hebben beweerd dat er een buitengewone instantane bevriezing nodig was om de maaginhoud zo te conserveren. Er is echter ook een onverteerde maaginhoud aangetroffen in de overblijfselen van een niet-bevroren, ongefossiliseerde mastodont in de staat Ohio (VS). Onderzoek naar de spijsvertering van de olifanten toont dat de maag functioneert als een opslagkamer voor voedsel, waarbij fermentatie en spijsvertering plaatsvindt in het darmstelsel (zoals bij paarden). De maaginhoud van een olifant blijft daarom grotendeels onverteerd. Bij mammoeten zou het bijna zeker niet anders zijn. Instantane bevriezing is dus niet noodzakelijk om onverteerde resten in de maag te verklaren.

De meeste mammoetoverblijfselen vertonen sporen van verschillende vervalstadia. Sommigen bevatten poppen of larven van vleesetende vliegen, anderen vertonen sporen van aanvreting wat erop duidt dat het hier niet gaat om een regionale instantane bevriezing.

Sommige van de plantensoorten die zijn gevonden in de maag van de beroemde Beresovka mammoet groeien nu slechts in warmere klimaten. Dit duidt dus op een klimaatverandering in Noord Siberië en Alaska. De mammoeten leefden daar omdat het klimaat veel warmer was. Ook was er meer neerslag dan vandaag de dag. Er zijn zelfs mammoetoverblijfselen gevonden in het zuiden van Mexico wat aantoont dat ze inderdaad niet enkel maar aangepast waren aan ijzige omstandigheden.

Rotstekeningen van mammoeten (in grotten) zijn duidelijk gemaakt door mensen die na de zondvloed leefden. [27] De overblijfselen van de mammoeten zijn bevroren in slib gelegen boven op sedimenten die door de zondvloed zijn afgezet. Dit betekent dus dat ze zijn bevroren in de IJstijd die volgde op de zondvloed. De mammoeten moeten snel zijn begraven in de modder, zand en puin en ook snel zijn bevroren om het tot op het heden te conserveren. [28]

Uniformitarianistische/evolutionistische ideeën die uitgaan van een langzaam en geleidelijk ontstaan van de IJstijd over en periode van duizenden jaren en het weer langzaam wegebben over evenzo lange periodes kunnen het begraven en het bevriezen van deze mammoeten niet verklaren. De mammoeten zijn een groot raadsel zijn voor evolutionisten. Het bijbelse zondvloed-ijstijd model voorziet echter wel in een verklarend raamwerk voor de mammoeten.

Oard oppert dat de mammoeten bedolven en bevroren zijn aan het einde van de IJstijd na de zondvloed. [28], [29]Er dient te worden opgemerkt dat door de warme Arctische Oceaan na de zondvloed de ijsbedekking niet de zee bedekten en ook niet de lage landen nabij de zee wat resulteerde in een relatief mild klimaat in kustgebieden. Het is dan ook veelbetekenend dat mammoetoverblijfselen zeer overvloedig voorkomen dicht bij de Arctische oceaan en de eilanden buiten de kust. Er worden ook mammoetoverblijfselen aangetroffen ten zuiden van de meest zuidelijke grenzen van de ijsbedekking. Dit duidt erop dat de verspreiding van het landijs bepaalde, waar de mammoeten leefden en stierven. Pas tegen het einde van de ijstijd bevroor ook de zee en werden de laaglanden (moerasgebieden) permafrost. In dezelfde periode zien we het uitsterven van de mammoet plaatsvinden.

Terwijl de oceanen afkoelden in de honderden jaren na de zondvloed, nam de luchtvochtigheid boven de oceanen af, zodat het klimaat van de arctische kust droger werd. Er ontwikkelde zich periodes van droogte. De ijsbedekking smolt waardoor land bloot kwam te liggen. Op deze wijze konden enorme stofstormen van zand en slip ontstaan. De zandstormen bedekten de mammoeten en sommigen stikten zelfs door de stofstormen. Dit verklaart waarom de karkassen gevonden worden in wat bekend staat als yedoma, wat bestaat uit löss of door wind aangevoerd slib. Enkelen werden in staande toestand begraven. Met het kouder worden van het klimaat, raakten ook delen van de oceanen bevroren en ontwikkelde zich permafrost op het land. Het resultaat was dat de karkassen die begraven waren in zand en slib bevroren raakten en ook nu nog in die positie worden gevonden.

De nasleep

De dieren die van de ark afkwamen vermenigvuldigden zich in de eeuwen na de zondvloed. Maar door het ontstaan van de IJstijd en de opkomst van een permanente klimaatverandering, konden veel dieren het uiteindelijk niet redden en stierven uit. Sommigen, zoals de wolharige mammoet stierven in catastrofes en klimaatveranderingen en door het verlies van de natuurlijke omgeving als gevolg van de drastische klimaatveranderingen. Toen het ijs zich terugtrok en de neerslagpatronen opnieuw veranderden, werden veel van de goed doorwaterde gebieden droog waardoor nog meer dieren uitstierven. De enorm catastrofale zondvloed werd opgevolgd door hiermee samenhangende rampen van glaciatie (vergletsjering), vulkanisme en uiteindelijk verdroging. Dit leidde tot drastische veranderingen in de kenmerken van de aarde en haar inwoners tot wat we vandaag de dag zien.



Referenties en aantekeningen

[1] Anon., Great science mysteries, U.S. News and World Report, 18 August 1997.
[2] De Apostel Petrus profeteert dat in de laatste dagen er spotters zullen komen die beweren dat ‘alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is’ (2Petrus 3:3–7 ).
[3] Oard, M.J., Ancient Ice Ages or Gigantic Submarine Landslides?, Creation Research Society Books, Chino Valley, Arizona, 1997.
[4] Molén, M., Diamictites: ice-ages or gravity flows?, Proc. Second ICC 2:177–190, 1990.
[5] Oard, M.J., An Ice Age Caused by the Genesis Flood, Technical Monograph, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, pp.135–149, 1990.
[6] Een troebelingsstroom is een dichte sedimentdragende watermassa welke zich snel en wild voortbeweegt langs een helling onder water.
[7] Lambert, A. and Hsu, K.J., Non-annual cycles of varve-like sedimentation in Walensee, Switzerland, Sedimentology 26:453–461, 1979.
[8] Austin, S.A., Mount St Helens and catastrophism, Proc. First ICC, Pittsburgh, PA 1:3–9, 1986.
[9] Julien, P.Y., Lan, Y.Q. and Raslan, Y., Experimental mechanics of sand stratification, CEN Technical Journal 12(2):218–221, 1998.
[10] ‘Varves’ of rhythmites die in gesteente zijn veranderd.
[11] Oard, Ref.5, pp.149–166.
[12] Ivanhoe, F., Was Virchow right about Neanderthal?, Nature 227:577–579, 1970.
[13] Oard, M.J., A rapid post-Flood ice age, Creation Research Society Quarterly 16(1):29–37, 1979.
[14] Oard, M.J., An ice age within the biblical time frame, Proc. First ICC, Pittsburgh, PA2:157–166, 1986.
[15] Wieland, C., Tackling the big freeze, Creation 19(1):42–43, 1997.
[16] Oard, Ref.5, pp.1–22.
[17] Hoe hoger de watertemperatuur, hoe meer verdamping want verdamping vereist veel energie. Water verdampt niet enkele bij temperaturen boven het kookpunt maar ook bij lagere temperaturen. Maar hoe hoger de temperatuur des temeer verdamping.
[18] Vardiman, L., Ice Cores and the Age of the Earth, Technical Monograph, Institute for Creation Research, El Cajon, California, 1993.
[19] Vardiman, L., A conceptual transition model of the atmospheric global circulation following the Genesis Flood, Proc. Third ICC, Pittsburgh, PA, pp.569–579, 1994.
[20] Vardiman, L., An analytical young-earth flow model of ice sheet formation during the ‘Ice Age,’ Proc. Third ICC, Pittsburgh, pp.561–568, 1994.
[21] Oard, Ref.5, pp.33–38.
[22] Oard, Ref.5, pp.109–119.
[23] De zuurstof isotoop concentraties van sneeuw variëren met de temperatuur van de oceaan waaruit het water oorspronkelijk verdampt was.
[24] Oard, Ref. 5, p. 88.
[25] Evolutionisten houden er rekening mee dat we ons momenteel in een warme ‘interglaciale’ periode/tijdperk bevinden.
[26] Oard, Ref. 5, p. 129.
[27] Recentelijk zijn in Nepal olifanten met typisch mammoetachtige eigenschappen ontdekt in Nepal. Dit kan erop duiden dat mammoeten nog niet zo lang uitgestorven zijn als gewoonlijk wordt aangenomen. Zie verder Wieland, C., ‘Lost world’ animals—found!, Creation 19(1):10–13, 1997.
[28] Oard, M.J., The extinction of the woolly mammoth: was it a quick freeze? CEN Tech. J. 14(3):24–34, 2000.
[29] Dit betekend dat er na de zondvloed ongeveer 600 jaar beschikbaar was voor de opbouw van de (dieren) populaties, inclusief populaties mammoeten. Met een voorzichtige populatie verdubbelingtijd van 17 jaar (dit is in overeenstemming met de generatie tijden van levende olifanten) kan een paar mammoeten zoals het paar wat van de ark afkwam in 500 jaar een populatie van meer dan 1 miljard dieren voortbrengen.
[red.1] De fijnere delen van till worden aangeduid met keileem. Geconsolideerde lagen till worden aangeduid met tilliet.
[red.2] Een varve (in Nederland soms aangeduid in het Duits als warve) is een dunne laag van sediment bestaande uit een grof en een fijn deel, waarvan aangenomen wordt dat ze is afgezet gedurende een jaar.
[red.3] Een troebelingsstroom is een snel stromende sediment dragende stroom water die zich in over een helling naar beneden beweegt. De stroom heeft een dichtheid die hoger is dan het omringende medium. De karakteristieke afzettingen van een dergelijke stroom wordt turbidiet genoemd.
[red.4] Foraminifera of forams (populair) zijn dierachtige eencelligen met een kalkskelet. Dat skelet is meestal uit kamers opgebouwd. Door de gaatjes in de tussenwanden van de kamers, komen uitstulpingen van celplasma (pseudopodiën) naar buiten waarmee ze zich kunnen verplaatsen en voeden.

Originele Engelse tekst op: http://www.creationontheweb.com/content/view/3675