Megatracksites van dinosauriërs ondersteunen zondvloedmodel

Megatracksites van dinosauriërs ondersteunen zondvloedmodel
Door Michael J. Oard, TJ 16(3) 2002.
vertaling AV, Mediagroep In Genesis

Megatracksites van dinosauriërs zijn grote opeenhopingen dinosauriërsporen geconcentreerd in één gebied. Volgens Martin Lockley en Adrian Hunt [1] waren er in 1995 wereldwijd honderden tracksites van dinosauriërs maar daarvan slechts drie megatracksites: 1) in zuidoost Utah, 2) langs een rechtlijnig zone van noordoost Nieuw-Mexico tot aan noordwest Colorado, en 3) de Glen Rose Formatie in centraal Texas. Kort geleden zijn er nog twee megatracksites ontdekt in het noordoostelijke Bighorn Basin ten noorden van centraal Wyoming. Sporen van Dinosauriërs waren voorheen zeldzaam in Wyoming.

In de buurt van Shell, Wyoming, zijn twee megatracksites gevonden die verticaal van elkaar verwijderd zijn door vele meters sedimentair gesteente en die binnen een evolutie-tijdschaal drie miljoen jaar voorstellen. De hogere megatracksite ligt op een enkele laag van de lagere Sundance Formatie, terwijl de lager gelegen megatracksite gevonden is binnenin een 1-meter dikke laag van de evaporiet-rijke Gypsum Spring Formatie. De sporen zijn gevonden in wijd verspreide dagzomende gesteenten binnen een gebied van 100 km lang en 25 km breed. Onderzoekers schatten dat er over een gebied van 7,5 km [2] in de buurt van Shell 150.000 sporen per vierkante kilometer zijn. Deze megatracksites vertonen meerdere ongewone kenmerken die je perplex doen staan als je ze volgens een evolutionair/uniformitarisch model interpreteert, terwijl ze het zondvloedmodel ondersteunen.

Vreemde kenmerken

Het eerste ongewone kenmerk is dat de sporen werden ontdekt in carbonaatpakketten waarvan men dacht dat ze geheel aquatisch van oorsprong waren. De dinosauriërsporen hebben een nieuwe onverwachte interpretatie teweeggebracht met betrekking tot het paleomilieu van het sedimentair gesteente. De uniformitarische geologen zien nu

‘…tot voor kort nog niet herkende intertidal tot supratidal [net boven het tij] carbonaatpakketten waarvan men eens dacht dat ze geheel aquatisch van oorsprong waren…” [3]

Uniformitarische wetenschappers reconstrueren het Paleomilieu van een bepaalde laag vaak aan de hand van het type fossiel en bepaalde eigenschappen van het gesteente. Hoewel er dikwijls geen moderne overeenkomst is met de door hen afgeleide paleomileus, wordt de uniformitarische redenering evengoed toegepast. [4] Vanwege de Wyomingsporen had men een oever nodig en dus vond men die uit; hiervoor deed men een ingrijpende herinterpretatie:

‘Deze ontdekking noodzaakt tot een ingrijpende verandering in de paleografische reconstructies voor Wyoming voor deze periode.’ [5]

Deze dinosauriërsporen waren in dit geval al voldoende om over te schakelen van een marine paleo-omgeving naar eentje waarbij organismen op het land leven. Dit laat zien hoe multi-interpretabel deze reconstructies zijn. Juist wanneer we de zondvloed in beschouwing nemen, verwachten we dinosauriër-overblijfselen, sporen en eieren te vinden in combinatie met marine sedimenten. Het tweede verrassende kenmerk van deze locaties voor het uniformitarianisme is dat de sporen bijna allemaal gelijk zijn; het zijn allemaal bipedale, tridactyle (drie-tenig) sporen in gelijke aantallen achter elkaar op beide formaties!

Kvale e.a. stellen:

‘De afmetingen van de sporen van de Gypsum Spring- en Sundance periode zijn stuk voor stuk vergelijkbaar in de breedte van de afdruk en in de digit III lengte en waren teweeggebracht door kleine tot half grote tweevoetige dinosauriërs.’ [6]

Dit is werkelijk verbazingwekkend wanneer je beseft dat men veronderstelde dat er een tijdsperiode van 3 miljoen jaar tussen zit. Hadden er niet andere tweevoetige, tridactyle dinosauriërs van dezelfde grootte kunnen lopen als er werkelijk een tijdspanne van 3 miljoen jaar tussen zit? Echter, de overeenkomst tussen de sporen ondersteunt een zondvloedmodel [7] dat beweert dat de sporen afgedrukt werden tijdens het stadium van de zondvloed waarin de aarde onder water kwam te staan.

Dit stadium (de onderwaterzetting fase) volgens het Bijbels-geologische model van Tas Walker betreft de eerste 150 dagen waarbij het water steeg en het de aarde bedekte.[8] Volgens de definitie van Walker vertegenwoordigen sporen de levende dieren die ten laatste zijn omgekomen op de 150ste dag van de zondvloed. Verder zijn dinosauriërsporen gevormd in zondvloed-sedimenten. Dit lijkt tegenstrijdig, tenzij je je realiseert dat de zondvloed geen eenvoudige gebeurtenis was. Terwijl er een netto stijging was van de zeespiegel waren er tenminste vier mechanismen die er voor zorgden dat vers afgezet zondvloed-sediment tijdelijk kwam bloot te liggen. Dit zijn:

  1. getijde schommelingen
  2. tsunamies
  3. opwaartse tectonische bewegingen
  4. de kracht van snelle vloedstromen in relatief ondiep water zouden het zeeniveau in troggen hebben laten vallen.[9]
Deze kort blootgestelde stukken land zouden een rij zandbanken kunnen vormen. Sommige dinosauriërs zouden een tijdje gezwommen kunnen hebben en dan terecht zijn gekomen op zo’n zandbank. Ze zouden er sporen achtergelaten kunnen hebben en er eieren hebben gelegd voordat ze bezweken in de vloed. Gebaseerd op de dinosauriërsporen en eieren zou dit terrein van blootgestelde stukken land of rijen zandbanken er uit hebben kunnen zien zoals afgebeeld in afbeelding 1.

Aangepast naar Oard[7]

De locatie van de veronderstelde strook land of series zandbanken in het westen van de VS; over het algemeen parallel aan de Rocky Mountains. De twee vorige megatracksites plus de twee nieuwe in Wyoming zijn in het zwart weergegeven.

Afbeelding 1. De locatie van de veronderstelde strook land of series zandbanken in het westen van de VS; over het algemeen parallel aan de Rocky Mountains. De drie eerder bekende megatracksites plus de twee nieuwe in Wyoming zijn in het zwart weergegeven.


De situatie in Wyoming kan verklaard worden aan de hand van een grote kudde tweevoetige, drietenige dinosauriërs die gevangen zaten binnen zo’n terrein van blootgestelde stukken land en zandbanken. Een schommelend zeeniveau zou de dinosauriërs massaal voortgedreven hebben over de verschillende stukken land die tijdelijk droog stonden. Vervolgens, nadat de sporen afgedrukt waren op een stukje land, steeg de zeespiegel en zette een nieuw pakket sediment af bovenop de pootafdrukken. Zodoende werden de sporen bewaard en werden de dinosauriërs gedwongen te vluchten. Wanneer de zeespiegel weer daalde, keerden de dinosauriërs terug naar het stuk land waar zojuist al pootafdrukken waren gevormd. Het bewijs dat het substraat nat was,[10] zwemsporen in de lagere lagen [11] en ribbels in het zand die tegelijk gevormd zijn met de afdrukken [12], ondersteunen dit zondvloed-scenario. Alleen dan zou je verwachten dat de dinosauriërs die de eerste serie afdrukken maakten in de Gypsum Springs Formatie terugkwamen en hetzelfde type afdruk vormden in de Sundance Formatie.

Op de vlucht voor de ramp

Een derde probleem voor het uniformitarische scenario is dat de afzonderlijke sporen getoond in het artikel, over het algemeen recht zijn, een patroon dat overeenkomt met andere plaatsen waar sporen zijn gevonden.[13] Daarnaast zijn alle sporen in de Sundance Formatie in de buurt van Shell voornamelijk afgedrukt in zuid tot zuidwestelijke richting.[14] De richting van de sporen in de Gypsum Springs Formatie is onbekend, misschien omdat ze van te lage kwaliteit zijn. Dit is ongewoon gedrag voor zo’n grote groep dinosauriërs. Een normaal spoor zou veel meanderende sporen bevatten. Het grote aantal sporen in een bewuste richting geven te kennen dat de dieren aan het vluchten waren voor een ramp. [15], [16]

Het vierde dilemma voor de uniformitarische wetenschappers is dat er geen sporen van baby’s of jongen zijn; als voorbeeld: 50% van de olifantensporen in het Aboseli National Park, in Afrika, werden afgedrukt door jonge dieren.[17] De afwezigheid van sporen van onvolwassen dieren toont aan dat de sporen gevormd zijn tijdens ongewone omstandigheden en dat is niet in overeenstemming met het uniformitariteitsprincipe. Volgens het zondvloedmodel werden baby’s en jongere dieren achtergelaten terwijl de dieren die in staat waren om te vluchten, wegrenden. (Men verwacht baby’s aan te treffen in of dichtbij de plaatsen op de blootgestelde stukken land waar eieren werden gelegd. Dit blijkt daadwerkelijk het geval te zijn, bijvoorbeeld, Egg Mountain en andere streken in Noord midden Montana. [18], [19])

De eigenschappen van de nieuwe megatracksites in Wyoming zijn verbazingwekkend voor de uniformitariërs. Hoe dan ook, de sporen kunnen makkelijk verklaard worden aan de hand van een zondvloedmodel met tijdelijk blootgestelde stukken land en rijen zandbanken die ontstonden tijdens de onderwaterzettingsfase van de aarde door de zondvloed.


Meer informatie over sporen van dinosauriërs en hun connectie met de zondvloed in de artikelen:

 


Referenties en aantekeningen

[1] Lockley, M. and Hunt, A.P., Dinosaur Tracks and Other Fossil Footprints of the Western United States, Columbia University Press,New York, 1995.
[2] Kvale, E.P., Johnson, G.D., Mickelson, D.L., Keller, K., Furer, L.C. and Archer, A.W., Middle Jurassic (Bajocian and Bathonian) dinosaur megatracksites, Bighorn Basin, Wyoming, USA, Palaios 16:233–254, 2001.
[3] Kvale et al., Ref. 2, p. 252.
[4] Froede, Jr., C.F., Field Studies in Catastrophic Geology, Creation Research Society Monograph No. 7, Creation Research Society, St. Joseph, Missouri, pp. 7–13, 1998.
[5] Kvale et al., Ref. 2, p. 233.
[6] Kvale et al., Ref. 2, p. 248.
[7] Oard, M.J., Polar dinosaurs and the Genesis Flood, CRSQ 32:47–56.
[8] Walker, T., A Biblical geological model; in: Walsh, R.E. (Ed.), Proceedings of the Third International Conference on Creationism, Technical Symposium Sessions, Creation Science Fellowship, Pittsburgh, pp. 581–592, 1994.
[9] Baumgardner, J.R. and Barnette, D.W., Patterns of ocean circulation over the continents during Noah’s Flood; in: Walsh, R.E. (Ed.), Proceedings of the Third International Conference on Creationism, Technical Symposium Sessions, Creation Science Fellowship, Pittsburgh, Pennsylvania, pp. 77–86, 1994.
[10] Kvale et al., Ref. 2, p. 252.
[11] Kvale et al., Ref. 2, p. 249–251.
[12] Kvale et al., Ref. 2, p. 243.
[13] Kvale et al., Ref. 2, p. 165.
[14] Kvale et al., Ref. 2, p. 248.
[15] Oard, M.J., The extinction of the dinosaurs, CEN Tech J. 11(2):144–145, 1997.
[16] Oard, M.J., Dinosaurs in the Flood: a response. CEN Tech J. 12(1):72–73, 1998
[17] Lockley, M.G., Dinosaur ontogeny and population structure: interpretations and speculations based on fossil footprints; in: Carpenter, K., Hirsch, K.F. and Horner, J.R. (Eds), Dinosaur Eggs and Babies, Cambridge University Press, London, p. 359, 1994.
[18] Oard, Ref. 15, pp. 145–147.
[19] Oard, Ref. 16, pp. 71–76.

Originele Engelse tekst op: http://creationontheweb.com/images/pdfs/tj/j16_3/j16_3_5-7.pdf