Paleosolen: Een veel gebruikt argument tegen zondvloedgeologie delft het onderspit

Paleosolen: Een veel gebruikt argument tegen zondvloedgeologie delft het onderspit
door Tas walker in TJ 17(3).
vertaling Werkgroep In Genesis

Samenvatting

Paleosolen worden aangevoerd als een van de geliefde bezwaren tegen de wereldwijde vloed en de 6.000 jaar oude leeftijd van de aarde. Uniformitaristen geloven dat paleosolen (oude bodem horizonten) normaal zijn in het stratigrafische register. Er wordt aangenomen dat deze bodem horizonten honderden tot duizenden jaren nodig hebben om te vormen en perioden vertegenwoordigen van de aarde dat zij niet met water bedekt was. Dus zo wordt gesteld, konden ze niet tijdens de zondvloed gevormd zijn. Toen echter twee voorbeelden van veronderstelde paleosolen werden bestudeerd (één in Missouri, VS en de andere in Queensland, Australië), bleek dat zij de toets der kritiek niet konden doorstaan. De losse en korrelige structuur van de horizonten heeft niet de kenmerkende eigenschappen van grond (aarde) en de interpretatie van een paleosol komt niet overeen met de volgorde van de vereiste geologische gebeurtenissen. In tegendeel, het bewijsmateriaal past beter binnen het Bijbelse kader dan binnen het kader van het uniformitariaisme. De gronden werden niet gevormd gedurende een lange contactperiode met de atmosfeer (sub-aeriaal), maar door verwering in situ (ter plaatse) gedurende en na de zondvloed.


Een van de favoriete bezwaren die evolutionisten gebruiken tegen een wereldwijde vloed en de Bijbelse leeftijd van 6.000 jaar van de aarde is de bewering dat oude horizonten (paleosolen) overal te vinden zijn in het stratigrafische register. Grond wordt geacht te zijn ontstaan uit het basisgesteente door chemische en biologische verwering/erosie over lange perioden. De veronderstelde tijd die nodig is voor de vorming van een bodemprofiel zou in de orde van grootte zijn van honderden tot duizenden jaren of meer. [1] De argumentatie is dat, omdat die grond perioden vertegenwoordigt van de aardse geschiedenis waarbij deze niet onderwater stond, de paleosolen niet gevormd konden zijn tijdens de zondvloed.

Een voorbeeld van deze bewering kwam van Joseph Meert, docent Geologie aan de Universiteit van Florida, die gebruik maakte van een analogie met honkbal. Volgens hem zijn palosolen als 3 keer slag in een worp tegen jonge aarde creationisten. “Ze zijn een anathema (vloek) voor jonge aarde creationisten omdat ze zo’n groot probleem zijn voor het idee van een jonge aarde”

Meert zegt:

‘Als je kijkt naar de foto bovenaan de pagina, zie je een uitstekend voorbeeld van een goed ontwikkelde paleosol in Missouri. De paleosol is ontwikkeld op graniet met een datering van 1473 Ma en onder het Laat Cambrische Lamotte zandsteen. 5 Paleosolen komen vrij veel voor in de standaard geologische kolom… Waarom vormen paleosolen zo’n probleem voor het Jonge-Aarde-creationisme?’

‘Jonge-Aarde-creationisten beweren dat de geologische kolom slechts een registratie is van de wereldwijde vloed van Gilgamesh (de Hebreeën noemden deze mythe de zondvloed van Noach) en dat de meeste sedimentaire afzettingen op aarde het resultaat waren van afzetting tijdens deze vloed. Het is overduidelijk dat dergelijke dikke en ontwikkelde bodemlagen niet gevormd kunnen worden tijdens een wereldwijde vloed zoals de zondvloed…’

‘Paleosolen weerleggen duidelijk het idee van een wereldwijde vloed. Paleosolen zijn oude bodemlagen die zich ontwikkelden tijdens perioden van sub-aeriale verwering (erosie en verwering aan het aardoppervlak, daarbij blootgesteld aan de lucht) en zij worden soms geconserveerd in de geologische kolom. De kern van de zaak is dat paleosolen gevonden worden door de gehele geologische kolom en perioden vertegenwoordigen van de aardse geschiedenis, waarin zij NIET met water bedekt was. Paleosolen te midden van een wereldwijde Vloed ZIJN NIET mogelijk.’

Het is duidelijk dat Meert gelooft dat paleosolen het potentieel hebben om de wereldwijde zondvloed tegen te spreken. Daar zijn wij het mee eens. Het concept van paleosolen biedt een goede test voor alle Bijbelse geologische modellen.

Dat wij de Bijbel kunnen gebruiken om een testbaar wetenschappelijk geologisch model te ontwikkelen, weerlegt de veel gehoorde bewering van evolutionisten dat creationistische wetenschap geen wetenschap is omdat het niet getest kan worden. Wij zijn verheugd dat Meert erkent dat Bijbelse geologie een geldige wetenschappelijke aanpak is. Maar we zijn het er niet mee eens, dat de Bijbelse zondvloed niet zou hebben plaatsgevonden. Laten we maar eens nader kijken naar het bewijsmateriaal, dan krijgen we een ander beeld.

Figuur1
Figuur 1 Veronderstelde ‘paleosol’ te vinden tussen de Pre-cambrische Butler Hill Graniet en het Cambrische Lamotte zandsteen. Foto Joe Meert. [2] (Voor een update sinds de oorspronkelijke publicatie van dit artikel, zie Naschrift)

Enkele misvattingen uit de weg ruimen

Voordat we dat doen, moeten we eerst enkele misvattingen opruimen, die er ongemerkt inslopen. Ten eerste, paleosolen vormen geen probleem voor jonge-aarde creationisten en ze vormen ook geen anathema, zoals Meert denkt. Froede geeft in zijn boek Field Studies in Flood Geology [3] een uitstekende verhandeling over paleosolen in het stratigrafische register. In dit boek vergelijkt hij de veldgegevens en beschouwt ze vanuit een uniformitarianisch en Bijbels zondvloed perspectief. Ook Klevberg en Bandy hebben onlangs twee artikelen gepubliceerd over bodemvorming en de Bijbelse zondvloed. [4]

Ten tweede zien we dat Meert de Bijbelse zondvloed in verband brengt met het verhaal van Gilgamesh, een vloedverhaal wat geschreven is op kleitabletten en meer dan honderd jaar geleden opgegraven in de ruïnes van Nineve. [5], [6] Er zijn duidelijke parallellen met de Bijbel, maar het Gilgamesh verhaal heeft duidelijk fictieve elementen zoals de kubusvorm van de Ark en de regenperiode van slechts 6 dagen en nachten. Men neemt gewoonlijk aan dat de tabletten de oudste versie van de twee verhalen zijn, en dat de Bijbelse versie dus geschreven is naar aanleiding van het Babylonische verhaal. Dit zou niet enkel betekenen dat het Bijbelse verhaal fictie is, maar bovendien inferieur. Echter, de zuivere kwaliteit van het Bijbelse verhaal, inclusief de afmetingen van de Ark [7] en de hoeveelheid details, alles beschreven op een sobere, feitelijke wijze, betekent dat het Bijbelse verhaal absoluut geloofwaardig is. John Woodmorappe demonstreerde dat zelfs de kleinste details redelijk zijn.[8]

Als wij de conventionele datering aanvaarden welke wordt toegekend aan dit epos (De chronologische geschiedenis van het Midden Oosten is nogal onderhevig aan veranderingen, waarbij de data steeds meer naar boven (jonger) worden bijgesteld [9]), is de meer waarschijnlijke verklaring dat het verhaal van Noach en de zondvloed en dat van Gilgamesh, dezelfde gebeurtenis in de geschiedenis beschrijven. Het Bijbelse verhaal, een betrouwbaar ooggetuigenverslag is het meest accuraat, terwijl het verhaal van Gilgamesh gecorrumpeerd is. Deze slinkse verwijzing naar Gilgamesh mag dus geen rol spelen bij de juiste beschouwing van paleosolen.

[Red. opmerking: De afgeleide Gilgameshtheorie, die Meert zonder kritiek accepteert wordt weerlegt in Noah’s Flood and the Gilgamesh Epic.]

Tenslotte moeten we ook de in de tekst geciteerde en op de foto vermelde miljoenen jaren negeren. Zoals al dikwijls aangegeven [10], worden stenen niet gevonden met labels die hun ouderdom prijsgeven. De leeftijden zijn een interpretatie gebaseerd op aannames over “hoe de gesteenten werden gevormd”. Aannames die niet kunnen worden bewezen. [11], [12] Afhankelijk van je aannames kun je elke gewenste leeftijd verkrijgen. Omdat zij werden afgezet tijdens de zondvloed zouden wij op basis van opgeschreven getuigenverslagen een leeftijd van 4.500 jaar toekennen.

Interpretatieve kaders

Met betrekking tot oude bodems in het fossielen register, is het begrijpelijk dat Meert gelooft dat paleosolen door de gehele geologische kolom te vinden zijn. Immers het concept van paleosolen is stevig verankerd is in het uniformitarische denken. Het is gewoon een toepassing van het uniformitarische kader die de processen van het heden, ongenuanceerd extrapoleert naar het verleden. Er is enorm veel literatuur over paleosolen [13], [14], met inbegrip van talloze boeken [15], [16] en cursussen op universitair niveau. [17] Het is dus begrijpelijk, dat mensen denken dat het een overduidelijke zaak is waarover geen twijfel mogelijk is. Pas als we gaan zoeken naar een alternatief verklarend kader en de veldmonsters in detail bestuderen, ontdekken we dat de zaken anders liggen dan wordt beweerd.

Dus, als eerste moeten we de paleosolen binnen een alternatief geologisch kader plaatsen, één dat gebaseerd is op de het Bijbelse verslag. Er zijn twee perioden waarin bodems op aarde aanwezig zijn:

  1. In de periode vóór de zondvloed. Het valt echter te betwijfelen of de bodem van vóór de zondvloed bewaard is gebleven in die catastrofe. Waarschijnlijk is zij vernietigd. [18] Ook is er geen doorslaggevend geologisch bewijsmateriaal voor de aanwezigheid van paleosolen vóór de zondvloed.
  2. Bodemlagen ontstaan in de periode na de zondvloed, zoals we ook vandaag overal bodems en bodemvorming zien. Aan het eind van de zondvloed zou er een periode van snelle bodemprofielvorming geweest zijn. Bodemvormingreacties zouden versneld hebben plaatsgevonden als bij het droogvallen van de grond, lucht de bodem wordt ingezogen. Het afvloeien van het vloedwater door de bovenlagen zou snelle afvoer van de fijnste deeltjes en ionen van de ene horizont naar de volgende bevorderen. In het stratigrafische register van Oost-Australië zijn specifieke horizonten van bodemformaties geïdentificeerd op sterk geërodeerde planatievlakken. [21] Dergelijke unieke vensters van bodemvorming kunnen in verband worden gebracht met de geologische processen in de laatste afvloeifase van het vloedwater. Tenslotte heeft normale verwering/erosie binnen enkele jaren na de zondvloed bodem gevormd op het landoppervlak.

Bodems die aan het einde van de zondvloedperiode en het begin van de post-zondvloed (periode na de zondvloed) zijn gevormd konden vervolgens zijn bedekt door op de zondvloed volgende processen zoals overstromingen, vulkanisme en winderosie. Dit zouden de echte paleosolen zijn. Feitelijk werd het idee van paleosolen voor het eerst door geomorfologen en bodemdeskundigen ontwikkeld om het Quartair te onderzoeken. De studie van deze post-zondvloed bodems werd toen verruimd naar de geologische tijden en naar oudere gesteenten, gebaseerd op de aanname van het uniformitarisme. [22]

Een goede plek om te zoeken naar een echte paleosol is op plaatsen waar een aardverschuiving heeft plaats gevonden bij bijvoorbeed een weginsnijding. Omdat de overheid wegen bouwt en onderhoudt is er geld beschikbaar om het puin (de afgeschoven grond) weg te halen, en de aardverschuiving komt in het nieuws, en is dus goed beschreven. Het colluvium (afgeschoven sediment) moet wel dik genoeg zijn om het vorige oppervlak te isoleren van de moderne bodemvormende processen, bij voorkeur een paar meter of meer. Een belangrijk punt aangaande zulke paleosolen is dat vaststaat dat het historische paleosolen zijn.

Meert’s voorbeeld van een ‘paleosol’

Laten we eens kijken naar Meert’s paleosol (Figuur 1), dat zogenaamd de wereldwijde zondvloed zou weerleggen. Creationisten twijfelen er niet aan dat het zandsteen in Meert’s foto een afzetting is van de zondvloed. Ook zouden de meeste creationisten het graniet zien als een vloedafzetting, hoewel sommigen denken dat het gevormd is tijdens de scheppingsweek. De manier waarop de foto voorzien is van lijnen die het contact tussen grond en gesteente aangeven, kan de indruk wekken dat dit een echte paleosol is. Maar dan zouden we het materiaal op de foto niet verwachten. (Zelfs als het graniet dateert vanaf de Scheppingsweek, wat betekent dat er genoeg tijd was om een bodem te vormen in de tijd tussen Schepping en zondvloed, zouden wij niet verwachten dat de grond op zijn plek zou blijven liggen tijdens de zondvloed). We zullen niet enkel zien dat het hier niet gaat om een bodemhorizont, maar ook dat dit bijzondere geval meer problemen oplevert dan de meeste anderen, en dat Meert beter af zou zijn geweest met een ander geloofwaardiger voorbeeld.

Kijk nog eens opnieuw naar het dagzoomgesteente op de foto van Meert genomen langs de Missouri State Highway 67. Natuurlijk is het niet mogelijk om gesteenten op een foto, die van een dergelijke afstand is genomen, te herkennen. De mineralen en textuur zijn niet te onderscheiden. Ook is het niet eenvoudig om gesteenten, korstmossen, mengsels en schaduw duidelijk te onderscheiden. Het zou de voorkeur verdienen om het gesteente visueel te inspecteren. Echter aan de voet van het gesteente op de foto, zien we een klein stukje blootgelegd van een licht gekleurd gesteente. Het heeft een korrelstructuur maar toont geen duidelijke formatie (lagen of dwarsligging/ cross-bedding). We kunnen aanvaarden dat het graniet is, zoals Meert het noemde.

Bovenop de Butler Hill Granite bevindt zich op een ongelijkmatige laagovergang (gemarkeerd door een lijn, maar verder geen duidelijke contactovergang) een materiaal van soortgelijke kleur en textuur. Het lijkt echter los en korrelig. Links zijn enkele grotere klastische (uit gruis ontstane) brokken verspreid over het oppervlak. Het lijkt erop dat er geen horizontale lagen of horizonten aanwezig zijn in dit losse materiaal.

Op de foto wordt dit materiaal aangeduid als ‘paleosol’ en lijkt het ongeveer een halve meter dik (op basis van de hoogte van de begroeiing). Bovenop dit losse materiaal bevindt zich op een duidelijke horizontale rechte lijn een dunne iets donkerder laag, maximaal 1 m dik. Het wordt het Lamotte Zandsteen genoemd. Het bestaat uit 5 cm dikke sedimentaire afzettingen, die suggereren dat het zandsteen is afgezet door stromend water. De overduidelijke sedimentaire afzettingen suggereren ook dat de lagen niet veel gekanteld of verstoord zijn na de afzetting. Bovenop het zandsteen groeit wat gras en kleine planten. Het is niet mogelijk de laag te identificeren waarin zij groeien maar hij moet tamelijk dun zijn.

Beoordeling van Meert’s claim

Om te begrijpen wat een paleosol is, dient men zich enigszins te verdiepen in de bodemkunde en bodemvormende processen. Bodemlagen kunnen door verwering/erosie ontstaan uit basisgesteenten (zoals gehard lava) of van instabiele sedimenten. [23] De meeste bodemlagen bestaan uit drie horizonten aangeduid als A, B en C horizonten (zie Figuur 3) [23] De A horizont treft men aan bij het oppervlak en wordt door de meeste mensen toplaag genoemd. Gewoonlijk is deze laag nogal donker van kleur door de aanwezigheid van organische koolstof door de afstervende en rottende plantendelen. De B horizont ligt direct onder de A horizont en is beïnvloed geweest door in- en uitspoeling van en naar de verschillende horizonten. [23]
B horizonten hebben gewoonlijk een lichtere kleur dan de A horizonten en zijn donkerder dan C horizonten. In volwassen bodems wordt de B horizont getypeerd door een verhoogde hoeveelheid klei tengevolge van kleideeltjes die vanuit de A horizont inspoelen. In de B horizont kan een kleifilm rond de zandkorrels worden aangetroffen en dit duidt op het inwassen van kleideeltjes vanuit de A horizont. De C horizont is gewoonlijk geërodeerd moedermateriaal.

Figuur2
Figuur 2. Een hypothetisch bodemprofiel. De A horizont (Uitspoelingshorizont) heeft minerale deeltjes vermengd met fijneverdeelde organische stof, dat de donkere kleur veroorzaakt. De B horizont (Inspoelingshorizont) is verrijkt met klei-mineralen, oxiden en hydroxiden uitgespoeld uit de bovenliggende A horizont, en is lichter van kleur. De echte grond of ‘solum’ is vertegenwoordigd door de A en de B horizonten. De C horizont is nauwelijks veranderd door de processen en kan geproduceerd zijn door chemische verwering van het basisgesteente dat eronder ligt, of afgezet door water, ijs of vulkanische activiteit. De kleur kan variëren. De D horizont is het onverweerde moedergesteente.

De drie belangrijkste veldkenmerken om paleosolen te beschrijven zijn sporen van wortels, horizonten en bodemstructuur. Additionele bijzaken die in verband staan met de wijze waarop de paleosol past binnen de gesteentevolgorde dienen ook beoordeeld te worden.[24]

Het eerste punt betreffende de veronderstelde paleosol, dat door Meert wordt beschreven als een uitstekend voorbeeld van een goed ontwikkelde paleosol, is dat er geen melding wordt gemaakt van wortelsporen. De foto is van te grote afstand genomen om ze te kunnen waarnemen. De aanwezigheid van wortels wordt ook niet genoemd in de tekst. M.a.w. het eerste, meest diagnostische kenmerk van een paleosol (en daarmee het meest belangrijke) [25] wordt niet vermeld.

Echter, zelfs als er melding wordt gemaakt van sporen van wortels in zogenaamde paleosolen (die duidelijk afkomstig zijn van vloedafzettingen) dan zijn die wortels vaak simpelweg een interpretatie van plantenresten, of zelfs van lege buisvormige holten die geïnterpreteerd worden als wortelfossielen. [26] Deze kenmerken kunnen met hetzelfde gemak worden geïnterpreteerd als het product van processen die plaats vonden tijdens de zondvloed. Bijvoorbeeld plantmateriaal dat naar die locatie werd getransporteerd, of afwatering kanaaltjes.

Het tweede en belangrijke punt aan dit ‘voortreffelijke voorbeeld’ is, dat er niets duidt op enige bodemontwikkeling. De veronderstelde paleosol heeft dezelfde kleur als het graniet waarvan het is afgeleid. Het kan hoogstens worden omschreven als verbrokkeld graniet. Er is geen enkel spoor van een ontwikkelde B horizont (met toegevoegde klei of neerslagproducten ten gevolge van uitspoeling) of van een A horizont (met organische koolstof toevoeging).

Het derde veldkenmerk waarmee paleosolen worden geïnterpreteerd is de bodemstructuur. De bodemstructuren lijken op het eerste gezicht massief te zijn of hoekig. [27] Waarschijnlijk gebruikte Meert dit kenmerk als criterium voor het interpreteren van de paleosol in Figuur 1. Maar enkel dat een structuur van een geologische horizont los en korrelig is betekent niet dat het ontwikkeld is door sub-aeriale erosie. Zoals we zullen zien, zijn er andere aannemelijke verklaringen voor deze eigenschap, passend binnen een kader dat overeenkomt met het Bijbelse verhaal van de zondvloed.

Er is dus geen onomstreden diagnostisch argument in de foto te vinden ter ondersteuning van Meert’s claim dat het niet-geconsolideerde materiaal een goed ontwikkelde paleosol is. Met andere woorden, omdat iemand zegt dat iets een paleosol is en het als zodanig adresseert betekent nog niet dat het werkelijk zo is.

Gesteente volgorde

Naast de drie belangrijkste veldeigenschappen die zijn besproken, zijn er andere complicaties waar we aandacht aan moeten besteden en deze hebben te maken met het inpassen van paleosolen in de gesteentereeksen. [28] Als we de volgorde van de gebeurtenissen in ogenschouw nemen die van toepassing zijn op de geologie van het gebied aangaande Meert’s bewering, kunnen we zien dat het idee van een paleosol nog problematischer is. Dit heeft te maken met types gesteentes die het betreft. Laten we eens nagaan wat de uitwerking is van Meert’s idee. De opeenvolging van gebeurtenissen zoals vereist in een uniformitarisch kader wordt weergegeven in Figuur 3:

Figuur 3
Figuur 3. Volgorde van geologische processen binnen een uniformitarisch kader vereist om een paleosol te produceren en te behouden op Precambrisch graniet.

  1. Granitisch magma drong de oorspronkelijke gesteenten binnen (nu niet meer aanwezig) en vormde en vulde een grote magmakamer, die geleidelijk afkoelde om een granitische pluton te vormen. (uniformitaristen geloven dat plutonen zich gewoonlijk op grote diepte vormden binnen de continentale korst en miljoenen jaren nodig hadden om af te koelen. Deze misvattingen zijn behandeld in een aantal artikelen over de vorming van graniet. [29-32] )
  2. De bovenliggende gesteentelaag (soms tientallen kilometers dik) was langzaam en compleet weggeërodeerd door normale sub-aeriale verweringsprocessen totdat de granieten pluton bloot kwam te liggen. Gedurende deze gehele verweringsperiode werd voortdurend een bodemlaag gevormd aan de oppervlakte en voortdurend weer verwijderd door erosie.
  3. Het land werd toen bedekt met water waarbij zand werd afgezet bovenop de grondlaag (dat later veranderde in zandsteen). De bedding in het zandsteen geeft aan dat het water er met zeer veel energie doorheen stroomde.
  4. Tenslotte verweerde het zandsteen door sub-aeriale verweringsprocessen, totdat slechts de meterdikke laag was overgebleven die we vandaag in de weguitsnijding zien.

Stap 3 vormt het grootste probleem voor Meert’s paleosol bewering. Hoe kon stromend water met voldoende energie grote hoeveelheden zand verplaatsen en om een horizontale vlakke bedding te vormen, het dunne en rulle grondlaagje ongemoeid laten? Waarom was het graniet niet schoongespoeld zoals de rotsen die uitsteken in de zee aan de kust? Wat voor bijzonder proces kon de bodemlaag in stand houden op het graniet te midden van het snelstromende water? Het lijkt erop dat Meert’s keuze van een ‘excellent voorbeeld van een goed ontwikkelde paleosol’ zijn eigen argument niet ondersteunt.

Een geloofwaardiger voorbeeld van een paleosol?

Een geloofwaardiger voorbeeld van een paleosol, tenminste als we de gesteentevolgorde als invalshoek nemen, zien we in een blootliggend basalt op het Mapleton-Maleny plateau in Queensland, Australië (Figuur 4). [33] Hier zien we een serie basaltstromen met daartussen rode aardachtige horizonten die geïnterpreteerd zijn als oude bodems bedekt met opeenvolgende lavastromen.

Figuur 4
Figuur 4. Lijntekening van zogenaamde ‘oude bodemlagen’ tussen de basaltstromen op het Mapleton-Maleny Plateau, Queensland, Australië.

Vergelijk de vlakke topografie van de ‘oude bodemlagen’ met het huidige landschap (van Willmott en Stevens).[40]

Van één laag in het bijzonder is de dikte uitgelegd als “een laag met een aanzienlijke tijdsprong (waarschijnlijk duizenden jaren) tussen de uitbarsting van één lavastroom en de volgende”.

In tegenstelling tot het eerder genoemde voorbeeld van Meert is de opeenvolging van gebeurtenissen die zo’n bodemlaag produceerde wel haalbaar. De eerste basaltlaag zou sub-aeriaal afgezet kunnen zijn. Daarna zou over tijd de basaltlaag kunnen zijn verweerd tot de getoonde bodemlaag. Tenslotte zou een volgende basaltlaag over het land kunnen zijn gestroomd en de grond hebben bedekt. Deze gesteenteopvolging is tenminste aannemelijk.

Het basaltplateau is gedateerd als laat Oligoceen, dat wil zeggen laat in de geologische geschiedenis. Het plateau is ook meerdere malen doorsneden door brede valleien, wat erop duidt dat het geërodeerd is in de laatste fase van de zondvloed toen grote watervolumes nog steeds van het continent spoelden. Dus vanuit het zondvloedmodel gezien zouden we verwachten dat het basalt is afgezet door de vloedwateren en de losse korrelige horizont zou dus geen echte sub-aeriale grond zijn.

Als we de veronderstelde paleosol in het veld bestuderen ontdekken we dat het gewoon een dikke horizont is van los, korrelig materiaal. Er is geen spoor van wortelresten. Noch is er een A en een B horizont. Het bewijsmateriaal nodig om ons te overtuigen dat de veronderstelde bodem inderdaad een bodem is ontbreekt. Maar er is meer. Ten eerste, als de dikke korrelige horizont een bodemlaag was voor de uitbarsting, zouden wij direct onder het basalt in de oude bodemlaag een verbrande laag veronderstellen, maar deze is niet aanwezig.

Ten tweede dient het verschil in topografie tussen het huidige landschap en het landschap van de oude bodemlaag te worden opgemerkt. Het huidige landschap heeft een aanzienlijk verticaal reliëf, het is een heuvellandschap. Toch liggen de oude bodemlagen horizontaal en parallel over het plateau. Hoe konden duizenden of tienduizenden jaren verwering een dergelijke dikke laag grond veroorzaken zonder een topografisch reliëf te produceren? Hoewel de situatie in Mapleton-Maleny een betere kans maakt dan Meert’s, is het toch geen echte paleosol.

Een interpretatie gebaseerd op de zondvloed

Hoe vormde de losse korrelige laag zich onder het zandsteen dat zich onder het graniet bevindt zoals getoond in Meert’s foto? Kan de zondvloedgeologie een acceptabele verklaring geven? Jazeker. Deze laag korrelig materiaal is geen probleem voor de jonge-aarde geologie. In figuur 5 is een eenvoudig zondvloed scenario weergegeven en als volgt beschreven:

  1. Gedurende de eerste helft van de wereldwijde zondvloed, drong als gevolg van tektonische activiteit granitisch magma het veldgesteente (dat nu niet langer aanwezig is) binnen. Het vulde een grote magmakamer die uiteindelijk afkoelde en een granietpluton vormde. De intrusie hoeft niet noodzakelijkerwijs erg diep te zijn geweest. Ook hoeft het niet per se snel te zijn afgekoeld om de granietstructuur te vormen. [29], [32]
  2. Figuur 5
    Figuur 5. Volgorde van geologische processen binnen het kader van de Bijbelse zondvloed nodig om een paleosol te produceren en te conserveren op Precambrisch graniet.

  3. Later, maar nog in de eerste helft van de zondvloed, heeft snelstromend water het veldgesteente geërodeerd, het graniet blootgelegd en het zandsteen afgezet op het graniet.
  4. In de tweede helft van de zondvloed, erodeerde het terugtrekkende water de sedimentaire lagen waarbij in dit gebied slechts een dunne laag zandsteen achterbleef. [34-36]
  5. Na de zondvloed, verweerde het graniet in de tussenlaag tengevolge van stilstaand water. [37] Het zandsteen zal waterdoorlatend zijn geweest waardoor het water kon wegzakken naar de overgangslaag. Het graniet zorgde voor een ondoordringbare laag waardoor het water kon blijven staan. Mogelijk vormden er zich ondergrondse kanalen in bepaalde gebieden, die zorgden voor de afvoer van water van het landschap. Ook zuurstof en organische zuren zouden doordringen in de tussenlaag omdat het zandsteen op deze locatie zo dun is. Deze zuren zijn bijzonder agressief in het afbreken van de meer gevoelige mineralen in het graniet zoals biotiet en amphibool, waardoor de meer resistente mineralen overbleven zoals kwarts en veldspaat.

Dit model is eenvoudig en plausibel en vereist geen speciale wonderlijke processen om de bodemlaag intact te houden zoals in Meert’s paleosol theorie. Een vergelijkbaar model kan worden toegepast op de losse korrelige lagen tussen de basaltlagen op het Mapleton-Maleny plateau. In feite zou de basalt in situ veel sneller uiteengevallen zijn vanwege de hitte uit de lavastromen, die de chemische processen versnellen. Deze twee voorbeelden van paleosolen vormen geen probleem voor de zondvloedgeologie. In plaats van paleosolen te zijn, hebben de korrelige structuren alleen maar de schijn van paleosolen te zijn. Het zijn pseudosolen.

In de uniformitarische literatuur zouden er duizenden geologische horizonten kunnen zijn die geïnterpreteerd zijn als paleosolen. In feite is de gehele paleosol-methodologie gebaseerd op het uniformitarische paradigma en is ze toegerust om paleosolen te interpreteren in het gehele stratigrafische register. Hoewel het heel gewoon is dat paleosolen in het Kwartair voorkomen, komen zij slechts sporadisch voor in de oudere gesteenten. Dit past ook in het zondvloedkader en een post-zondvloed begrenzing in het late Cenozoïcum. Het strookt niet met het uniformitarisme, dat ervan uitgaat dat recente geologische processen ook van toepassing waren door de hele geologische tijdschaal.

De meeste geologen hebben geen kennis van het Bijbelse zondvloed-kader en zijn dus niet alert op verschijnselen in het veld die onderscheid maken tussen een echte paleosol en een pseudosol. Het zou een interessante (maar bijna eindeloze) taak zijn om een grotere serie veronderstelde paleosolen te bestuderen en te herinterpreteren binnen het zondvloed model. Froede [3], Kleveberg en Bandy [4] hebben vele van de uitkomsten bestudeerd en een goede basis gelegd voor verder veldwerk.

De uniformitarische beweringen aangaande paleosolenzijn vergelijkbaar met hun claims betreffende de paleo-karst. [38] Silvestru heeft aangetoond dat de vermeende paleokarst in het Pre-Cenozoic helemaal geen karst is maar pseudo-karst. [38] Echte karstvorming vond plaats binnen een heel speciaal geologisch kader, dat zich het beste laat verklaren vanuit het geologisch zondvloedmodel. [39] Op dezelfde wijze past ook de bodemvorming vanuit het zondvloed perspectief in een klein kader, dat een belangrijk hulpmiddel kan vormen voor veldgeologen om het stratigrafische register op correcte wijze te verklaren.

Conclusie

De aanwezigheid van een losse, korrelige laag tussen het Butler Hill graniet en het Lamotte Zandsteen in een wegdoorsnijding op Missouri State Highway 67 vertegenwoordigt geen tegenslag voor de Bijbelse zondvloed en het Jonge-Aarde creationisme. Dit geldt eveneens voor de zogenaamde oude bodemlaag op het Mapleton-Maleny Plateau, Queensland, Australia. Als we vanuit een bijbels perspectief naar de veldgegevens kijken, blijkt het geen anathema te zijn. We ontdekken dat het beter past in het Bijbelse kader dan in het kader van het uniformitarisme. De bedoelde bodemprofielen werden niet gevormd door sub-aeriale verweringsprocessen, maar door in situ verwering tijdens en na de zondvloed. In de uiteindelijke analyse, tenzij historisch gewaarmerkt, is het concept van een paleosol slechts een interpretatie, niet een geobserveerd wetenschappelijk feit.



Naschrift

Herziening figuur 1

In zijn zaak tegen het jonge-aarde creationisme, gebruikt Meert Figuur 1, als het beste voorbeeld van een paleosol. Na publicatie van dit artikel in TJ veranderde Meert de afbeelding op zijn website (hier rechts weergegeven). Hij reduceerde de breedte van de foto tot ongeveer 57% om een schaalfout te herstellen die hij in het oorspronkelijke GIF-bestand had gemaakt. Ook wijzigde hij de positie van de lijnen waarmee hij de veronderstelde paleosol had aangegeven. Deze lijnen sluiten nu het losse puin geassocieerd met de grotere klasten aan de linkerkant uit. Zelfs in dit 200 dpi plaatje, zijn de klasten duidelijk zichtbaar die ik opmerkte in het bovenstaande artikel. Hij veranderde ook het label van ‘Paleosol’ in ‘Regolith en Paleosol’, waarmee hij zich terugtrekt van de claim dat al het losse materiaal eens bodem was.

Geen van de door Meert aangebrachte veranderingen is van invloed op de argumenten of de conclusies van het artikel hierboven. Feitelijk geeft Meert nu toe dat zijn foto niet zo’n goed voorbeeld was. Hij zegt dat zijn foto niet bedoeld was om de paleosol te beschrijven en dat hij bij een volgend bezoek aan deze locatie, betere foto’s zal nemen. Dat zal niet helpen, want dit losse materiaal is geen paleosol. Niets van wat Meert heeft getoond vertegenwoordigt ook maar enige bedreiging voor de Bijbelse zondvloed.

Dit voorbeeld geeft een illustratie van hoe te reageren op dergelijke anti-creationistische uitdagingen. Het is van belang om de bluf en het geblaat te negeren, en zorgvuldig het bewijsmateriaal te bestuderen. Als we dat doen, verdwijnen de veronderstelde problemen en veranderen zij die de aanklacht doen, vaak hun verhaal.



Referenties en aantekeningen

[1] Faure, G., Principles and Applications of Geochemistry: A Comprehensive Textbook for Geology Students, 2nd Ed., Prentice Hall, Upper Saddle River, p. 355, 1991.
[2] Meert, J., Radiometric Dating, Paleosols and the Geologic Column: Three Strikes against Young Earth Creationism, <www.gondwanaresearch.com/hp/paleosol.htm>, updated 3 July 2002, downloaded 14 July 2003.
[3] Froede, C.R. Jr., Field Studies in Catastrophic Geology, Creation Research Society Books, pp. 21–28, 1998.
[4] Klevberg, P. and Bandy, R., Postdiluvial soil formation and the question of time: part I—pedogenesis, CRSQ 39(4):252–268, 2003. See also: Klevberg, P. and Bandy, R., Postdiluvial soil formation and the question of time: part II—time, CRSQ 40(2):99–116, 2003.
[5] Ryan, W. and Pitman, W., Noah’s Flood: The New Scientific Discoveries About the Event That Changed History, Simon & Schuster, 1998.
[6] Lorey, F., The Flood of Noah and the flood of Gilgamesh, Impact 285, Institute for Creation Research, 1997.
[7] Hong, S.W., Na, S.S., Hyun, B.S., Hong, S.Y., Gong, D.S., Kang, K.J., Suh, S.H., Lee, K.H. and Je, Y.G., Safety investigation of Noah’s Ark in a seaway, TJ 8(1):26–36, 1994.
[8] Woodmorappe, J., Noah’s Ark: A Feasibility Study, Institute for Creation Research, El Cajon, CA., 1996.
[9] Down, D., Searching for Moses, TJ 15(1):53–57, 2001.
[10] Batten, D.(Ed.), The Updated and Expanded Answers Book, Answers in Genesis, pp. 63–82, 1999.
[11] Woodmorappe, J., The Mythology of Modern Dating Methods, Institute for Creation Research, El Cajon, CA., 1999.
[13] Collinson, J.D., Alluvial sediments; in: Reading, H.G., Sedimentary Environments: Processes, Facies and Stratigraphy, 3rd Ed., Blackwell Science, pp. 37–82, 1996, lists examples of papers and publications.
[14] A paleosol bibliography, <www.geocities.com/earthhistory/pweathering.htm>, 14 July 2003.
[15] Retallack, G.J., Soils of the Past: An Introduction to Paleopedology, Allen and Unwin, London, 1990.
[16] Reinhardt, J. and Sigleo, W.R. (Eds.), Paleosols and Weathering Through Geologic Time: Principles and Applications, Special Paper 216, The Geological Society of America, 1988.
[17] Geology 435/535 Paleopedology, <www.uoregon.edu/~dogsci/retail/Paleoclasses/geol435.htm>, 14 July 2003.
[18] Hunter, M.J., The pre-Flood/Flood boundary at the base of the earth’s transition zone, TJ 14(1):60–74, 2000.
[19] Austin, S.A. and Wise, K.P., The pre-Flood/Flood boundary: as defined in Grand Canyon, Arizona and Eastern Mojave Desert, California; in: Walsh, R.E. (Ed.), Proceedings of the Third International Conference on Creationism, Creation Science Fellowship, Pittsburg, pp. 37–47, 1994.
[20] Froede, C.R. Jr., Precambrian metazoans within a young-earth Flood framework, TJ 13(2):90–95, 1999.
[21] Day, R.W., Whitaker, W.G., Murray, C.G., Wilson, I.H. and Grimes. K.G., Queensland Geology: A Companion Volume to the 1:2,500,000 Scale Geological Map (1975), Geological Survey of Queensland, Publication 383, 1983.
[22] Reinhardt, Ref. 16, p. vi.
[23] Faure, Ref. 1, pp. 354–358.
[24] Retallack, G.J., Field recognition of paleosols; in: Reinhardt and Sigleo, Ref. 16, pp. 1–20.
[25] Retallack, Ref. 24, p. 7.
[26] Retallack, Ref. 24, pp. 1–7.
[27] Retallack, Ref. 24, p. 9.
[28] Retallack, Ref. 24, p. 10.
[29] Snelling, A.A. and Woodmorappe, J., The cooling of thick igneous bodies on a young Earth; in: Walsh, R.E. (Ed.), Proceedings of the Fourth International Conference on Creationism, Creation Science Fellowship, Pittsburgh, pp. 527–545, 1998.
[30] Snelling, A.A., ‘Rapid’ granite formation, TJ 10(2):175–177, 1996.
[31] Woodmorappe, J., The rapid formation of granitic rocks: more evidence, TJ 15(2):122–125, 2001.
[33] Willmott, W.F. and Stevens, N.C., Rocks and Landscapes of the Sunshine Coast, Geological Society of Australia (Queensland Division), Brisbane, pp. 25–26, 1988.
[34] Walker, T., A biblical geological model; in: Walsh, R.E. (Ed.), Proceedings of the Third International Conference on Creationism, Pittsburgh, pp. 581–592, 1994.
[35] Oard, M.J., Vertical tectonics and the drainage of floodwater: a model for the middle and late diluvian period—part I, CRSQ 38(1):3–17, 2001.
[36] Oard, M.J., Vertical tectonics and the drainage of floodwater: a model for the middle and late diluvian period—part II, CRSQ 38(2):79–95, 2001.
[37] Het zou ook kunnen, dat het losse korrelige materiaal op het graniet het gevolg is van water dat in het begin zorgde voor convectieve afkoeling van het plutoon, en laterale stroming van het grondwater na de zondvloed. Deze alternatieven zouden moeten worden bestudeerd in het veld door zorgvuldig onderzoek van de ontsluiting [*] (in plaats van door bestudering van een lage resolutie foto). Het zou noodzakelijk zijn om de paleo-hydraulische informatie in het zandsteen te bestuderen en vast te stellen of er granitisch materiaal of bodemklasten in het zandsteen zijn doorgedrongen. [*] Een ontsluiting is een plaats waar een gesteente aan de oppervlakte komt (dagzoomt) en onbegroeid te zien is.
[38] Silvestru, E., Paleokarst—a riddle inside confusion, TJ 14(3):100–108, 2000.
[39] Silvestru, E., The riddle of paleokarst resolved, TJ 15(3):105–114, 2001.
[40] Willmott and Stevens, Ref. 33, p. 25.

Originele Engelse tekst op: http://www.creationontheweb.com/content/view/1671/