Recensie “Oorspronkelijk” van M. J. Paul

Onlangs verscheen het boek “En de aarde bracht voort” van dr. G. van den Brink. Even later verscheen “Oorspronkelijk” van dr. M.J. Paul.1 De boeken zijn onafhankelijk van elkaar geschreven maar hebben niettemin veel overeenkomst in thematiek. Het eerste boek verdedigt de stelling dat het bijbels aanvaardbaar is om te geloven dat God door evolutie schiep. Paul wijst dat af, allereerst om bijbelse redenen; daarnaast ook om wetenschappelijke redenen.

Het eerste boek heb ik al besproken; ik wil nu het boek van Mart-Jan Paul recenseren en daar het boek van Van den Brink bij betrekken. Ook nu bied ik—evenals bij de bespreking van Van den Brink—meer dan een recensie. Het is een reactie op het boek met een persoonlijk karakter, wat ook bij dit boek past. Ik verwijs tussen haakjes naar de bladzijden in het boek.

Inleiding

Laat ik beginnen met een persoonlijke herinnering. De Evangelische Hogeschool was nog maar net opgericht vanuit de Stichting Bijbelgetrouwe Wetenschap. Het uitgangspunt was de betrouwbaarheid en het gezag van de Bijbel met een toespitsing waar het gaat om de historiciteit van de schepping in zes dagen en de wereldomvattende zondvloed. Die benadering karakteriseerden we als “bijbelgetrouw” en dat is ook de oorspronkelijke betekenis. In die tijd was het creationisme net begonnen aan een opmars en het verzet daartegen was groot. Verzet van de kant van vele christenen, natuurwetenschappers, docenten, en academici die geloofden dat de evolutietheorie zo goed als bewezen was. Maar ook kwam er kritiek van de kant van theologen die niet meer geloofden in de historische betrouwbaarheid van de Bijbel en de boodschap van de Bijbel scheidden van de verpakking of het verhaal.

In die tijd kwam ik in contact met Mart-Jan Paul, een bijbelgetrouw theoloog die in Leiden bezig was met een promotie over het Schriftgezag en de toen populaire idee van de bronnensplitsing. In wat je zou kunnen karakteriseren als het hol van de leeuw bleef hij overeind en orthodox, zonder compromissen te sluiten met de Schriftkritiek. Moedig, grondig en hartverwarmend! Hij werd docent aan de EH en ik leerde hem toen ook als mens en collega kennen en waarderen.

Mijn vreugde was des te groter omdat in de jaren van ongeveer 1960 tot 1980 ook in orthodoxe kring steeds meer gemorreld werd aan de inhoud en historiciteit van Genesis 1–12. Ik herinner me een vergadering waar in besloten kring werd gediscussieerd over de aanvaardbaarheid van de evolutietheorie. Sommigen meenden dat daar ruimte voor was: als je aannam dat de zes scheppingsdagen geen echte dagen waren geweest maar alleen een verhalend kader, was er geen probleem. Anderen meenden dat dat de weg baande naar vergaande Schriftkritiek. De discussie werd afgebroken en niet voortgezet, naar mijn indruk uit angst voor verdeeldheid. Een aantal jaren later bleek dat ook de historiciteit van Adam en Eva werd betwijfeld. Het geloof in “schepping door evolutie” verbreidde zich, vaak ondergronds. Dat kwam aan het licht toen het Nederlands Dagblad van koers veranderde en de EO spijt betuigde over haar creationistisch verleden.

Toch zijn er ook positieve ontwikkelingen. Er zijn drie reeksen bijbelcommentaren verschenen die bijbelgetrouw zijn: Het Commentaar Nieuwe Testament onder redactie van dr. J. van Bruggen, de Studiebijbel Nieuwe Testament onder redactie van J.C. Bette e.a. en de Studiebijbel Oude Testament onder redactie van o.a. Paul.

Daarnaast heeft het Reformatorisch Dagblad zich vorig jaar expliciet gedistantieerd van het theïstisch evolutionisme.

Het creationisme is veel sterker en volwassener geworden terwijl de creationisten zich in Nederland hebben verenigd in de gemeenschappelijke stichting Logos.nl. Het nu verschenen boek van Paul is een nieuwe mijlpaal in dat proces.

Framing

Ik herhaal wat ik ook al schreef in de bespreking van Van den Brink. Ik heb van een zoon geleerd hoe belangrijk het is welke positie je inneemt bij een strijd. “Choose your battles,” zei hij en hij had gelijk. Sinds die tijd heb ik beter in de gaten dat anderen dat doen in discussies, evenals hoe ze dat doen. Welke dingen haal je voor het voetlicht, wat laat je buiten beschouwing? Hoe omschrijf je begrippen? Bij het nieuws heet dat “framen”, in een kader zetten waardoor gebeurtenissen haast vanzelf geïnterpreteerd worden zoals dat jou uitkomt.

Daar is op zich niets op tegen, het gaat vaak vanzelf. Maar het kan leiden tot tunnelvisie, bijvoorbeeld bij de politie, als bij het onderzoeken van een misdaad men te snel probeert te bewijzen dat één bepaalde verdachte de dader is. Het kan leiden tot slechte, onevenwichtige journalistiek als de werkelijkheid geen recht wordt gedaan. Dan kan het nieuws afglijden naar indoctrinatie. De verschillen tussen kerkgenootschappen kunnen berusten op een verschil in framing. Het kan bij geschiedschrijving leiden tot vertekening als iemand probeert het verleden voor zijn eigen ideologisch karretje te spannen. Het kan bij wetenschapsbeoefening leiden tot selectief onderzoeken, waarnemen, interpreteren, en gladstrijken van de resultaten. Soms wordt er zelfs regelrecht bedrog gepleegd, bijvoorbeeld bij onderzoek naar de effectiviteit van medicijnen. Hoe groter het financiële of ideologische belang, hoe meer je op je hoede moet zijn!

Als je er een antenne voor krijgt, zie je dat het gevaarlijkste de schijnbare vanzelfsprekendheid van het frame is. In “En de aarde bracht voort” zit veel framing en dat geldt ook voor het boek van Paul. Beide boeken zijn heel goed geschreven en het kan de lezer zomaar ontgaan. Beide schrijvers geven bovendien ook over het algemeen duidelijk aan wat hun frames zijn, maar dat neemt de schijnbare vanzelfsprekendheid niet weg. Toch is het heel belangrijk bij de beoordeling. Ik zal daarom ook in deze bespreking een aantal frames analyseren en bespreken.

Het gaat dan om andere frames dan bij Van den Brink. Dat komt door een verschil in benadering. Bij Paul staat de Bijbel centraal en een gevolg daarvan is dat hij zich niet beperkt tot de biologische evolutietheorie.

 

  1. Het gezag van de Bijbel.

Als je de bijbel leest en overdenkt, ga je stilzwijgend uit van vooronderstellingen. Heb je te maken met ideeën van mensen of met openbaring van God aan en door mensen? Is wat je leest historisch betrouwbaar of gestempeld door de beperkte kennis van vroeger eeuwen? Moet de Bijbel gelezen worden in het licht van buiten-bijbelse kennis of is die kennis niet strikt noodzakelijk maar alleen mogelijk verhelderend? Dat zijn de vragen van de hermeneutiek.

Een van de kenmerken van de Reformatie was het geloof dat de Bijbel ook door leken gelezen kan worden en begrepen, omdat ze duidelijk is wat betreft de hoofdzaak. Bovendien geloofden de Reformatoren dat de Bijbel betrouwbaar was en dat ze haar gezag niet ontleende aan de Kerk of de traditie, maar aan zichzelf. Dat is samengevat in de uitspraak “Sola Scriptura”: alleen de Heilige Schrift. Die betrouwbaarheid geldt ook voor de historiciteit van alles dat als waargebeurd wordt beschreven.

Nu kan het zo zijn, dat het hedendaagse geschiedwetenschappelijke beeld van het verleden niet overeenstemt met wat de Bijbel zegt. Zo is het in de loop van de geschiedenis op vele punten geweest en keer op keer is het beeld van de geschiedenis bijgesteld ten gunste van de bijbel. Daaruit kunnen we leren, dat we ons niet zo druk hoeven maken over dergelijke knelpunten. Kort door de bocht: de bijbel is door God geïnspireerd, de wetenschap niet.

Aan de andere kant kan het een aanleiding zijn om te zien of de bijbel goed is uitgelegd. Maar meer dan een aanleiding is het niet en als er geen bevredigende oplossing gevonden wordt, dan zullen we rustig afwachten of het beeld van de geschiedwetenschap wordt bijgesteld.

Voor Paul heeft de bijbel zonder meer het hoogste gezag.

 

  1. Het wereldbeeld van de bijbel.

In de discussie over schepping of evolutie speelt de gedachte dat de bijbel de taal spreekt van een verouderd wereldbeeld een belangrijke rol. Op die manier zou God zich hebben aangepast aan de kennis die mensen vroeger hadden. Dat is een vorm van accommodatie, net zoals je op de basisschool dingen versimpeld kunt vertellen. Je hebt hier te maken met een toespitsing van het vorige thema. Kun je aan het Sola Scriptura vasthouden en geloven in het idee van een verouderd wereldbeeld? Is accommodatie een oplossing bij spanning tussen wetenschap en wat de bijbel zegt of lijkt te zeggen?

Paul gaat hier uitgebreid op in. Hij analyseert waar het idee van een verouderd wereldbeeld vandaan komt en waarom het geen recht doet aan de bijbel. Datzelfde doet hij met de theorie van accommodatie. In beide gevallen staat centraal dat de bijbel de taal spreekt van het zien, de taal van een kijkbeeld, zoals ik dat eens heb gekarakteriseerd.2 Uit het spreken over de zon die ondergaat hoeft niet te blijken dat je gelooft dat de zon om de aarde draait. Uit het spreken over de vier hoeken van de aarde, hoeft niet te blijken dat je denkt dat de aarde een vierkant is. Dat de maan “het grote licht” ’s nachts is, betekent slechts dat ze veel meer licht geeft dan de sterren en planeten.

Gezien het vele misbruik dat gemaakt is van een verondersteld verouderd wereldbeeld, doet Paul hier erg goed werk! Hetzelfde geldt voor de accommodatietheorie. Je moet daarbij wel onderscheiden of die betrekking heeft op God en Wie Hij is, of op wat Hij concreet op aarde doet.

God schiep door te spreken. Dat is iets dat boven ons verstand uitgaat. We geloven het maar kunnen het niet begrijpen. Hij rustte uit, maar dat zal anders zijn dan ons uitrusten.

Maar de beschrijving van wát Hij schept is geen accommodatie: dat is wel te begrijpen. Hij vormt een man, Hij gebruikt een rib, Hij plant twee bomen in het centrum van de hof van Eden. Hij schept in zes dagen, preciezer gezegd, zes etmalen. De duivel verschijnt in de vorm van een slang. Als je dat niet letterlijk neemt, doe je geen recht aan de tekst.

 

  1. De hermeneutische cirkel.

Ik heb het gehad over het gezag en de duidelijkheid van de bijbel. Vervolgens heb ik het gehad over de blijvende geldigheid van wat de bijbel openbaart doordat er geen verouderd wereldbeeld wordt geleerd. De bijbel biedt ook geen aanpassing waarbij iets dat nooit gebeurd is als historisch wordt beschreven. Een derde punt is echter evenzeer van belang. Bij de uitleg van de bijbel lezen we een onderdeel vanuit het geheel van de bijbel en het geheel weer als som van de uitleg van onderdelen. Dat heet de hermeneutische cirkel.

Als je Genesis 1–3 leest is het van belang na te gaan hoe dat past in het geheel van het boek Genesis en van de eerste vijf bijbelboeken. Dan zie je dat er een structuur in Genesis is, die de historiciteit van de eerste hoofdstukken bevestigt. Bovendien biedt de geschiedenis van schepping, zondeval en zondvloed een onmisbare basis voor de voorgeschiedenis van het volk Israël. Dat is bijvoorbeeld heel duidelijk bij de instelling van de rustdag (Exodus 20:9–11, 31:17).

Als je vervolgens Genesis 1 tot 11 leest, is het ook van belang na te gaan hoe de Bijbel elders spreekt over de schepping, de zondeval en de zondvloed. Paul gaat dat uitgebreid en zorgvuldig na. Daarbij blijkt dat elders in de Bijbel het gebeurde tot in details als echt gebeurd en van groot belang wordt aanvaard, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Het verschil met visionaire taal en beeldende toekomstprofetie is evident. Dat bevestigt de juistheid van de eerste indruk bij het lezen van het begin van de bijbel.

 

  1. De geschiedenis van de exegese.

De volgende vraag is hoe in de loop der eeuwen Genesis 1–11 zijn uitgelegd. Het is mogelijk, dat er eeuwen lang een verkeerd zicht is geweest op onderdelen van de bijbel, mogelijk door culturele invloeden. Maar al is de traditie niet beslissend, ze is toch veelzeggend. En bij afwijking van de traditie is het gewenst duidelijk te maken wat heeft gemaakt dat er in het verleden langdurig andere conclusies zijn getrokken.

Paul geeft een zorgvuldig en uitgebreid overzicht over de uitleg van Genesis in de loop der eeuwen. De grote lijn is onmiskenbaar: ook tegen het gangbare denken in las de Kerk de geschiedenis van schepping, zondeval en zondvloed als waargebeurd. Pas met de opkomst van het rationalisme en de evolutietheorie veranderde dat en ontstond de scheiding tussen “boodschap” van de tekst en de (historische) verpakking. Ook dit gedeelte is waardevol om het beeld van deze geschiedenis, dat we bij Van den Brink tegenkomen, bij te stellen.

Laat ik dit toelichten met de uitleg van Augustinus. Hij waarschuwt tegen onvoorzichtigheid bij het trekken van conclusies op grond van het onderzoek van de schepping. Hij noemt twee punten:

  • Ga na in de Bijbel of zulke conclusies juist zijn.
  • Maar wees bij het trekken van conclusies uit de bijbel evenzeer voorzichtig!3

Dat is dus een waarschuwing voor zowel Van den Brink als Paul.

Augustinus gaat uit van de historiciteit van Genesis 1–11. Dat blijkt uit zijn opvatting dat de aarde slechts enkele duizenden jaren oud is. Maar hij veronderstelt ook dat God de wereld in één moment schiep en dat “de vertelling in Genesis 1 zes dagen gebruikt om de schepping inhoudelijk duidelijk te maken” (68). Dat doet hij op grond van een theologisch idee: de tijd is gelijktijdig met de schepping geschapen en daarom kan het scheppen niet in zes dagen gebeurd zijn. Duidelijk is, dat hij zich dus niet laat leiden door een theorie over evolutie, maar door een theologisch idee. Dat idee brengt hem er toe de bijbel op een onderdeel niet letterlijk te nemen. Ik karakteriseer dat als een ”theologisme”, waarbij een theologische constructie de maatstaf wordt voor wat in de Bijbel niet serieus/anders gelezen zou moeten worden. Dit is een variant op wat Van den Brink doet, alleen gebruikt die niet de theologie maar de evolutietheorie als maatstaf.

Augustinus is op dit punt voorbarig met het trekken van conclusies uit de bijbel doordat hij zich laat leiden door een theologische constructie. Maar Augustinus laat zich daarbij niet leiden door de “natuurwetenschap”.

Van den Brink past zijn uitleg van de bijbel ook aan door het maken van een theologische constructie om het conflict tussen evolutietheorie en bijbel op te heffen. Hij poneert dat de bijbel van een verouderd wereldbeeld uitgaat, hij ontwerpt een leer van het “beperkt perspectivisme” en die gebruikt hij als maatstaf voor wat in de bijbel niet serieus/anders gelezen moet worden. Hij laat zich daarbij leiden door de natuurwetenschap. Komt dat op hetzelfde neer als wat Augustinus doet? Dat lijkt misschien zo, maar dat is het niet. Augustinus handelt in strijd met zijn eigen tweede waarschuwing: het lezen van de bijbel. Maar Van den Brink handelt in strijd met beide waarschuwingen. Eerst trekt hij met (in schijn veronderstelde) stelligheid onjuiste conclusies uit “de geheimen van de natuur”. Daarna brengt hij “onzekere en twijfelachtige opvattingen” (zijn perspectivisme) als zekerheden.

Paul laat zien dat wat Augustinus doet van een fundamenteel ander karakter is dan wat gebeurt bij het theïstisch evolutionisme.

Ik ben op dit onderdeel ingegaan, omdat eenzelfde probleem zich weer voordoet bij Calvijn. In zijn accommodatietheorie laat Calvijn zich ten dele leiden door een theologisme als het gaat om Gods eigenschappen. Maar als het gaat om de uitleg van Genesis 1 is dat niet het geval. Als Calvjjn het daar over accommodatie heeft, gaat dat om het spreken in de taal van het kijkbeeld. Bovendien is de accommodatie, de aanpassing aan het begripsvermogen van de mens, bij Calvijn steeds op theologische gronden en beslist niet op natuurwetenschappelijke gronden.

Bij het spreken over accommodatie moet daarom steeds nagegaan worden wat dat begrip inhoudt en hoe het functioneert (240-242).

 

  1. De archeologie.

De voor de hand liggende volgende stap is het onderzoek van archeologische gegevens. Daarmee verlaten we het terrein van de bijbeluitleg en komen op het terrein van de geschiedwetenschap. Nog een stap verder en we zitten op het terrein van de natuurwetenschap, waar de evolutietheorie dominant is. Maar ook op het gebied van de archeologie geldt dat in het algemeen de bijbelse gegevens weinig gewicht in de schaal leggen. Wanneer je daar toch van uitgaat, zul je de gangbare interpretatiekaders eerst maar moeten laten voor wat ze zijn.

Waarom noem ik dan toch dit frame? Paul gaat er heel kort op in, Van den Brink helemaal niet. En als je kijkt naar het gangbare beeld van de geschiedenis van de mensheid kun je er ook geen argumenten aan ontlenen, die een bijbelgetrouwe exegese ondersteunen. Om maar één punt te noemen: voor een wereldomvattende zondvloed is geen plaats.

Toch verdient dit frame een expliciete plaats in de discussie over de uitleg van Genesis 1–11. Ik noem een aantal punten die pleiten voor een bijbelgetrouwe exegese.

  • De (vaak vervormde maar onmiskenbare) kennis onder primitieve volken wereldwijd van schepping, zondeval en zondvloed is een sterk argument voor een gemeenschappelijk verleden (188, 189).4
  • De ontwikkeling van monotheïsme naar polytheïsme past bij het beeld van het verleden dat de bijbel geeft (190).5
  • Het ontstaan van de menselijke taal. Volgens de bijbel is de mens geschapen met het vermogen te spreken en te luisteren. Volgens de evolutietheorie moet dit geleidelijk ontwikkeld zijn in een proces van vallen en opstaan (186).6
  • Het ontstaan van de verschillende talen. Volgens de bijbel zijn ze door God bewerkt toen Hij de oorspronkelijke ene taal verwarde. Volgens de evolutietheorie moet één taal zich ontwikkeld hebben tot de vele structureel verschillende talen of de verschillende talen moeten afzonderlijk ontstaan zijn. Beide opties zijn zeer onaannemelijk (186).7
  • De chronologie. De oude Griekse vertaling van het Oude Testament maakt het waarschijnlijk, dat de wereld ouder is dan de huidige vertalingen van de bijbel doen vermoeden. De zondvloed heeft dan plaatsgevonden rond 3300 v.Chr. (188). Dat sluit goed aan bij het ontstaan van de eerste steden en van het schrift.

 

  1. De confrontatie, theologisch.

Het is nodig om je standpunt te toetsen aan alternatieven. Bij de vragen rond schepping of evolutie gaat het dan op vier onderdelen:

  • De theologie met de hermeneutiek en de exegese
  • Gods openbaring in de schepping
  • Bezinning op de aard van wetenschap
  • De evolutietheorie en het creationisme

Eerst de theologie. Paul bespreekt de opvattingen van een theoloog en een natuurwetenschapper: John Walton en Denis Alexander.

Walton is hoogleraar Oude Testament aan het Wheaton College in Amerika. Hij gaat er vanuit dat de evolutietheorie klopt en hij stelt een model op waarmee hij het conflict tussen de bijbel en de evolutietheorie denkt te kunnen wegnemen.

Hij gaat er vanuit dat de bijbel een weergave bevat van de beperkte inzichten uit de tijd van de bijbelschrijvers. Ik citeer Paul: “Het is dan onze taak de bedoeling van de tekst te begrijpen, want daar gaat het om.” (214); “De vorm moet onderscheiden worden van de boodschap.” (217); Het is de insteek die we ook bij Van den Brink vinden. Als je deze stap hebt gezet, ben je vrij om zelf uit te maken wat tot de vorm en wat tot de boodschap behoort. En je kunt dat zo doen, dat je aan de evolutietheorie kunt vasthouden.

Paul geeft een grondige beschrijving en analyse van de uitwerking door Walton van dit uitgangspunt. Zijn kritiek is overtuigend. Ik ga toch nog op één punt in, omdat dat steeds weer terugkomt in discussies. Het gaat over de vraag hoe we de bijbel lezen.

“Walton verdedigt krachtig dat Genesis geen wetenschappelijke tekst biedt, waarbij hij de suggestie wekt dat anderen dat wel vinden, in het bijzonder zij die een materiële visie op de schepping hebben … Klopt deze voorstelling? Het is een wijdverbreid misverstand dat zij die uitgaan van een letterlijke schepping in zes dagen menen, dat Genesis een wetenschappelijke tekst is. Het is beter te stellen dat die tekst een uitgangspunt biedt voor wetenschappelijke activiteiten. De geschiedenis en de beschrijving van hoe de aarde gemaakt is, hebben consequenties voor de wetenschappelijke arbeid, maar vormen zelf geen wetenschappelijke tekst.” (239, onderstreping van mij).

Wat Paul hier beknopt en krachtig formuleert grenst het gebruik van de bijbel af tegen misbruik en wijst daarnaast richting hoe de bijbel toch richting kan wijzen in de wetenschap.

Vervolgens de natuurwetenschapper, Denis Alexander. Hij roept op om de bijbel niet als westerse maar als oosterse literatuur te lezen (256). Daarbij maakt hij echter een heilloze tegenstelling tussen die twee. Bij Walton functioneert het veronderstelde verouderde bijbelse wereldbeeld als middel om vorm en boodschap te scheiden. Bij Alexander is het vroeg-oosterse wereldbeeld, zoals hij dat schetst, het middel om te selecteren uit wat de bijbel beschrijft en om “de vertelling achter de vertelling” (259) te reconstrueren, ofwel de boodschap uit de verpakking te halen. Ik noemde het heilloos, omdat hiermee het gezag van de bijbel wordt uitgehold, te meer omdat al snel duidelijk is dat het criterium daarbij de gewenste ruimte voor de evolutietheorie bedraagt. Paul bespreekt ook Alexanders argumentatie en wijst die af, omdat zo de bijbel geen recht gedaan wordt.

 

  1. Het boek der natuur, Gods openbaring in de schepping.

We lezen in de bijbel dat de schepping getuigt van Gods grootheid en goedheid (Psalm 19:2–7, Romeinen 1:18–25). Dat heeft geleid tot de gedachte dat de schepping “als een boek” is, waarin we God leren kennen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) spreekt daarover in artikel 2. “Wij kennen God door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld, want deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden, namelijk zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Romeinen 1:20. Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen.”

Nu wordt door theïstisch evolutionisten wel als volgt geredeneerd: de natuurwetenschap maakt duidelijk wat God openbaart. Wat God in de bijbel zegt kan niet in strijd zijn met wat Hij in de natuur zegt. Over de uitleg van de bijbel zijn we het niet eens. Maar over de evolutietheorie is wel brede eenstemmigheid. Dus moet de evolutietheorie kloppen en moet de uitleg van de bijbel zich aanpassen.

Daarbij worden de beide “boeken”, de bijbel en de schepping, op één lijn gezet alsof ze gelijkwaardig zijn. Maar dat is onjuist. De NGB vervolgt: “Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door zijn heilig en goddelijk Woord, …” De bijbel staat dus boven de kennis uit de natuur, want ze is “duidelijker en volkomener” als het er om gaat God te leren kennen. We leren in de Bijbel God kennen als de Schepper van hemel en aarde, die openbaart dat—en tot op zekere hoogte hoe—Hij de wereld heeft geschapen. Hij sprak en het was er. Hij is geen God die de vele miljoenen jaren lange strijd om het bestaan gebruikte om via dood en verderf in een proces van trial and error de mens te laten evolueren. Of—en zo ja, in welke mate—er biologische dood was voor de zondeval, is naar mijn mening bespreekbaar. Maar in ieder geval was er geen menselijke dood voor de zondeval en schiep God de mens als één man en één vrouw. Dat is bijbels zonneklaar.

Als je dat op grond van de evolutietheorie ontkent, doe je alsof het boek der natuur ons God beter leert kennen dan de bijbel. Dan overschat je de wetenschap en misken je het gezag van de bijbel. Dat is een vorm van sciëntisme, wetenschapsverheerlijking, geloof in de wetenschap of, beter gezegd, bijgeloof.

Paul gaat overtuigend op dit fundamentele punt in (441-447).

 

  1. De verhouding geloof en wetenschap.

Het vorige punt ging over een christelijke misvatting met betrekking tot het gezag van de wetenschap. Nu volgt een meer algemene bespreking van de aard van de wetenschap.

Paul onderscheidt vier niveaus in de discussie over het ontstaan van deze wereld:

  • Vooronderstellingen, wetenschapsfilosofie
  • Geloof, levensbeschouwing
  • Theorieën
  • Feiten

Hij past dit onderscheid toe op theorieën van creationisme en theïstisch evolutionisme (37–42). Daarbij sluit hij zich aan bij Maarten Verkerk, Marc De Vries en Henk Jochemsen, die namens de reformatorische wijsbegeerte hoogleraar zijn. Zij staan in “de traditie van de reformatorische wijsbegeerte, waarvan Herman Dooyeweerd de grondlegger is” (41). Zijn conclusie is dat de evolutietheorie inherent levensbeschouwelijk bepaald is.

Het gemaakte onderscheid is fundamenteel en essentieel! Het staat haaks op de benadering van Van den Brink, met zijn neutralistische visie op de evolutietheorie alsof die een ”‘kale’ wetenschappelijke theorie is, dus zonder dat er een ideologische bovenlaag aan toegevoegd wordt”. Hij gelooft dat “de evolutietheorie uiteindelijk slechts een wetenschappelijke theorie is—niet meer en niet minder”.8

Is die aansluiting bij de reformatorische wijsbegeerte en Dooyeweerd verstandig? Ik heb zelf van die wijsbegeerte belangrijke dingen geleerd, onder andere in de colleges van Prof. Mekkes die in Leiden liep. Bijvoorbeeld de onderscheiding in “wetskringen”, aspecten van de werkelijkheid die niet tot elkaar te herleiden zijn en de analyse van de levensbeschouwelijke bepaaldheid van de wetenschap. Maar Dooyeweerd en de genoemde wijsbegeerte hebben helaas vele jaren het theïstisch evolutionisme verdedigd.9 In de praktijk is die wijsbegeerte kennelijk op dit punt onvoldoende onderscheidend. Het stemt tot vreugde dat bij de nieuwe generatie hoogleraren een aantal van hen kritischer staan tegenover de evolutietheorie. Het beroep op de bijbel heeft echter binnen die wijsbegeerte sinds Dooyeweerd doorgaans slecht gefunctioneerd terwijl het in het creationisme essentieel is daarvan uit te gaan. Zie het onderstreepte stuk in frame 6. Dat lijkt nog steeds een rol te spelen. Paul gaat zelf in zijn uitwerking ook verder dan de door hem geciteerde hoogleraren.

Een knelpunt in de discussie hierover is de vraag hoe vooroordelen leiden tot overwaardering van de wetenschap. Daarbij spelen drie punten een belangrijke rol.

  • In de natuurwetenschap wordt de werkelijkheid gereduceerd tot slechts één van diens aspecten: het materiële. Als je leven, instinct, gedrag, schoonheid, doelmatigheid, zinvolheid allemaal wilt terugbrengen tot het materiële, doe je de werkelijkheid geen recht. In de taal van de reformatorische wijsbegeerte: het is verabsolutering van één aspect.

Denk aan de uitspraak: Het geheel is meer dan de som van de delen. Als je een aantal eiwitten bij elkaar voegt, is dat als regel alleen kwantitatief meer dan de som van de delen. Maar als je een levende cel produceert uit eiwitten is dat kwalitatief meer dan de som van de delen. Hetzelfde geldt voor taal. Als je een aantal letters achter elkaar en/of samen zet, is dat voornamelijk kwantitatief meer. Het kan misschien leiden tot een woord of enkele woorden achter elkaar. Maar als het een roman wordt, is het kwalitatief fundamenteel meer, meer dan een toevallige combinatie. Zo zijn er kwalitatieve grenzen in de natuur, waardoor je bijvoorbeeld schoonheid niet kunt zien als een toevallige optelsom van kleuren, of instincten als een toevallig resultaat van natuurlijke selectie. Als je daar geen oog voor hebt, ben je als reductionist bezig en doe je de werkelijkheid geen recht.

  • Dat hangt samen met een tweede punt: het methodologisch naturalisme in de natuurwetenschap. Je hebt in die benadering niet te maken met natuurwetenschap, met experiment en interpretatie, maar met filosofie! Dat naturalisme houdt geen rekening met andere factoren, invloeden, of oorzaken dan de natuurlijke. Dat hoeft niet te betekenen, dat je gelooft dat er alleen maar zulke factoren zijn. Je kunt en mag best geloven in wonderen, alleen spelen die in de natuurwetenschap geen rol. Je mag best spreken over geloven in een (bovennatuurlijke) Schepper. Maar het is niet toegestaan om daar wetenschappelijk rekening mee te houden als het gaat om het ontstaan van de wereld waarin wij leven, zelfs als er geen redelijke natuurlijke verklaring voor te vinden is!

Het ontbreken van een puur materiële verklaring wordt opgevangen met een beroep op “toeval”. Maar het gebruik van dit woord kan misleidend zijn. Een voorbeeld: “Het eerste leven op aarde is toevallig ontstaan, er was niets doelgerichts aanwezig.” Die stelling suggereert een zekerheid die niet natuurwetenschappelijk van aard is. Als natuurwetenschapper kun je niet meer dan zeggen dat je niet weet hoe en waardoor het eerste leven is ontstaan en dat er (vooralsnog) geen naturalistische verklaring voor valt te geven. Zeg je dat de eerste cel spontaan is ontstaan, dan is dat een levensbeschouwelijke, filosofische, geloofsuitspraak. Dat is geen enkel probleem, als je die maar niet als natuurwetenschappelijk presenteert. Dan verkoop je knollen voor citroenen. In de taal van de reformatorische wijsbegeerte: je miskent dan de levensbeschouwelijke bepaaldheid van de natuurwetenschap, die is verhuld in de verabsolutering van een methodologisch principe.

  • Je kunt zonder enige moeite en zonder vooringenomenheid constateren, dat veel in de natuur blijk geeft van een ontzagwekkende onderlinge samenhang, complexiteit, doelmatigheid en efficiëntie. Sterker nog, er is ook wat schoonheid betreft sprake van een indrukwekkende creativiteit, en uit het gedrag van dieren blijkt een vorm van orde die verder gaat en hoger reikt dan louter chemische ordening. We hebben hier te maken met de onherleidbaarheid van leven tot materie, van instincten tot een samenstel van cellen, van schoonheid tot puur dierlijk bestaan, van bewustzijn tot dierlijke instincten. Dat is een kernpunt in de reformatorische wijsbegeerte.

In dit verband kun je spreken over Intelligent Design. Dat is een concept dat uitgaat boven de naturalistische beperking in de methodologie van de wetenschap. Dat geldt overigens evenzeer voor het geloof dat het alles een zaak is van toeval. Toch is er groot verschil tussen een verklaring met Intelligent Design en een verklaring met toeval. De verklaring met toeval is niet adequaat, die met Design wel. Het verzet tegen Intelligent Design is te verklaren uit de angst dat die verklaring verbonden wordt met geloof in de Schepper, zoals de voorkeur voor de toevals-verklaring te begrijpen valt uit de wens om God buiten beeld te houden. Hier staat dus niet natuurwetenschap (de evolutietheorie) tegenover geloof (creationisme), maar geloof tegenover geloof. (403-419)

 

  1. De evolutietheorie en het creationisme.

Paul beperkt zich niet tot exegese, theologie en wijsgerige vragen. Hij gaat ook in op concrete wetenschappelijke argumenten. Daar heb ik groot respect voor! Het gaat om een zeer breed terrein, het is niet zijn oorspronkelijk vakgebied. Het vraagt moed om in te gaan tegen de stroom van wat gangbaar is en tegen vele natuurwetenschappers, theologen en filosofen in christelijke kring die zich vaak tamelijk kritiekloos conformeren aan de meerderheid en “de wetenschap”.

In dit kader voert hij vele steekhoudende argumenten aan tegen de evolutietheorie (420, 421, 432–436). Nu zou het zo kunnen zijn dat vele aanhangers daarvan die argumenten als relevant accepteren, maar tegelijkertijd vragen naar een samenhangend alomvattend alternatief.

Ik kan er kort over zijn: dat is er niet. Er zijn wel aanzetten op deelgebieden, maar daarover is intern nog veel verschil van mening. Kort samengevat: we kunnen met stelligheid zeggen, dat de evolutietheorie fundamenteel niet juist is. We hebben verder een aantal algemene principes waarmee we de werkelijkheid ten dele kunnen verklaren. Maar veel blijft een “gegeven”. Wat is, is zoals het is omdat God het zo heeft gewild. Al dan niet na de zondeval.

Dat dwingt in de eerste plaats tot bescheidenheid tegenover God. Zie Job, hoofdstuk 38–40.

Het maakt ons vervolgens ook bescheiden tegenover evolutionisten. Zij hebben een theorie waarin zij geloven, waarop zij vertrouwen. Wij hebben geen alternatieve theorie. We doen het met de Bijbel en met beperkte kennis van de schepping. En dat moet ons genoeg zijn! Ik denk, dat het anders zou uitlopen op zelfverheffing tegenover onze opponenten op grond van onze theorie.

Het maakt echter ook duidelijk dat we in sommige opzichten veel meer hebben!

  • Wij zien in de schepping Gods grootheid, macht, wijsheid, creativiteit, en zorg, die in de evolutietheorie verborgen blijft.
  • Hij is geen God van afstand, die de wereld heeft overgelaten aan zichzelf en de krachten van de natuur. Nee, hij kent ons, leidt ons, beschermt ons van dag tot dag.
  • Wij leren God kennen uit de geschiedenis als een God van liefde, genade, en trouw.
  • Ons leven wordt niet gestempeld door de strijd om het bestaan in een wereld zonder hoop, maar door een leven in liefde en in vrede met God, de ander en jezelf, in hoop op verlossing en radicale herschepping van de wereld.

 

  1. Het verschil tussen scheppingsgeloof en creationisme.

Een laatste “frame”: Is creationisme een soort aanvulling op de bijbel? Moet je als orthodox christen creationist zijn?

Een theïstisch evolutionist gelooft in de juistheid (al dan niet beperkt tot een “kern”) van de evolutietheorie. Dat is de basis voor de herinterpretatie van de bijbel.

Een creationist gelooft in de juistheid van de bijbel. Dat is de basis voor zijn kritiek op de evolutietheorie. Daar hoef je overigens geen creationist voor te wezen! Gezond verstand en kritische zin kunnen ook zonder geloof in God of de bijbel leiden tot fundamentele kritiek op de evolutietheorie. Denk aan de inbreng van Intelligent Design, oog voor het werk van God, soms zelfs bij mensen die niet in God geloven.

Orthodoxie valt niet samen met creationisme! Er zijn vele christenen die in geloof aanvaarden wat de bijbel zegt over een schepping in zes dagen en een wereldomvattende zondvloed zonder dat ze een uitgesproken mening hebben over hoe het dan zit met wetenschappelijke argumenten van evolutionisten en creationisten. Paul spreekt in zijn boek over “klassiek scheppingsgeloof” (23) en het is goed om dat te onderscheiden van creationisme. Het creationisme omvat het eerste maar het eerste niet het creationisme. Kritiek op het creationisme is prima. Het is een vorm van wetenschap, die met vallen en opstaan verder komt. Maar kritiek op het klassiek scheppingsgeloof is in strijd met het karakter en gezag van de bijbel.

Je kunt vinden, dat je niet in staat bent om te beoordelen of en waarom de evolutietheorie wel of niet klopt. Maar ieder christen is in staat om te lezen en te begrijpen wat de bijbel overduidelijk zegt. Als je dat loslaat vanwege een theorie die je niet begrijpt en waarbij je op de wetenschap afgaat, ben je verkeerd bezig.

Vergelijk het met het boek van de natuur. Dat spreekt overduidelijk van Gods grootheid en goedheid. Als je die boodschap miskent, verwerpt en de schepping gaat zien als een autonoom resultaat van toevalsprocessen, dan “heb je geen verontschuldiging” (Rom. 1:18-24).

Zo is het ook met de boodschap van de bijbel. Die spreekt overduidelijk over schepping en zondvloed. Als je die boodschap miskent, vergeestelijkt of van haar historisch karakter berooft, heb je geen verontschuldiging.

 

Conclusie

Als ik nog een keer de boeken van Paul en Van den Brink vergelijk, zie ik in de doelstelling verbondenheid. Dat is de oprechte en vurige wens om het christelijk geloof en de betrouwbaarheid van de bijbel te verdedigen tegen misbruik van de evolutietheorie. Daar hebben beiden ontzettend veel energie in gestoken en dat verdient grote waardering!

Ze verschillen echter fundamenteel als het gaat over de vraag hoe dat dan moet.

Van den Brink beperkt zich tot de biologische evolutie (en laat in het midden hoe het dan zit met de evolutietheorie in bredere zin, van oerknal via eerste leven naar de mens). Hij neemt aan dat de aarde miljarden jaren oud is en dat uit de fossielen een geleidelijke ontwikkeling blijkt. De biologische evolutietheorie verklaart dan hoe dat proces heeft plaatsgevonden. Dat zijn de pijlers: hoge ouderdom, fossiele volgorde, evolutie. Dat is voor hem aanleiding om te kijken of de bijbel zo uitgelegd kan worden, dat er geen conflict is. In theorie is zijn geloof in de evolutie aanleiding om de uitleg van de bijbel te heroverwegen. In de praktijk functioneert het evolutionistisch kader echter als dwangbuis. Zijn benadering kan wat dat betreft als “evolutie-getrouw” worden gekarakteriseerd, maar niet als bijbelgetrouw.

In dat licht is het frappant om te zien hoe Paul te werk gaat. Pas aan het eind van zijn boek gaat hij in op de dateringskwesties (432-436)! Op grond van de bijbel neemt hij aan dat de aarde niet meer dan tienduizend jaar oud is. Hij constateert nuchter dat de evolutietheorie dan geen grond meer onder de voeten heeft en dat er wetenschappelijke argumenten zijn om de hoge ouderdom van miljarden jaren in twijfel te trekken. Ook bij Paul is de evolutietheorie aanleiding om nog eens extra zorgvuldig de bijbel te lezen. In stappen, van Genesis 1–3, dan 1–12, dan de boeken van Mozes, dan het Oude Testament, dan het Nieuwe Testament, dan de geschiedenis van de exegese, dan de hermeneutiek. Maar bij Paul wordt de aanleiding niet tot een verleiding waar hij voor zwicht. Bij hem staat het gezag van de bijbel voorop en heeft dat meer gewicht dan de evolutietheorie. Deze benadering is te typeren als bijbelgetrouw en ook als “evolutie-kritisch”.

Van den Brink laat alle ruimte voor de evolutietheorie, inclusief toekomstige ontwikkelingen en mogelijke aanpassingen. Dat gaat ten koste van het gezag van Gods Woord en het is de eerste stap op een weg die voor velen steeds verder van de bijbel af voert.

Paul laat de bijbel de ruimte om voor zichzelf te spreken. Dat is in de lijn van het reformatorische beginsel Sola Scriptura: alleen Gods Woord heeft het hoogste gezag. Dat orthodoxe uitgangspunt heeft niet alleen betrekking op kerkelijk leergezag of kerkelijke traditie, maar ook op allerlei buiten-bijbelse bronnen, wetenschappelijk of cultureel. Het gevolg is, dat Paul grote (en terechte!) problemen heeft met de evolutietheorie en met de grote meerderheid die gelooft dat die theorie juist is. Dat hij voor die problemen niet aan de kant gaat is bijzonder prijzenswaardig. Daar is moed voor nodig. Ook is de bereidheid nodig om de zware weg te gaan van het kennis nemen van de veelomvattende kritiek op de onderbouwing van de evolutietheorie. Zijn boek getuigt daarvan: het is principieel orthodox, inspirerend en moreel standvastig, getuigend van grote inzet en nuchter kritische zin. Kortom, op al die punten een goede leidraad!

 

Referenties en noten

  1. Oorspronkelijk, Overwegingen bij schepping en evolutie, dr. M.J. Paul, Labarum Academic, Apeldoorn 2017.
  2. J.A. van Delden, Schepping en wetenschap, (Amsterdam, Buijten & Schipperheijn, 1987 2e druk), 63-75.
  3. “De geheimen van de natuur, waarvan wij inzien dat ze gemaakt zijn door de almachtige kunstenaar God, mogen niet met stelligheid worden besproken. Ze moeten daarentegen bestudeerd worden door te zoeken in de boeken die het goddelijk gezag bij ons aanbeveelt. De roekeloze die bij het bestuderen van die boeken onzekere en twijfelachtige opvattingen als zekerheden verkoopt, kan de beschuldiging van heiligschennis maar moeilijk ontlopen.” Uit: G. van den Brink, En de aarde bracht voort, christelijk geloof en evolutie (Utrecht, Boekencentrum, 2017), p. 13.
  4. Zie W.J. Ouweneel, De ark in de branding, (Amsterdam, Buijten & Schipperheijn, 1976); T. Evenboer, De wereldwijde vloed, mythe of geschiedenis van de mensheid? (Hoornaar, Gideon, 2012).
  5. Richardson, De eeuwigheid in hun hart, aangrijpend bewijs van geloof in de enige ware God in honderden culturen over de hele wereld (Hoenderloo, Novapres, 2002).
  6. In het begin van de twintigste eeuw zijn er theorieën ontwikkeld over het ontstaan van de menselijke taal, maar die hadden zo weinig om het lijf, dat er is overgestapt op taalverwerving door kinderen. Dan weet je waar je het over hebt. Inmiddels wordt er weer gespeculeerd over het ontstaan van de menselijke taal, maar ook dat is puur hypothetisch, uitgaande van de juistheid van de evolutietheorie. Zie: https://www.nemokennislink.nl/publicaties/evolutie-kan-ook-oorsprong-van-taal-verklaren/
  7. Volgens de evolutietheorie zouden de talen een ontwikkeling moeten hebben meegemaakt van simpel naar complex. Het verwonderlijke is echter dat primitieve talen zeer complex zijn en moderne talen simpeler. Er is bij wijze van spreken op dit gebied eerder degeneratie dan evolutie!
  8. G. van den Brink, En de aarde bracht voort, Christelijk geloof en evolutie (Utrecht, Boekencentrum, 2016), p. 30.
  9. J.A. van Delden, Kritiek op het creationisme, wetenschapsgeloof binnen de Calvinistische Wijsbegeerte (in Bijbel en Wetenschap, 6e jrg. nr. 41, april 1981), p. 13–32. En dat geldt nog steeds bij velen. Zie bijvoorbeeld het beroep dat Van den Brink doet op de Nederlandse filosoof Jacob Klapwijk en diens boek ”Heeft de evolutie een doel?” (Van den Brink, p. 287, 288).