Botsen over het begin: helderheid is nodig – recensie

Botsen over het begin: helderheid is nodig – recensie
Boekrecensie door drs. J.A. van Delden, Amersfoort 24 juni 2011

 

Botsen over het begin boekomslag
Botsen over het begin Bavincklezingen 2009 Redactie K. van Bekkum, en G. Harinck Nederlands Dagblad, Barneveld 2010 ISBN 978 90 72801 53 pagina’s €7,50

In het Darwinjaar 2009 is er veel discussie geweest voor de vragen rond schepping en/of evolutie. Het Nederlands Dagblad en het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) hebben in dat verband een reeks van vier lezingen georganiseerd, die in deze brochure gebundeld zijn. In deze bespreking ga ik kort in op elke lezing. Maar eerst twee opmerkingen vooraf over de helderheid die nodig is.

Helderheid nodig!
Er zijn in de discussie minstens vijf invalshoeken, die essentieel zijn. Ik noem ze met bij elk een voorbeeld ter toelichting.

Wat de Bijbel betreft gaat het dan om:

  • de hermeneutiek (de ‘theorie’ over de uitleg van de Bijbel). Wat betekent de ‘historische betrouwbaarheid’ van de Bijbel: ‘Echt gebeurd’ of ‘Er wordt gedaan alsof het echt gebeurd is’?
  • de exegese (de concrete uitleg van de Bijbel). Kwam de zondvloed over de hele aardbol of was het een regionaal gebeuren? Of is er soms helemaal geen ‘zondvloed’ geweest?!

Wat de uitgangspunten of, de voorvragen betreft noem ik:

  • de wijsgerige vragen. Hoe vind je een antwoord op de vragen naar de oorsprong en het doel van wat er is?
  • de wetenschapstheoretische vragen. Wat is het gevolg van de natuurwetenschappelijke methodische beperking tot het rationeel-empirische voor de vragen over ontstaan en geschiedenis van deze wereld?

Wat de natuurwetenschap betreft, noem ik:

  • de vele concrete vragen op het terrein van biologie enz.. Welk ‘bewijs’ is er voor het ontstaan van materie, van leven en de evolutie daarvan van eencellige tot de mens?

Als er geen helderheid is op deze terreinen blijft de discussie vaak steken in een spraakverwarring.

Een voorbeeld van de hierboven genoemde spraakverwarring uit het Woord vooraf van dit boekje: ‘… was het christelijk geloof nu wel of niet in overeenstemming te brengen met de feiten uit de wetenschap?’. Het begrip ‘de feiten’ zet de lezer op het verkeerde been. In de praktijk blijkt het te meestal gaan om interpretatie van feiten en dat is iets heel anders!

Een discussie is meer dan poneren
Een tweede opmerking vooraf. Vele discussies worden ontsierd doordat ze lijken op een gesprek tussen doven. De deelnemers kunnen wel praten maar niet luisteren. Dat is mijn ervaring ook in discussies over de vragen rondom schepping en/of evolutie. Het vertoont vaak het beeld van het vanuit eigen bolwerk schieten op het bolwerk van de ander. Dat richt over het algemeen niet zo veel schade aan maar het is ook weinig bevredigend of vruchtbaar.
Nu is het natuurlijk begrijpelijk en zinnig om in eigen kring bezinning te houden om het eigen standpunt beter te onderbouwen. Dat geldt zowel voor creationisten als voor theïstisch evolutionisten. Je kunt dan schrijven en spreken over de andere partij zonder dat die zich tekort gedaan hoeft te voelen.

Maar het wordt anders als je de pretentie hebt om in discussie te gaan met andersdenkenden. Dan dien je te zoeken naar wat je gemeenschappelijk hebt om van daaruit te praten over wat scheidt. En bovendien zou je je dan niet moeten concentreren op je eigen (vermeende) sterke punten, maar vooral op de sterkste argumenten van de andere partij. Dan wordt de discussie een gesprek, de ander geen tegenstander maar naaste en dan gaat het niet meer om het eigen gelijk maar om samen te zoeken naar de waarheid.

Ik heb niet de indruk dat de discussies of debatten in het Darwinjaar aan deze norm voldeden. Evenmin als ‘discussies’ en publicaties in de jaren daarvoor. Te vaak werd ‘voorgeselecteerd’ op openheid richting, of instemming met het theïstisch evolutionisme. Dat is een teken van zwakte! Het brengt eerder scheiding dan toenadering, het komt de onderbouwing van de standpunten ook niet ten goede. Aan het eind van deze recensie zal mijn conclusie zijn, dat we in de opzet van deze discussie ook te maken krijgen met ‘poneren’.

Maar laat ik nu ingaan op de inhoud van de brochure.

Bijdrage 1. De geschiedenis van het evolutiedebat door Ab Flipse
Ab Flipse, VU-onderzoeker en wetenschapshistoricus, geeft een overzicht van de geschiedenis van het evolutiedebat in gereformeerde en rooms-katholieke kring. Ik kan er kort over zijn: het is helder geschreven en goed gedocumenteerd. In katholieke kring is er meer weerstand geweest tegen de evolutietheorie dan wel wordt gedacht. In orthodox-protestantse kring waren van meet af sommige theologen bereid om Genesis 1 zo te herinterpreteren, dat er ruimte kwam voor aanvaarding van onderdelen van de evolutietheorie. Dat werden er in de loop van de tijd veel meer. Flipse gaat niet in op de vraag of daarmee hun ‘orthodoxie’ niet op het spel komt te staan. Dat is begrijpelijk: hij beschrijft maar geeft geen commentaar.

Toch zou het hem gesierd hebben als hij een andere conclusie had verwoord, die op grond van zijn onderzoek duidelijk is. Laat ik dat toelichten.

De Darwinistische theorie over evolutie door natuurlijke selectie had na een jaar of 50 gefaald. Ze ‘verkeerde rond 1900 namelijk in verval, omdat ze een groot aantal problemen niet had kunnen oplossen. Zo was niet duidelijk hoe de erfelijkheid werkte, ontbraken paleontologische overgangsvormen en wezen natuurkundige berekeningen op een aarde die veel jonger was, dan werd aangenomen.’ Maar dan komt de ‘neodarwinistische synthese’ die lange tijd soelaas biedt. Inmiddels is de laatste tien jaar duidelijk geworden, dat ook die theorie niet klopt.

De conclusie moet zijn, dat alle aanpassingen van de Bijbeluitleg door theologen (vanwege de vermeende juistheid van de evolutietheorie) bijna 150 jaar berustten op een misplaatst vertrouwen in Darwin en zijn opvolgers. Bovendien blijkt dat het Darwinisme en neodarwinisme hebben bijgedragen aan een onvruchtbaar paradigma in de biologie.

Maar ik kan me voorstellen, dat Flipse dat niet heeft vermeld. De ‘les der geschiedenis’ is niet altijd populair.

Bijdrage 2. Ard Louis
Over de bijdrage van de tweede spreker, Ard Louis, onderzoeker in Oxford, kan ik kort zijn. Zijn lezing mist en in plaats daarvan is alleen de bijdrage in de krant opgenomen. Die is teleurstellend qua inhoud en argumentatie.

Louis gelooft dat de Bijbel het ‘historisch betrouwbare Woord van God is’. Daar bedoelt hij mee, dat de Bijbel een theologische verhandeling biedt met een ‘theologische waarheid’, zonder dat dat betekent dat het echt zo in de tijd heeft plaats gevonden. Als dat zo is, vind ik het misleidend om te spreken over ‘historisch betrouwbaar’. Als in ‘de theologische waarheid over het gebeuren in de geschiedenis’ geen plaats is voor historiciteit, ontneemt dat die waarheid haar betekenis. Zonder historiciteit is het verhaal van de opstanding leeg. Zonder schepping en zondeval wordt Genesis 1-3 een mythe. Het gaat hier om grondvragen in de hermeneutiek en om het gezag en de betrouwbaarheid van de Bijbel.

Hij onderbouwt zijn stelling met twee retorische vragen. ‘Zou het kunnen zijn’. Daarbij extrapoleert hij zonder enig argument van micro-evolutie naar macro-evolutie. De argumenten ontbreken. Deze bijdrage uit de krant is daarom onder de maat.

Bijdrage 3. Geloof in de wetenschap door Evert van der Heide
De derde lezing is van Evert van der Heide over ‘Geloof in de wetenschap’. Hij lijkt in de opzet van de lezingen de vertegenwoordiger van het creationisme. En de inzet is veelbelovend: je mag verwachten dat nu ook de voorvragen uit de verf komen.

Van der Heide maakt duidelijk dat binnen de natuurwetenschap nog geen samenhangend en  overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is voor de evolutietheorie. Hij doet dat op een sympathieke wijze, die naar mijn mening ook voor evolutionisten aanvaardbaar is. Maar hij gaat nog een stap verder.

De natuurwetenschappelijke gegevens wijzen sterk op doelgerichtheid in de schepping. ‘Samenvattend: analogie, kansberekening, onherleidbare complexiteit, gespecificeerde complexiteit en observatie van grenzen aan variatie en selectie: het is een reeks die in toenemende mate het bestaan van ontwerp, van finaliteit, in de schepping aannemelijk maken. Mijns inziens uiteindelijk overtuigend.’.

Het is een goede bijdrage aan de wetenschapstheoretische bezinning op de natuurwetenschappelijke methode. Maar hoe waar het ook moge zijn, het is geen probleem voor wie geloof in de Bijbel én in de evolutietheorie wil combineren, zoals in het theïstisch evolutionisme.

Aan het eind van zijn artikel blijkt deze indruk terecht. Van der Heide pleit er voor om in de natuurwetenschap ruimte te laten voor ‘finaliteit’ als methodisch principe. Maar hij gaat voorbij aan de hermeneutische en exegetische vragen en lijkt toch gewonnen voor de opvatting, dat de evolutietheorie in grote lijnen juist is. ‘Recente gegevens vanuit de wetenschap, betreffende het heelal, de aardlagen en fossielen, en de overeenkomsten in het DNA tussen aap en mens, lijken een lange tijdschaal en gemeenschappelijke afstamming te bevestigen.’ Let op het woord ‘gegevens’, met de suggestie van feitelijkheid en objectiviteit.

Wat voor Van der Heide dan overblijft is een conclusie, waarbij de historiciteit van Genesis 1 geen rol meer lijkt te spelen. ‘Belangrijker nog dan de vraag van schepping zijn de vragen rond zondeval, verlossing en wederkomst. Zolang de wetenschap uitgaat van causaliteit is dat een te beperkte basis. De hele Bijbel spreekt van finaliteit, van een God die een doel voor ogen heeft en bezig is om dat te realiseren. Dat mogen we zeker weten en vast vertrouwen.’

Het minder belangrijke, de vraag rond de schepping, legt het loodje ter wille van het meer belangrijke. Dat is een kwaad, dat je steeds weer tegenkomt in discussies: de stilzwijgende suggestie dat je los kunt laten wat ‘minder belangrijk is’. Dat ís een onlogisch en onheilzaam hellend vlak!

Van der Heide blijkt geen goede vertegenwoordiger van het creationisme. Die vrijheid heeft hij. Het is alleen teleurstellend dat de organisatoren van de lezingen dan geen ander hebben gevraagd. Het wekt bij mij de indruk van een gebrek aan moed, van angst om het creationisme recht te doen.

Bijdrage 4. Van creationist tot kosmologisch agnost door Willem Ouweneel
De laatste lezing is van Willem Ouweneel, voormalig creationist. Hij beschrijft hoe hij er toe kwam om het creationisme los te laten. Het is het herkenbare verhaal van iemand, die te veel vertrouwen stelde op (creationistische) wetenschap en teleurgesteld het kind met het badwater weggooide. Dat gold echter niet alleen vanwege onjuiste natuurwetenschappelijke argumentatie. Misschien nog belangrijker was zijn principiële geestelijke koersverandering wat betreft het gezag van de Bijbel.

Nu is het verkwikkend, dat in zijn bijdrage eindelijk de fundamentele vragen aan de orde komen, zeker op het gebied van de hermeneutiek en de exegese. Daarbij vat hij samen wat hij veel uitgebreider betoogt in ‘De schepping van God’. Ik heb dat boek hier besproken en de argumenten weerlegd als in strijd met het gezag van de Bijbel, innerlijk tegenstrijdig en exegetisch niet steekhoudend. Ouweneel heeft die kritiek naast zich neergelegd en er niet op gereageerd. Dat is zijn goed recht. Maar het is ook een teken van zwakte waardoor hij voor mij op dit punt vooralsnog niet serieus te nemen valt.

Vervolgens laat Ouweneel zien, dat de evolutietheorie grote lacunes heeft, die (nog) niet oplosbaar zijn. Niet alleen op het gebied van bijvoorbeeld biologie, maar ook op het gebied van de basis van het materialisme als onderliggende levensbeschouwing.

De conclusie is voor Ouweneel dat hij het niet meer weet: hij is agnost als het gaat om de wordingsgeschiedenis van deze wereld. Daar valt echter nog wel iets meer over te zeggen. In de praktijk blijkt hij dicht uit te komen bij het standpunt van Van der Heide. Hij neigt tot het aanvaarden van een ‘beperkte evolutietheorie’: een model waarbij de algemene evolutietheorie wordt aangevuld met sturing, leiding, eventueel bijzonder ingrijpen van God.

Kortom: een vorm van theïstisch evolutionisme, waarbij hij wat minder geloof heeft in de reikwijdte en geldigheid van de evolutietheorie dan anderen. Het maakt overigens niet veel uit in het kader van de discussie tussen creationisten en theïstisch evolutionisten:

  • Op het terrein van de hermeneutiek en de exegese staan ze principieel tegenover elkaar.
  • Op het terrein van het geloof in de aard en de grenzen van de natuurwetenschap is er verbondenheid.
  • Op het terrein van de onderscheiding tussen feit en interpretatie van natuurwetenschappelijke gegevens is er meer ruimte voor discussie naarmate de evolutietheorie ‘beperkter’ wordt geloofd.


Tot slot
De brochure heet ‘Botsen over het begin’. Dat ‘botsen’ komt niet uit de verf doordat het creationisme niet voldoende ruimte heeft gekregen (waarbij de redenen daarvoor helaas niet duidelijk worden). Dat is jammer, want er valt best een zinvolle discussie te voeren als BEIDE partijen de ruimte krijgen!

De recensist drs. J. A. van Delden is voormalig directeur van de Evangelische Hogeschool en maakte in het verleden voor de EO programma’s over het ontstaan van de aarde.