“De schepping van God”, volgens Willem Ouweneel – een recensie

“De schepping van God”, volgens Willem Ouweneel – een recensie
Boekrecensie door drs. J.A. van Delden, Amersfoort 28-8-2009

bron: Uitgeverij Medema

Ouweneel boekomslag: De schepping van God

Voorzijde van het boek

1. Inleiding

In de Evangelisch-Dogmatische Reeks van Willem Ouweneel is deel 3 verschenen: “De schepping van God.” Het is een boeiend geschreven boek, helder en blijk gevend van een enorme belezenheid. In het kader van deze site wil ik ingaan op hoofdstuk 2 “De schepping: exegetisch”.
Er is in het kader van het Darwinjaar veel (felle) discussie losgekomen over de vraag of God in zes dagen de wereld geschapen heeft en over de vraag of je het geloof in de Bijbel kunt combineren met de evolutietheorie. In dat verband is het extra interessant wat Ouweneel hierover schrijft.

2. De achtergrond van de felheid van de discussie

Maar eerst iets over de vraag of al die ophef wel terecht is. Er zijn toch veel punten waar christenen over verschillen? Waarom zou dat ook niet kunnen over de uitleg van de eerste hoofdstukken van Genesis? Waarom zoveel felheid? Naar mijn mening komt dat omdat er twee soorten verschillen zijn. In de eerste plaats kunnen christenen met elkaar verschillen over de uitleg van de Bijbel, als dat maar gebeurt vanuit dezelfde grondslag: als alle betrokkenen aanvaarden dat de Bijbel de norm is. Dat is een kernpunt van de Reformatie, het Sola Scriptura, alleen de Schrift is hoogste norm, heeft het hoogste gezag. Niet de Kerk, niet de traditie, niet buiten-bijbelse wetenschap. Je kunt dan verschillen over bijvoorbeeld de vragen rond kinder- en volwassendoop, maar aanvaarden dat de ander buigt voor het gezag van de Bijbel. Maar in de tweede plaats kan het verschil gaan over de grondslag van de uitleg van de Bijbel. De situatie verandert als die grondslag wordt aangetast, als de Bijbel niet meer het hoogste gezag heeft. Of er nu dingen aan de Bijbel worden toegevoegd, of dat zaken uit de Bijbel worden geschrapt, uitgehold, weg-geëxegetiseerd. Als de grondslag in het geding is, krijgen verschillen een ander karakter.

In het tweede geval slaan orthodoxe christenen alarm. Tot woede van degenen, die op grond van “inzichten uit de natuurwetenschap”, evolutionistische theorieën, menen de uitleg van de Bijbel te moeten aanpassen. Zij willen hun imago van orthodox, rechtzinnig, bijbelgetrouw niet kwijt. Dat is in zekere zin ook begrijpelijk, omdat ze vaak oprecht aan Gods openbaring willen vasthouden. Maar dan wel aan het totaal van Gods openbaring: niet alleen in de Bijbel, maar ook Gods openbaring in de schepping, de natuur. En zij menen oprecht, dat die laatste openbaring onder woorden wordt gebracht door de natuurwetenschap, en in dit geval door (delen van) de evolutietheorie. De redenering is dan:

God openbaart in de natuur dat de wereld ontstaan is in een proces van evolutie dat miljarden jaren duurde. Dat kan niet in strijd zijn met de openbaring in de Bijbel. Dan is het dus onmogelijk, dat deze wereld geschapen is in zes dagen. Dus moeten we de Bijbel anders uitleggen.

Je kunt dat zo formuleren:

Niet (alleen) de Bijbel is de hoogste norm, maar het geheel van Gods openbaring, zowél in de Bijbel áls in de natuur.

En dat klinkt toch prachtig: Gods openbaring is de hoogste norm? Maar het kan duidelijk zijn dat dan een principiële redeneerfout wordt gemaakt. Menselijke, feilbare theorieën worden opgeklopt tot onfeilbare openbaring van God. En vervolgens worden die theorieën gebruikt als maatstaf om de Bijbel te (her)interpreteren. Dan heeft de Bijbel niet meer het hoogste gezag. Daartegen komen orthodoxe gelovigen in het geweer. En dat niet alleen en in de eerste plaats omdat ze de Bijbel recht willen doen. Ook omdat ze ontdekt hebben dat die (evolutie)theorieën niet deugen.

Dan zijn we bij de creationisten:

  • mensen die uitgaan van de Bijbel als het hoogste gezag,
  • die geloven dat Genesis een boek is waarin God openbaart wat er is gebeurd, waaronder een schepping in zes dagen en een wereldomvattende zondvloed,
  • en die op het terrein van o.a. biologie, geologie, astronomie en paleontologie nagaan waarom de evolutietheorie niet deugt en hoe de gegevens misschien anders kunnen worden verklaard.
Zij staan tegenover de theïstisch-evolutionisten die in meer of mindere mate de evolutietheorie aanvaarden als juist en de exegese van de Bijbel willen aanpassen.
Het gaat in de discussie op z’n minst om drie terreinen:
  • de hermeneutiek, de regels voor het uitleggen van de Bijbel
  • de exegese
  • daarnaast is van belang de wijze waarop de discussie wordt gevoerd.

Ik wil op die drie terreinen ingaan. En vervolgens wil ik deze bespreking in een breder kader zetten van de ontwikkeling in het denken en (niet-)geloven in christelijk Nederland in deze tijd. Nu eerst een korte samenvatting van de positie van Ouweneel en mijn beoordeling daarvan.

3. Samenvatting

Ouweneel meent dat het op grond van de natuurwetenschap niet mogelijk is vast te houden aan een schepping in zes dagen. Hij heeft daar natuurlijk vervolgens ook exegetische argumenten voor. Hij pleit er voor Genesis 1 te lezen als een gedicht (de zogenaamde kadertheorie) met eventueel als verdieping een typologische of theologische interpretatie. Hoe dan ook: geen beschrijving van wat er echt is gebeurd.
Ouweneel geeft in totaal tien mogelijke interpretaties van Genesis 1. Daarvan wijst hij er een af met de volgende uitspraak: “Deze eveneens gekunstelde opvatting stuit af op de simpele uitspraak in Ex. 20:11: ‘in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is’.
Datzelfde kan gezegd worden van de interpretatie van Ouweneel zelf: zijn gekunstelde opvatting stuit af op de simpele uitspraak in Ex. 20:11. Je vraagt je dan natuurlijk af, hoe hij met deze uitspraak in de Bijbel omgaat. Dat is heel veelzeggend: hij zegt er niets over! Het is makkelijker om die Bijbeltekst te negeren. Dat vind ik ongelofelijk!

4. De hermeneutiek van Ouweneel.

Wat zijn de uitgangspunten voor de uitleg van de Bijbel? Ouweneel gaat daar allereerst op in. Laat ik zijn betoog volgen.

4.1 Historiciteit 1

Ouweneel stelt helder en stellig: “Het NT spreekt met duidelijke vanzelfsprekendheid over de historiciteit van de schepping, de zondeval en de zondvloed.” Prachtig, zou je zeggen. “Historisch” betekent in het dagelijks taalgebruik “echt gebeurd”. Fijn dat Ouweneel daar van wil uitgaan.

Helaas is die vreugde voorbarig. Want vervolgens gaat hij het begrip “historisch” uithollen. Elk bijbelverhaal is volgens hem subjectieve weergaven van ‘de feiten’ zoals de verteller ze heeft beleefd, geselecteerd en geïnterpreteerd en het wordt ten tweede subjectief beleefd door de lezer. De objectieve betekenis valt dus niet vast te stellen. Dit is een postmoderne relativering, die het gezag en de betekenis van de Bijbel fundamenteel ondergraaft. Het gaat uit van een filosofisch geloof dat bepaald niet bijbels is. Het is een geloof in relativiteit, dat zelf allesbehalve relatief is: het wordt gebracht als een objectieve waarheid. Zo gaat Ouweneel zelf over het algemeen (gelukkig) ook niet om met de Bijbel. Hij geeft vaak aan wat volgens hem de tekst betekent zonder zijn uitleg principieel te relativeren. Dat geldt in het bijzonder als hij zich bezig houdt met de betekenis van de Bijbel voor de ethiek.

Historisch wil volgens hem zeggen, dat elk Bijbelverhaal gefundeerd is in de geschiedenis maar geen ‘objectieve feiten’ biedt. Het hoeft op onderdelen of in z’n totaal niet echt gebeurd te zijn. Dit is een misleidend spel met woorden.

4.2 Historiciteit 2

Er is een tweede manier waarmee het begrip historisch wordt uitgehold. Dat gebeurt met de volgende redenering waarbij symbolisch of echt gebeurd tegen elkaar worden uitgespeeld. Wat de Bijbel vertelt over gebeurtenissen in het verleden heeft vaak veel symbolische betekenis, een betekenis die veel verder gaat dan het beschreven gebeuren. “Genesis 1-3 beschrijven ons geen ‘historie’, maar wel de historiciteit van de schepping en de zondeval; zo is het bijbels getuigenis wel degelijk historisch getuigenis.” Het is een vorm van goochelen met woorden: Het is geen historie maar wel een historisch getuigenis. Zo wordt de goegemeente gesust met geruststellende woorden en uitgeholde begrippen.

Er is een misleidende begripsverwarring gaande. Die berust bovendien op een redeneerfout: Inderdaad is er vaak sprake van gebeurtenissen met symbolische betekenis. Alleen: als de gebeurtenis niet heeft plaats gevonden komt de betekenis van de symboliek in de lucht te hangen. Neem een bruiloft. Het ja-woord wordt gegeven, de ringen worden uitgewisseld. Het gebeuren heeft veel symbolische betekenis. Maar als het niet echt is gebeurd, is het stel niet getrouwd. De tegenstelling symbolisch óf echt gebeurd deugt niet, het is een vals dilemma.

4.3 Historiciteit 3

Een derde manier waarop Ouweneel de historiciteit van de Bijbel uitholt is door theologisch of echt gebeurd tegen elkaar uit te spelen. Hij spreekt van “een ‘theologische’ benadering die een litteralistische verre overstijgt”. In die visie biedt de Bijbel in Gn1 een “heilshistorisch verslag in poëtische vorm van een prehistorisch gebeuren dat heeft plaatsgevonden in ruimte en tijd”. Wat echt gebeurd is, is “verheven boven alle historische beschrijving”.

Het klinkt misschien prachtig. Maar wat blijft er over van de inhoud van Genesis 1? Een theologische betekenis zonder historische, feitelijke inhoud. De theologische betekenis overstijgt de feitelijkheid en raakt die kwijt!
Maar Genesis 1 heeft toch heel veel theologische betekenis? En die betekenis reikt toch veel verder reikt dan het beschreven gebeuren op zich? Jazeker. Maar er is weer een soortgelijke redeneerfout als hiervoor bij de tegenstelling tussen symbolisch of echt gebeurd. Als het gebeuren niet heeft plaatsgevonden, hangt de theologische betekenis in de lucht.

Hier komt een scheiding tussen vorm en inhoud om de hoek kijken. De vorm betreft de vormgeving van Gods zelfopenbaring in de Bijbel als (schijnbaar) historisch, echt gebeurd verhaal. De inhoud betreft ‘het kerugma’, de symbolische of theologische betekenis. En de idee is dat kritisch onderzoek uitwijst dat de feitelijkheid van wat wordt beschreven steeds minder blijkt te zijn, maar dat de betekenis steeds rijker wordt. Het misleidende is, dat die inhoud zonder feitelijke basis toch als “historisch” wordt aangeduid. Let dus op: “heilshistorie” en “prehistorie” betekenen niet dat iets echt gebeurd is. Het is opnieuw een kwalijk misleidend spel met woorden.

4.4 Het wereldbeeld

Het is een oude vraag: leert de Bijbel een verouderd wereldbeeld, of spreekt de Bijbel de taal van alledag, die de eeuwen door begrijpelijk is? Als de Bijbel inderdaad een verouderd wereldbeeld LEERT, dan is stap twee om te bepalen wat daar allemaal onder valt. In ieder geval kan de Bijbel ons daarbij dan niet meer helpen, omdat je door een gekleurde (historisch en wetenschappelijke achterhaalde) bril alles gekleurd ziet.

Nu zullen we het er wel over eens zijn, dat in de tijd van de bijbel er wereldbeelden waren die afwijken van ons beeld van de wereld. Denk aan uitdrukkingen als “de grondvesten van de aarde”, het firmament dat scheiding maakt tussen de wateren boven en de wateren onder de aarde, de hemellichamen als goden. En het is ook onmiskenbaar dat veel bijbelse taal aansluit bij dat beeld.
Ten dele is dat geen probleem. Wij spreken nog over de driedeling “te land, ter zee en in de lucht”, over de vier windstreken, over de zon die ondergaat. Die taal past wel bij een verouderd wereldbeeld, maar is daar niet onlosmakelijk mee verbonden.

In de tweede plaats wijst de Bijbel ondubbelzinnig religieuze opvattingen uit andere religies af. Er is maar één God en toen Hij schiep was dat geen strijd met andere machten maar “Hij sprak en het was er”. Maar wel vinden we soms gedeeltes, waarin God Zich als het ware verplaatst in de situatie van andere volken. Hij openbaart Zich dan in de taal van hun religieuze wereldbeeld als de Almachtige, de Schepper en de God van Israël.

In de derde plaats zijn er ook uitdrukkingen, die onlosmakelijk verbonden lijken te zijn met een verouderd wereldbeeld. Ouweneel noemt als voorbeeld het firmament, dat in de oudheid een harde koepel zou zijn, dat de wateren in de lucht tegenhoudt. Hij schrijft: “Wij kunnen met die harde koepel niets meer beginnen.” Dat is echter maar betrekkelijk waar. Het is zonder meer duidelijk dat het gaat om het uitspansel en dat God scheiding maakt tussen het water in zeeën, meren en rivieren enerzijds en het water in de lucht anderzijds (waterdamp, regen en eventueel meer, een “watercanopy”). Het is grotesk om hieruit af te leiden dat men in de Oudheid eveneens niet geïnteresseerd zou zijn in de feitelijke, historische toedracht.

En in de vierde plaats, en dat is het belangrijkste nu: er wordt een stap verder gezet, die onverantwoord is. Stel dat de Bijbel inderdaad een achterhaald beeld geeft van onze planeet en het zonnestelsel. Volgt daar dan uit, dat ook het beeld dat de Bijbel geeft van de geschiedenis onbetrouwbaar en achterhaald is? Natuurlijk niet. Dat is een heel andere zaak. Hier gaat op subtiele wijze een wissel om, waarbij het hart van de openbaring van God in het geding is!

4.5 De eenheid van de Bijbel

We vinden in de Bijbel nogal eens het verschijnsel dat hetzelfde gebeuren van verschillende kanten en met een verschillende invalshoek wordt belicht. Denk aan de vier evangeliën, denk aan de twee berichten over de schepping in Gn1 en Gn2. In de orthodoxe benadering gaan we uit van de eenheid van de Bijbel en nemen we aan dat de verschillende berichten niet onderling tegenstrijdig zijn, maar elkaar aanvullen. In de serie Commentaar op het Nieuwe Testament en in de serie Studiebijbel Oude Testament wordt gewerkt vanuit dat vooroordeel. Doe je dat niet, dan moet je aannemen, dat de Bijbel zichzelf tegenspreekt en dat Mozes geen beste eindredacteur was. Dat is een vorm van hoogmoed en gebrek aan ontzag voor de Bijbel.

Maar Ouweneel vindt dat “we niet moeten zoeken naar letterlijk-chronologische harmonie tussen Genesis 1 en 2, want dat lukt toch niet, maar naar theologische harmonie.” Er worden in de Bijbel verschillende beelden gebruikt om Gods scheppingswerk te beschrijven: God als Bouwheer, Krijgsheer, Herenboer, Koning. Die beelden vullen elkaar aan, zou je als eenvoudige bijbellezer zeggen. Maar Ouweneel poneert zonder enige verdere argumentatie: “Het is zinloos en onmogelijk om al deze voorstellingen te harmoniseren.”

Als je dan toch uitgaat van harmonie, dan moet je volgens hem wel onvermijdelijk “spitsvondig” bezig gaan. Vasthouden aan de eenheid van de Bijbel wordt op die manier zonder verdere argumentatie hautain ter zijde geveegd en ingeruild voor een vorm van theologisch recht praten van wat in feite met elkaar in strijd is. Anders gezegd: Genesis 1 is niet journalistiek of wetenschappelijk beschrijvend, maar theologisch. Het is theologisch waar, niet historisch (in de normale zin van dat woord). Dat is een juk waar de Bijbel onderdoor moet.

4.6 Het bijzondere gezag van de Bijbel

Onder paragraaf 2 schreef ik al over de geladenheid van de discussie rondom de vraag of God de wereld in zes dagen schiep. Als de uitleg van de Bijbel bepaald wordt door buiten-bijbelse theorieën, dan tast dat het gezag van de Bijbel aan. Wat is de situatie bij Ouweneel? Die uitleg is bij hem afhankelijk van natuurwetenschappelijke theorieën.

Hij heeft in het publiek verklaard, dat hij van mening is veranderd, omdat hij het creationisme tekort vond schieten in de vorming van een eigen model. Dat maakt dunkt me duidelijk, dat zijn uitleg gebaseerd was op een (creationistische) theorie. Toen die theorie tegenviel, had hij geen hem bevredigend antwoord meer op “problemen van natuurwetenschappelijke aard”.

Hij lijkt aan te nemen dat 13,7 miljard jaar geleden de Big Bang plaatsvond en uit te gaan van de juistheid van “de moderne berekeningen van de ouderdom van het heelal”. En elders, dat een letterlijke uitleg voorbijgaat “aan de biologische en kosmologische onmogelijkheden” en “ik geloof in een zekere mate van evolutie”. Maar goed, hij wil bij de exegese” nu eens alle creationisme en evolutionisme vergeten en puur naar de exegetische problemen als zodanig kijken”.

Maar “puur kijken” was toch te moeilijk en het is hem dunkt me niet gelukt: op de achtergrond stond al vast dat de exegese van een schepping in zes dagen bij voorbaat uitgesloten, natuurwetenschappelijk onmogelijk was. Dat blijkt ook wel uit de keuze voor een interpretatie die ruimte laat voor (delen van) de evolutietheorie. Het is een uitleg binnen bepaalde, buiten-bijbelse randvoorwaarden. En het is niet voor niets dat deze uitleg door vele theologen onbekommerd verbonden wordt met hun geloof in “wetenschappelijke inzichten”, lees evolutionistische theorieën.

4.7 De conclusie

Als we het bovenstaande overzien is maar een conclusie mogelijk: Ouweneel buigt bij de uitleg van Genesis 1 niet meer voor het gezag en de “soevereiniteit”, de “autonomie”, het bijzondere karakter van de Bijbel. Daar ligt aan ten grondslag

  • een onbijbelse taalfilosofie,
  • postmodernisme,
  • ver-symbolisering op basis van een onjuist dilemma
  • ver-theologisering op basis van een onjuist dilemma
  • het idee van een verouderd wereldbeeld
  • het loslaten van de eenheid van de Bijbel
  • en het laten heersen van de (natuur)wetenschap over de Bijbel.

Dat wordt ten dele verhuld door versluierend taalgebruik, in het bijzonder als het gaat om het woord “historisch”. Het wordt ook versluierd door een uitspraak als “Ik geloof in Genesis 1”.
Maar wat als “historisch” niet meer betekent “echt gebeurd”, en als van Genesis 1 alleen vers 1 overblijft en de rest wordt vergeestelijkt? Dan is er een fundamenteel verschil in benadering waarbij ik het uitgangspunt van Ouweneel onmogelijk als orthodox, bijbelgetrouw kan karakteriseren.

5. De exegese van Ouweneel

Zoals we hierboven hebben gezien gaat Ouweneel uit van een ondeugdelijk hermeneutisch kader bij de uitleg van Genesis1. Maar dat wil niet zeggen dat daarom zijn exegetische argumenten bij voorbaat ondeugdelijk zijn. Zoals je met een kromme stok een rechte slag kunt slaan, zo kun je met een ondeugdelijk hermeneutisch uitgangspunt toch een goede exegese geven op een bepaald punt. Daarom wil ik de exegetische argumenten van Ouweneel analyseren en op waarde schatten.

5.1 Waardevolle argumenten

Laat ik beginnen met waardering. Ouweneel wijst de idee af, dat de schepping als het ware een ingeschapen drang heeft naar zelfontplooiing, naar creatieve evolutie. Denk aan Teilhard de Chardin.
In de tweede plaats wijst hij af dat na de schepping van de wereld en na miljarden jaren de satan viel, de wereld werd verwoest en dat God toen in zes dagen de wereld herschiep (de gap-theorie).
In de derde plaats verwerpt hij de opvatting, dat de dagen als tijdperken kunnen worden opgevat en dat de schepping in de in Genesis1 aangegeven volgorde zou hebben plaatsgevonden.
Hij verwerpt ook een variant van deze visie, waarin de zes dagen zes dagen zijn geweest waarin God iets nieuws schiep, waarin Hij een afzonderlijke scheppingdaad verrichtte. Tenslotte wijst Ouweneel de gedachte af dat God op zes opeenvolgende dagen openbaarde wat Hij schiep: op de eerste dag openbaarde God dat Hij het licht schiep, enzovoorts.

Er is gelukkig nog veel waar we het over eens zijn! En dat is des te meer verheugend, omdat Ouweneel bij zijn argumentatie zich vaak niet houdt aan zijn eigen verkeerde hermeneutische uitgangspunten!

5.2 De kadertheorie

De kadertheorie is denk ik de meest populaire visie onder de theïstisch evolutionisten, degenen die schepping en evolutie willen verbinden. Er is in Genesis 1 een onmiskenbaar literaire structuur: de herhaalde formulering “toen was het avond geweest en het was morgen geweest” en de overeenkomst tussen de eerste drie en de tweede drie dagen. “Dit suggereert dat Genesis 1 een literaire compositie is.” Het doet soms wat onwaarachtig aan als dit argument gebruikt wordt om te maskeren dat het geloof in de evolutietheorie de norm voor de exegese is geworden. Dat blijkt dan even later wel duidelijk, als de aanhangers ook niet meer aanvaarden dat de zondvloed aardbol-overdekkend is geweest. In Genesis6-8 is namelijk geen sprake van zo’n literaire structuur. Toch wordt ook daar de evidente betekenis losgelaten om ruimte te maken voor de evolutietheorie. Met betrekking tot de kadertheorie zou ik Ouweneel zelf kunnen citeren:

“Deze eveneens gekunstelde opvatting stuit af op de simpele uitspraak in Exodus 20:11: ‘in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is’.“


De fundering voor het gebod om op de zevende dag te rusten, is de verwijzing naar de schepping in zes dagen. Die verwijzing veronderstelt dat God in zes “gewone”, mensendagen schiep. Dat is geen vondst van “jonge-aardelitteralisten”, het is de samenvatting van Genesis1 door God zelf. Dit argument is zo sterk dat Ouweneel er maar niet op in gaat in zijn betoog over zijn eigen visie!

Terug naar het argument van de literaire structuur. Áls God nou toch eens werkelijk schiep zoals we in Genesis 1 lezen, dan is het vanzelfsprekend dat we een dergelijke literaire structuur terugvinden. Dat is de visie van Calvijn:

“Het is een al te gewelddadige spotternij, te zeggen, dat Mozes ter wille van zijn verhaal in zes dagen verdeelt, wat God op één ogenblik (of in miljarden jaren, JAvD) voltooide. Veeleer heeft God zelf, willende zijn werken regelen naar de bevatting der mensen, een tijdvak van zes dagen voor zich genomen.”

Calvijn zou van de tegenwoordige theïstisch-evolutionisten zeggen, dat ze zich bezondigen aan spotternij. Daar komt bij, dat uit het gegeven van de literaire structuur wordt afgeleid dat dus wat er staat niet historisch, niet echt zo gebeurd is. Dit is eenvoudigweg een redeneerfout. Een simpele of een grote, maar in ieder geval suggestief en misleidend. Ook een gedicht kan best gaan over wat echt zo gebeurd is.

5.3 De boodschap van Genesis 1

In vele toonaarden is het herhaald: Genesis 1 is niet in natuurwetenschappelijke kwesties geïnteresseerd. Het gaat om de boodschap (en dan volgen er allerlei meer of minder waardevolle opmerkingen over wat Gn1 ons allemaal te zeggen heeft). Nu is die bewering over de natuurwetenschappelijke interesse van Genesis 1 een halve waarheid. Inderdaad, de Bijbel spreekt geen wetenschappelijke taal, geeft geen antwoord op vele natuurwetenschappelijke vragen, “maar biedt veeleer een polemiek tegen de afgoden van de volken rondom Israël en tegen de afgodendienaars in Israël”.

Het gebruik van het woordje “veeleer” is veelzeggend. Het betékent: in de eerste plaats maar er is meer. Maar het wórdt gebruikt in de betekenis: wel theologisch gericht, maar niet historisch betrouwbaar. Daarmee wordt verhuld, dat de theologische betekenis krachteloos wordt als niet is gebeurd wat staat geschreven! Laat ik dat uitleggen. “Beste Egyptenaren en andere afgodendienaars: De zon is geen God, maar slechts een schepsel dat nota bene pas op de vierde dag door God is geschapen.” Dat is de boodschap, volgens Ouweneel en anderen. Maar wat heeft die boodschap nog voor kracht als dat niet echt zo is gebeurd?! Dan valt het argument voor de bestrijding van de afgoderij met de zon weg. Het is de fundamentele zwakte van de zogenaamde kerugmatische theologie met haar Schriftkritische karakter. Als de Bijbel spreekt in niet-wetenschappelijke taal over deze werkelijkheid, dan heeft hij gezag, ook voor wetenschappelijke gevolgen.

5.3 Het firmament

Laat ik in dat verband dan ook ingaan op wat Ouweneel schrijft over het “firmament”. Hij definieert dat op een wijze die in strijd is met wat wij ons voorstellen bij het uitspansel. En dan volgt zijn retorische vraag: “Hoe gaat een ‘letterlijke’ uitleg om met een dergelijk, in de kosmos niet-bestaand firmament?”

Mijn tegenvraag zou zijn: waar wordt in de Bijbel het firmament zo gedefinieerd? De Bijbel ontleent zijn woorden aan de cultuur in die tijd en aan het dagelijkse wereldbeeld. Zo kan gesproken worden over de zon die opgaat of stilstaat en over het firmament, zonder dat daarmee astronomie of meteorologie wordt geléérd. De definitie van Ouweneel vind je niet in de Bijbel, net zomin als een definitie van het biologische begrip soort of van het astronomische begrip ster. De Bijbel leert geen nieuwe natuurwetenschap, maar ook geen oude, ook al sluit hij zich soms aan bij bestaande beelden en mythologieën. Daarom moeten we de Bijbel niet lezen als een boek met wetenschappelijke taal, noch verouderd, noch modern. En dan is het geen enkel bezwaar als er gesproken wordt over de wateren “boven” het firmament, terwijl wij misschien zouden zeggen “in de dampkring”.

Deze accommodatie aan het beeld van de natuur is bovendien van een totaal andere orde dan een accommodatie, waarin gebeurtenissen worden bedacht en vervolgens gepresenteerd als echt gebeurd. Past de Bijbel zich aan in Genesis1 aan het historische beeld in het oude Oosten van de oorsprong van de wereld? Genesis1 staat er in vele opzichten juist haaks op. Dat blijkt wel uit de theologische inhoud.

5.4 Het licht op de eerste dag

Ouweneel: “Als God op de eerste dag het licht te voorschijn roept, blijkt dit uitdrukkelijk ‘dag’-licht te zijn, dus zonlicht. Hoe is dit mogelijk als de zon pas op de vierde dag gemaakt wordt?”.

Het is verbazend hoe krom de argumentatie is. Er is daglicht DUS is er zonlicht. Dat is nou precies het tegendeel van de boodschap van Genesis1: God is níet afhankelijk van de zon, Hij kan de aarde ook op andere wijze licht geven. Wij weten niet wat voor licht dat was, hoe God dat deed. So what? Er geldt toch niet: als wij het hoe en wat niet weten of begrijpen, dan is het niet gebeurd?! God sprak en het was er. Dat is iets dat niet te begrijpen valt, maar niettemin wel te geloven is. “Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.” (Heb. 11:2).
Maar bij de redenering van Ouweneel (en vele anderen) geldt: door (het misbruik van) onze rede ontkennen wij dat God de wereld zo heeft kunnen scheppen als Hij ons openbaart.

5.5 Waren de dagen te kort?

Volgens Ouweneel was er een aanzienlijke hoeveelheid tijd nodig voor de aarde om jong groen voort te brengen. Bovendien zouden de gebeurtenissen op de zesde dag ook niet passen in een dag van 24 uur. Wat is er aan de hand bij zulke redeneringen? Van God wordt een menselijk beeld gemaakt en op grond van dat beeld worden conclusies getrokken.

Als op de derde dag de aarde jong groen voortbrengt op de wijze zoals C.S. Lewis beschrijft in het Narniasprookje Het neefje van de tovenaar, dan is er bij wijze van spreken niet meer dan een uur nodig. Natuurlijk, dat is maar een sprookje. Hoe het echt is gegaan weten we niet. Maar het kan verduidelijken dat het “voortbrengen” niet lang hoeft te duren.
Als op de zesde dag het voortbrengen van de landdieren ook een uur duurde, de schepping van Adam een kwartier, het benoemen van de dieren een paar uur, de schepping van Eva een kwartier, dan is er tijd te over. Opnieuw, hoe het in het echt gegaan is weten we niet. Maar als iemand zegt dat er te weinig tijd was op de derde en de zesde dag, dan doet hij alsof híj er wel wat van weet. Zo wordt eigen-wijsheid de norm om wat de Bijbel zegt in twijfel te trekken. Dan zeg ik met een variant op Spr. 3:5: “Vertrouw op Gods woord met uw ganse hart, en steun op uw eigen inzicht niet.”

5.6 Een biologisch bezwaar.

Ouweneel weet als bioloog, dat vele planten voor hun bestaan van dieren afhankelijk zijn. Volgens Genesis1 zouden planten twee of drie dagen zonder dieren moeten hebben bestaan. Opnieuw voor hem een reden om in twijfel te trekken of het scheppingsverhaal wel kan kloppen.
Heeft God zich vergist? Had Hij planten en dieren op dezelfde dag moeten scheppen? Het lijkt mij waarschijnlijker dat de planten die paar dagen hebben overleefd zonder dieren.

5.7 De twee scheppingsverhalen.

Opnieuw een oud argument: Er zouden twee scheppingsverhalen zijn, die elkaar tegenspreken.
Ik kan er kort over zijn. Wie gelooft in de inspiratie en de eenheid van Gods Woord heeft er geen moeite mee, dat over hetzelfde gebeuren vanuit verschillende perspectieven op verschillende wijze wordt bericht. Binnen de orthodoxie is dan het uitgangspunt, dat die verschillende berichten niet onderling tegenstrijdig zijn maar elkaar aanvullen. Dat is in den brede aangetoond voor de twee keer dat de schepping wordt beschreven. Ouweneel noemt dat zonder verdere argumentatie “spitsvondig”. Dat is nogal denigrerend tegenover zijn collega’s in Heverlee. Hij lijkt niet in de gaten te hebben hoe principieel hij hierbij het geloof in het gezag van de Schrift loslaat. Het is een belangrijke stap op de weg van de Schriftkritiek.

“ .. we moeten niet zoeken naar letterlijk-chronologische harmonie tussen Genesis 1 en 2, want dat lukt toch niet, maar naar theologische harmonie”. Maar dan geldt wat ik ook heb gezegd over de theologische boodschap die waar zou zijn, ook al is de historische basis fictie: dit is onzin. Als er inhoudelijke, zakelijke tegenstrijdigheid is binnen de Bijbel, dan is de theologische harmonie op zijn hoogst een wensdroom. Hier staat de betrouwbaarheid van de Bijbel op het spel.

5.8 De zevende dag

Er is wel gezegd, dat de zevende dag nog altijd voortduurt. Als die dag geen gewoon etmaal is, dan moet dat ook gelden voor de andere dagen. Het antwoord is opnieuw eenvoudig: de zevende dag was evenals de eerste zes dagen een etmaal. En dat blijkt bij de instelling van de sabbat: God schiep in zes dagen de wereld en Hij rustte op de zevende dag. Dat moet Israël ook doen: één dag rusten, net zoals God. Dat die rust op de letterlijke zevende dag tevens beeld is van de eeuwige rust, is hiermee niet in strijd. Dat geldt voor zo veel beeldspraak.
Drie voorbeelden.

  • Het licht op de eerste dag is beeld van de Here Jezus. Dat betekent niet dat het licht van de eerste dag geen echt licht was of verzoenend.
  • De duisternis aan het begin van de eerste dag is beeld van het kwaad en de afwezigheid van licht. Dat betekent niet dat die duisternis zelf slecht was, een gevolg van de val van de satan. Ook de nacht maakt deel uit van Gods goede schepping!
  • De graankorrel, die sterft is beeld van het sterven en de opstanding. Dat sterven is een gevolg van de zonde, van het kwaad in de wereld. Maar dat wil niet zeggen, dat het doodgaan van de graankorrel al slecht is. Het graan draagt zo vrucht en ook daarvan zegt God dat het goed geschapen is.

5.9 Woest en ledig.

We lezen in Genesis 1:2 dat God de aarde woest en ledig schiep en dat er duisternis was op de vloed. Volgens Ouweneel moeten we daaruit afleiden dat vanaf het begin van de schepping de satan al gevallen was en dat hij zorgde voor deze staat van de aarde. In Jesaja 45:18 lezen we dat God de aarde niet als woestenij heeft geschapen. Daaruit trekt Ouweneel de conclusie dat de aarde dus na de schepping van vers 1 een woestenij is geworden. Dat is dan kennelijk niet Gods werk, maar het werk van de satan. Het sluit exegetisch aan bij de restitutietheorie, dat nadat de wereld was ontstaan in zeer lange tijd, de satan in opstand kwam, de aarde werd verwoest en door God in zes dagen herschapen.

Kern van beide visies is, dat je dan zou moeten vertalen: en de aarde werd woest en ledig. Maar dat staat er niet en de hebraïcus dr. P. Siebesma heeft aangetoond dat de tekst ook niet zo gelezen kan worden. Het is bovendien in strijd met het thema van Genesis 1: de schepping was goed, zeer goed. Geen herstelde puinhoop. Dat is dan ook de werkelijke betekenis van de tekst in Jesaja. Hoe schiep God de aarde? Als een woestenij? Nee, als een paradijs. Het “als” heeft geen betrekking op het prille begin maar op het resultaat van het scheppen.

5.10 Algemeen

De exegetische benadering opzet van dit hoofdstuk door Ouweneel is erg zwak. Op kernpunten gaat hij niet of nauwelijks in. Denk aan de uitdrukking “toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de .. dag”, denk aan het sabbatsgebod in Exodus. 20. Denk aan de historische pretentie zoals die blijkt uit de zogenaamde toledoth-strucuur. Aan de andere kant wijdt hij 7 pagina’s aan verschillende vormen van beeldspraak om Gods scheppingwerk te beschrijven. Het eventuele nut daarvan zou moeten zijn, dat daaruit blijkt, dat die elkaar tegenspreken. Maar dat probeert hij zelfs niet aan te tonen. Dus hangt dat hele gedeelte in de lucht als een op dit punt niet relevant betoog.

Ik kan voor deze inhoudelijke zwakte maar één verklaring bedenken: er zijn geen betere, steekhoudende argumenten voor zijn interpretatie!

6. De stijl

Bij beladen onderwerpen is het van groot belang hoe je met elkaar omgaat in de discussie. Helaas is de verleiding groot om het standpunt van de ander te vertekenen om gemakkelijker kritiek te kunnen uitoefenen. Dat kan onder andere door niet in te gaan op sterke argumenten van de ander, het kan door vertekening van de werkelijkheid, het kan ook door emotionele uithalen en denigrerende opmerkingen.

Ik heb in het bovenstaande al een aantal punten genoemd, waar Ouweneel niet of nauwelijks ingaat op belangrijke argumenten van creationisten. Zo doe je de ander geen recht en dat is een slechte zaak!
Je kunt de werkelijkheid vertekenen. Ook daarvan een voorbeeld.

  • Velen hebben getracht Augustinus voor het karretje te spannen van het theïstisch evolutionisme. Augustinus zou de scheppingsdagen hebben gezien ”als ondefinieerbare ‘goddelijke’dagen, wat in wezen neerkwam op tijdperken.” De welwillende lezer moet maar in goed vertrouwen aannemen dat het zo is. Maar het is een wat lachwekkende vertekening van de opvatting van Augustinus. Die meende, op grond van de Bijbel! (zij het een slechte vertaling), dat God in één moment schiep. Dat is het tegengestelde van wat hettheïstisch evolutionisme uitdraagt: níet op grond van de Bijbel en ondanks een goede Bijbelvertaling zou God in miljarden jaren geschapen hebben. Bovendien geloofde Augustinus dat de aarde niet meer dan 6000 jaar oud was. Zo’n vertekening doet geen recht aan Augustinus en de historische werkelijkheid terwijl je beter kunt weten. Dat is kwalijke misleiding die je bij vele anderen ook tegenkomt.
  • Een tweede voorbeeld van vertekenen. Ouweneel schrijft terecht: “De ‘letterlijke’ opvatting van Genesis 1 – de wereld kwam tot stand in zes dagen van 24 uur – is lange tijd, vanaf de latere kerkvaders tot midden achttiende eeuw, de standaardopvatting geweest, niet alleen onder rooms-katholieken, maar na de Reformatie ook onder protestanten.” Je zou zeggen: geen wonder, want dat is de duidelijke strekking van dit Bijbelhoofdstuk. Maar even later schrijft hij dat we de Bijbel niet meer zo kunnen lezen: “… niet vanwege natuurwetenschappelijke problemen, maar juist op theologische gronden bevredigen die antwoorden niet langer.” “Niet vanwege natuurwetenschappelijke problemen?! Dat is ook weer een vertekening van de historische werkelijkheid, zoals die bij hem zelf duidelijk is. Waarom heeft hij de opvatting van zes dagen van 24 uur losgelaten? Op natuurwetenschappelijke (!) gronden, vanwege de zwakheid in zijn ogen van het creationistische model. En elders schrijft hij: “… de problemen rond Genesis 1 zijn niet uitsluitend door de nieuwere natuurwetenschappelijke ontwikkelingen veroorzaakt. Ze zijn ook wel degelijk van puur exegetische aard.” Het loslaten is dus in de eerste plaats vanwege de evolutietheorie. Dáárvoor moet de exegese aangepast worden. Het is in dat licht volkomen begrijpelijk, dat die aanpassing pas opkomt na de opkomst van de evolutietheorie.
  • Een derde voorbeeld. De exegese van creationisten zou een fundamentalistische reactie zijn op de historisch-kritische benadering van de Bijbel na de Verlichting. Dat is kras! Een exegese die al eeuwen lang voor de Verlichting gangbaar was, zou een reactie zijn op een verschijnsel na de Verlichting.

Dan de emotie. Dat Ouweneel niet ingaat op argumenten van creationisten, waaronder collega’s van hem, is triest. Maar dat hij hun argumentatie afdoet als “spitsvondige oplossingen” is onder de maat.
Hetzelfde gebrek aan stijl in de onderlinge omgang komt naar voren in het gebruik van suggestieve retorische vragen en valse tegenstellingen. Opnieuw voorbeelden.

  • “Genesis 1 is niet in natuurwetenschappelijke kwesties geïnteresseerd, maar biedt veelmeer een polemiek tegen de afgoden van de volken rondom Israël ..”. Een boude bewering, bedoeld om de lezer zonder argumentatie te overtuigen op grond van het gezag van de schrijver. Maar niettemin onbewezen en innerlijk zelfs tegenstrijdig. Want als er staat “veelmeer”, dan geldt kennelijk het eerste toch ook! Anders had er moeten staan: alleen! Maar als je dat zegt, dan wordt de lezer wantrouwend en denkt (terecht): wordt zo de zaak niet onaanvaardbaar vergeestelijkt?
  • Verder werkt Ouweneel nogal eens met retorische vragen: Over de schepping van het licht op de eerste dag. “Hoe is dit mogelijk als de zon pas op de vierde dag gemaakt wordt?”. De bedoeling is, dat de lezer denkt: Dat kan natuurlijk niet en niet in de gaten heeft dat zo rationalisme de bijbel ontkracht. Over de schepping van Adam en Eva op de zesde dag en de benodigde tijdsduur. “Hoe gaat een ‘letterlijke’ uitleg daarmee om?”. Hij suggereert dat op die vraag geen goed antwoord te geven valt.
  • Het zijn suggestieve vragen, waarmee Ouweneel de meningsvorming van de lezer manipuleert. En dat vinden we terug in de suggestie dat de creationist niet echt in letterlijke dagen gelooft. Vandaar dat hij hoge aanhalingstekens gebruikt: letterlijke dagen. Hetzelfde geldt voor de term “litteralisme”. Een letterlijke lezing van Genesis 1 is het grootste deel van de kerkgeschiedenis normaal geweest, maar nu wordt het een vreemd verschijnsel. Dan denk ik: wat aan kinderen is geopenbaard is helaas voor sommige geleerden verborgen!

Ik ben op de stijl ingegaan omdat ik constateer, dat dit leidt tot onchristelijke stemmingmakerij. Die vervreemdt christenen, creationisten en theïstisch evolutionisten, van elkaar en geeft niet-christenen aanstoot. Daar moeten we van beide kante voor op onze hoede zijn!

7. Conclusie

Laat ik mijn recensie van het hoofdstuk in Ouweneels boek afronden met twee opmerkingen die moed geven.
In de eerste plaats wijst Ouweneel vele misvattingen rond Genesis 1 met ons af. Daarbij blijkt in ieder geval dat hij niet in een consequent postmodern exegetisch relativisme is vervallen. Hij is kennelijk in principe nog bereikbaar voor argumenten.

In de tweede plaats is het verheugend, dat zijn betoog zo zwak is. Ik heb hem hoog als het gaat om kennis en overzicht over complexe vraagstukken. Als nota bene hij geen sterkere argumenten heeft, dan is dat een indirecte maar wel hele sterke aanwijzing, dat het waar is dat Genesis 1 historisch en letterlijk betrouwbaar is.

Er zou meer te zeggen zijn over de aard van de natuurwetenschap, de verhouding van wetenschap en buitenbijbelse gegevens tot de exegese, het verband tussen bijbelse gegevens in de wetenschap, maar dat voert me in het kader van deze recensie te ver.


 

De recensist drs. J. A. van Delden is voormalig directeur van de Evangelische Hogeschool en maakte in het verleden voor de EO programma’s over het ontstaan van de aarde.