Als je ze niet kunt verslaan, verban ze dan

Een bespreking van Slaughter of the Dissidents van Jerry Bergman Leafcutter Press, Southworth, WA, 2008

Slaughter of the Dissidents, een boek dat laat zien dat Darwin betwijfelaars vaak discriminatie ondergaan

Dat kritiek op de evolutietheorie onderdrukt wordt is geen recent fenomeen. In zijn voorwoord op de editie van Origin of Species uit 1959 (100e verjaardag), ging professor W.R. Thompson, FRS (Fellow of the Royal Society), uitvoerig in op de tekortkomingen van de evolutietheorie van Darwin en zei vervolgens:

“Het is daarom terecht en gepast om de aandacht van het niet-wetenschappelijke publiek te vestigen op de meningsverschillen over de evolutietheorie. Maar enkele recente opmerkingen van evolutionisten laten zien dat zij dit onredelijk vinden. Deze situatie, waarin wetenschappers zich aaneensluiten voor de verdediging van een doctrine die ze niet kunnen definiëren, laat staan ​​met wetenschappelijke nauwkeurigheid kunnen demonstreren, om de geloofwaardigheid onder het publiek in stand te houden door het onderdrukken van kritiek en het wegnemen van moeilijkheden, is abnormaal en ongewenst in de wetenschap.”

Slaughter of the Dissidents geeft een uitvoerige rapportage over de inspanningen van de onderwijselite om de evolutietheorie en het filosofisch naturalisme te beschermen tegen kritische beoordeling. Het beschrijft de onderdrukking van kritische opvattingen en het duperen van dissidente leraren en leerlingen op scholen, en studenten en docenten aan universiteiten. De rapportage is grotendeels beperkt tot de situatie in de VS. De auteur gebruikt de term “Darwin betwijfelaar” om de slachtoffers te beschrijven, en voor het gemak zal ik zijn gebruik volgen.

Onderdrukking door scholen en instellingen voor hoger onderwijs

De gevallen lopen uiteen van kinderachtigheid tot criminaliteit. Een voorbeeld van het eerste betreft een professor die zijn studenten twee artikelen liet lezen die kritisch zijn over aspecten van de evolutietheorie, gepubliceerd door het gerenommeerde Journal of Theoretical Biology. Hij werd overgeplaatst naar de afdeling “Geschiedwetenschap” en het college annuleerde zelfs zijn abonnement op het tijdschrift, hoewel het nauwelijks een creationistische publicatie was. Een voorbeeld van het tweede betreft een professor die “uit de kast kwam”’ over het Darwinisme. Hij kreeg een vuistslag van een collega en eindigde met een gebroken neus die moest worden geopereerd. Er werd geen actie ondernomen tegen de aanvaller. “De decaan vertelde me dat hij kon begrijpen waarom mijn ideeën de collega gek maakten.”

Het jongste geval betreft een twaalfjarige jongen die zei dat hij niet in de evolutie geloofde. Als gevolg werd hij door zijn lerares belachelijk gemaakt in zijn klas. Ze waarschuwde hem ook om dat nooit meer in haar klas te zeggen of ze zou hem voor straf naar het schoolhoofd brengen.

Degenen die de middelbare school doorkomen en bekend staan ​​als Darwin betwijfelaars, krijgen geen toegang tot postdoctoraal werk en dus ook niet tot het beroep van wetenschapper. Degenen die door die barrière heen glippen en wèl toegang krijgen tot het beroep, worden verhinderd hun sceptische visies te publiceren en er worden pogingen ondernomen om hen uit het vak te treiteren.

Goede wetenschappelijkheid biedt geen bescherming voor een Darwin-twijfelaar. Norbert Smith was een uitstekende biologiestudent. Kort na zijn afstuderen aan de Southwestern Oklahoma University hield hij een lezing over de wetenschappelijke bewijzen voor creatie bij een plaatselijke club. Daardoor kreeg hij te horen dat hij niet zou worden aanbevolen voor postacademisch werk. Maar zijn uitstekende reputatie leverde hem een ​​plaats op aan de Baylor University, waar hij verschillende artikelen publiceerde in seculiere wetenschappelijke tijdschriften terwijl hij aan zijn masterdiploma zoölogie werkte. Twee maanden na zijn afstuderen aan Baylor publiceerde hij een artikel in de Creation Research Society Quarterly. Zijn professor vertelde hem dat, als iemand bekend zou zijn geweest met zijn creationistische overtuigingen, hij niet zou zijn toegelaten tot Baylor voor zijn studie. Smith behaalde uiteindelijk een doctorsgraad in de zoölogie bij Texas Tech, terwijl hij ondertussen nog eens vier artikelen publiceerde in seculiere tijdschriften. Twee weken na het behalen van zijn doctoraat publiceerde hij een tweede artikel in de CRSQ. Dit maakte de mensen bij Texas Tech woedend en Smith kon geen betaalde baan krijgen omdat niemand aanbevelingsbrieven voor hem wilde schrijven.

Een bijzonder interessant en onthullend geval betrof Frank Manheim, een student aan Harvard en een orthodoxe evolutionist. Zijn professor “hamerde op twee thema’s: evolutie en het aan de kaak stellen van autoriteit”. Dus koos Manheim voor zijn scriptie een thema dat autoriteit aan de kaak stelt: een kritisch onderzoek naar evolutie. Hij zag reikhalzend uit naar een 9 en schrok hevig toen hij een 5 kreeg. Hij zocht zijn professor op om de reden voor zijn slechte cijfer te achterhalen en informeerde hem terloops dat hij de evolutietheorie niet persoonlijk betwijfelde, maar eenvoudig de positie van een debater had ingenomen. Toen de professor dat hoorde, veranderde hij de beoordeling in een 9!

Er worden verschillende middelen gebruikt om Darwin betwijfelaars te identificeren. Onderwijzers en studenten worden ondervraagd over hun religieuze overtuigingen, een manier van vragen die volgens Bergman illegaal is. CVs worden uitgekamd op vermelding van enige religieuze betrokkenheid. “Aanbevelingsbrieven” worden gebruikt om andere instellingen te wijzen op de religieuze opvattingen van sollicitanten. Atheïstische studenten en medewerkers informeren over Darwin betwijfelende collega’s. Zelfs internet wordt doorzocht op relevante informatie.

Het boek bevat een aantal praktische adviezen voor studenten. Een advies is dat men het recht om aanbevelingsbrieven te mogen inzien niet moet vergeten. Tom Jungmann, een afgestudeerde aan de San Jose State University, maakte die fout. Vervolgens werd per ongeluk een aanbevelingsbrief naar hem teruggestuurd, waarin zijn professor verklaarde dat zijn religieuze opvattingen een grote belemmering zouden kunnen zijn voor het behalen van een doctoraat. Hoewel Jungmann er later in slaagde de professor zover te krijgen, onder bedreiging van een rechtszaak wegens discriminatie, om een ​​brief te schrijven waarin hij de beledigende verklaringen in zijn aanbevelingsbrief herriep, was de schade al aangericht en kon hij zich niet verzekeren van een plaats in een PhD programma in de biologie.

De betwijfelaars van Darwin en theïstische leraren worden strak onder controle gehouden, terwijl evolutionisten en atheïsten de vrije hand krijgen.

Een ander advies is om kopieën van alle ingeleverde werkstukken te bewaren. Een antropologiestudent had in een paper laten blijken dat hij het oneens was de evolutie theorie. Zijn hoogleraar maakte er vreselijke opmerkingen over en “ze probeerde me te laten zakken voor haar lessen door te zeggen dat ik de grote opdrachten en projecten niet deed, maar ik was slim genoeg om kopieën te maken. Ik stuurde ze naar haar en ik zei dat als u nog steeds bezwaren heeft tegen wat ik verdien, ik persoonlijk naar het afdelingshoofd zou gaan. Prompt kreeg ik mijn cijfer, een 4,0 GPA [het hoogste].”

De Darwin betwijfelaars en theïstische leraren worden strak onder controle gehouden, terwijl evolutionisten en atheïsten de vrije hand krijgen. Philip Bishop is hoogleraar bewegingsfysiologie aan de Universiteit van Alabama. Hij schreef meer dan driehonderd publicaties in gerenommeerde tijdschriften en congrespublicaties en werd aanbevolen voor een vroege vaste aanstelling. Toen de universiteit hoorde dat hij zijn studenten informeerde dat zijn vakgebied overvloedig bewijs levert voor intelligent ontwerp, verbood ze hem dat te doen. Daartegenover beroemt William Provine van Cornell zich erop dat het percentage theïsten onder zijn studenten daalt van 75% aan het begin van de cursus tot 50% aan het eind.

Sommigen drukken hun atheïstische agenda op een offensieve manier door, zoals de sociologieprofessor aan de Troy State University in Alabama, die zijn studenten trakteert op opmerkingen als “Er is niet zoiets als een [vloek geschrapt] god!”

Succes in het verleden heeft de instelling aangemoedigd om steeds extremere houdingen aan te nemen. Ze werden geholpen door de steun van de publieke media, en vooral door de rechterlijke macht. Het rapporteren van de publieke omroep is meestal extreem bevooroordeeld en misleidend, zoals blijkt uit de volgende voorbeelden.

Onjuiste verslaglegging door de publieke media

Larry Booher is leraar aan een middelbare school in Washington County, Virginia. Hij verzamelde een aantal wetenschappelijke artikelen waarin de problemen van het Darwinisme werden gedocumenteerd, liet ze op eigen kosten kopiëren en overhandigde een set aan elke leerling in zijn biologieles “als vrijwillig en extra-curriculair materiaal”. Het volgende is hoe een ‘redactioneel’ in een lokale krant de situatie beoordeelde:

“Een biologieklaslokaal op de middelbare school is niet de juiste plaats om te praten over het Bijbelse verslag van de schepping van de aarde. Dat is al meer dan vijftien jaar de wet van het land, en leraren op openbare scholen zijn verplicht om die te gehoorzamen, ongeacht hun persoonlijke religieuze overtuigingen. Als hun geloof hen niet in staat stelt om de wet te volgen, kunnen ze altijd nog lesgeven op een privéschool of een ander onderwerp onderwijzen. Schoolbesturen hebben ook een plicht. Ze moeten ervoor zorgen dat leraren zich aan de regels houden en dat het curriculum in overeenstemming is met de wet.”

Roger DeHart was leraar biologie aan de Burlington-Edison High School, niet ver van Seattle vandaan. Hij moedigde zijn studenten aan om het bewijsmateriaal vóór en tegen de naturalistische oorsprong van het leven te evalueren en hielp hen om dat te doen door aanvullend materiaal van “Of Pandas and People”, een tekst van de Intelligent Ontwerp-beweging pro-ID-tekst, uit te delen. Toen een student klaagde (de enige klacht in meer dan tien jaar) kwam Channel 5

“… naar Burlington en interviewde een aantal van mijn studenten. Geen van de geïnterviewde studenten vond dat ik iets onbehoorlijks deed. In een wanhopige poging om een ​​controverse te presenteren klampte de verslaggever een leerling uit speciaal onderwijs aan en vroeg hem of religie moest worden onderwezen in een biologielokaal. Natuurlijk antwoordde hij dat dat ongepast. Het uitgezonden interview gaf de indruk dat de student in mijn klas zat en dat hij vond dat ik religie onderwees.”

Bergman ontdekte dat de rechtbanken altijd hebben gekozen voor degenen die het atheïsme bevorderen, en tegen degenen die theïstische opvattingen verkondigen.

Een lokaal tijdschrift publiceerde verschillende artikelen. Eén kreeg de kop “Creationisme uit het B-EHS-lokaal”, en een ander “onderwijzen of prediken?”

Evenzo, toen hoogleraar biologie Dan Scott van Wright State University, Ohio, zijn studenten informeerde over de controverse rondom het Darwinisme, en hen een schrijfopdracht daarover meegaf, gebruikte de Dayton Daily News de kop “Creationistische klaslokaal invasie veroorzaakt een pseudowetenschappelijk controverse.”

Dergelijke misleidende informatie in de media is meestal opzettelijk. Toen het bestuur van de Kansas State School bijvoorbeeld in 1999 ervoor koos om de evolutie in hun wetenschappelijke richtlijnen niet meer te benadrukken, beweerde Time magazine dat ze de evolutietheorie hadden verwijderd en weigerden een rectificatie te publiceren hoewel ze minstens drie keer op de fout werd gewezen.

Discriminatie door de rechterlijke macht

Uiteindelijk, onder de huidige Amerikaanse politiek, zou het besluit bij het gerecht moeten liggen ongeacht de politieke agenda, of niet soms? De rechters kunnen worden vervangen, maar de beslissing ligt nog steeds bij de rechtbank. Mij ​​werd eens verteld door enkele frequente VS-bezoekers dat sommige Amerikaanse conservatieven het inderdaad nodig vinden om de hoge rechters te vervangen. Uiteindelijk is het allemaal aan de beslissingen van de rechtbanken en de meerderheid van de rechters deelt volledig de vooroordelen van de onderwijsinstellingen elite en de media.

Rodney LeVake was leraar biologie aan de Faribault Senior High School in het zuiden van Minnesota. Hij vertelde een collega over zijn twijfels over de Darwinistische evolutietheorie en dat hij van plan was zijn biologiestudenten hierover te informeren. Toen de schoolmanagers dit hoorden, zei de directeur tegen LeVake: “Door te wijzen op de verschillen waarvan u gelooft dat ze bestaan ​​… hebt u duidelijk gemaakt dat u het curriculum niet kunt onderwijzen.” LeVake verzekerde zijn meerderen dat hij geen creationisme wilde onderwijzen in zijn biologieles, maar gewoon “een eerlijke kijk op enkele van de wetenschappelijke zwakheden van Darwins evolutietheorie wilde presenteren.” Desondanks werd zijn positie veranderd om algemene wetenschap en scheikunde te geven. LeVake klaagde het schooldistrict aan voor het schenden van zijn recht op godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting, maar de rechter verwierp de zaak en zei dat LeVake geen recht op academische vrijheid had en kon worden belet kritiek te uiten op de evolutietheorie “hoewel het wetenschappelijk geloofwaardig kan zijn”. Het besluit werd bevestigd door het Hof van Beroep van Minnesota. Ironisch genoeg beweerde het Hof van Beroep dat het klaslokaal een ‘marktplaats van ideeën’ is en dat ‘academische vrijheid moet worden gewaarborgd’, maar de actie van de school wordt gehandhaafd om te voorkomen dat een leraar de tekortkomingen van de evolutietheorie bespreekt!

wikipedia.org  Rechtbanken – onvolkomen rechtvaardigheid

Anti-creationisten zeggen vaak dat creationisme in niet-wetenschappelijke lessen zou moeten worden onderwezen zoals sociale wetenschappen, maar niet in wetenschapslessen. Ray Webster was onderbouwleraar sociale wetenschappen op een middelbare school in een stad in de buurt van Chicago. Een student klaagde dat hij beide kanten van de controverse rondom schepping en evolutie presenteerde, en daarmee de scheiding van kerk en staat schond. De directeur liet hem schriftelijk weten dat hij alleen informatie moest aanleren ten gunste van de evolutietheorie. Webster bracht samen met een student die zijn standpunt ondersteunde de zaak voor de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de school het grondwettelijke recht van Webster niet had geschonden door hem niet toe te staan ​​informatie te presenteren die een niet-evolutionaire oorsprong van het leven ondersteunt, en dat de betrokken student niet het recht had dergelijke informatie te ontvangen.

De beslissing in het geval van Webster staat in schril contrast met die van een natuurwetenschapsdocent in North Carolina met de naam Moore. Hij vertelde zijn studenten dat hij niet geloofde in het leven na de dood, of in de hemel en de hel, en dat het geloof in de christelijke God voortkwam uit oude geloofsovertuigingen in tal van stamgoden. Twee studenten die het klaslokaal wilden verlaten, werden bevolen om te gaan zitten. De klas was zo van streek dat de les voortijdig werd beëindigd. Verschillende woedende ouders belden de school om te klagen. Moore werd ontslagen en klaagde de school aan. De rechtbank oordeelde dat Moore het recht had om zijn religieuze opvattingen in de klas te verdedigen, dat elke inbreuk op dit recht een ontmoedigend effect zal hebben op de uitoefening van het recht door andere leraren, en dat het belang van een open discussie over religieuze kwesties in de klas van doorslaggevend belang is.

Bergman ontdekte dat de rechtbanken altijd hebben gekozen voor degenen die het atheïsme promoten, en tegen degenen die theïstische opvattingen verkondigen. “Mijn zoektocht naar gepubliceerde gevallen van academische vrijheid heeft geen uitzonderingen op deze generalisatie gevonden.”

Algemene opmerkingen

De auteur zegt dat hij alles in het werk heeft gesteld om contact op te nemen met de betrokken instellingen, evenals met hun slachtoffers, en dat hij altijd rekening heeft gehouden met de opmerkingen en argumenten van de eerste. In veel gevallen reageerden de instellingen niet of gaven vage antwoorden die niet informatief waren. Verschillende casuïstieken zijn zelfs weggelaten vanwege feedback van de betrokken bedrijven. “Zelfs als twee of drie van de gevallen enigszins gebrekkig zijn, doet dit op geen enkele manier afbreuk aan de algehele aanklacht geïllustreerd door de resterende gevallen” en de vele anderen die niet in het boek worden vermeld. Er zijn er ook veel die hun zaak wilden bespreken, maar er weer van afzagen uit angst voor repercussie. In andere situaties wilden degenen die informatie hadden om de verhalen van de slachtoffers te bevestigen, niet betrokken worden uit angst voor vergelding.

Bergman ondersteunt zijn stelling met zeventig pagina’s documentatie. Veel van de gevallen hebben betrekking op slachtoffers met uitstekende academische resultaten. Hij daagt iedereen uit die twijfelt aan de validiteit van zijn bevindingen om “een boek te produceren dat documenteert dat honderden ‘uit de kast gekomen’ Darwin betwijfelaars zonder problemen afstudeerden, wijd en zijd publiceerden en gewoon hun benoemingen en promoties kregen.”

Het boek concentreert zich op een dozijn cases die de laatste twee decennia bestrijken en waarbij voornamelijk middelbare schoolleraren en universitaire academici betrokken zijn, maar het bevat ook een groot aantal andere gevallen, hoewel die minder gedetailleerd zijn.

Hoe wijdverspreid is deze situatie precies? Bergman schat dat er gemiddeld in Amerika jaarlijks ongeveer vierhonderd gevallen van klinkklare discriminatie plaatsvinden en dat de overgrote meerderheid door de slachtoffers niet bij de rechtbank wordt aangevochten omdat ze de onmogelijkheid om gerechtigheid te krijgen erkennen. Hij citeert een werkgever als volgt:

“Als we ontdekken dat we [een ‘fundamentalist’] aannemen, vooral als ze met de andere onderzoekwetenschappers over hun overtuigingen gaan praten, zou ik ze binnen een maand ontslaan. Meestal vertrekken ze zonder al te veel protest. En ik heb nog nooit iemand meegemaakt die een aanklacht indiende, ook al is het ontslaan op religieuze gronden illegaal en ik weet dat het zo is. Maar wat maakt het uit—een aantal jongens vertelde ik rechtuit: ‘We willen niet dat er creationisten in dit lab werken, dus als je morgen je ontslagbrief niet invult, moeten we je ontslaan. Je kunt maar beter ergens anders een functie vinden.’ Trouwens, als ze een beroep doen op de EEOC en winnen, dan nemen we ze gewoon weer aan. Niemand heeft het ooit gedaan, dus ik maak me er geen zorgen over.”

Over de vaste aanstelling kan alleen door geheime stemming worden beslist. Dus zelfs als een docent aan alle andere vereisten voldoet of deze zelfs overtreft, als genoeg vaste werknemers van een faculteit het ermee eens zijn dat de religieuze of filosofische visie van een nog niet-vast aangestelde professor onaanvaardbaar voor hen is, kunnen ze hem gewoon uit een baan wegstemmen.

De auteur eindigt met het aanhalen van een waarschuwing van Cal Thomas (Book Burning, Crossway Books, 1983):

“Onze grootste vijand is de apathie van gelovige mensen. We zeggen dat we bepaalde dingen geloven. We leren honderden bijbel verzen uit ons hoofd. We gaan drie keer per week naar de kerk. Maar we leven in de praktijk als atheïsten. …
“Schrijven we brieven naar de redacteur om onze standpunten kenbaar te maken? Gaan we naar bestuursvergaderingen van openbare scholen en geven we uiting aan onze bezorgdheid? …
“Nee, het seculiere humanisme is niet de ultieme vijand. We zijn het zelf. We hebben iets minder lawaai over de kwaadaardige seculier humanisten nodig en veel meer betrokkenheid van onze eigen mensen in ons eigen land. Zoals onze oude stripvriend Pogo eens opmerkte: ‘We hebben de vijand ontmoet en hij is ons eigen ik.'”

Bij het boek zit een penning, waarmee de koper van het boek een elektronische kopie van een latere versie kan downloaden. Dit corrigeert veel drukfouten in de papieren versie, inclusief fouten in de paginanummers in de index.

Slaughter is het eerste deel van een trilogie. Het tweede deel zal “dieper ingaan op veel van de problemen in verband met deze kwestie …”. Het derde deel zal zich richten op de kwestie van censuur.