Slijtage van de historische Adam

Een antwoord op Adam and the Genome van Scot McKnight en Dennis Venema

Via: https://pixabay.com/nl/kunst-schilderij-muurschildering-285919/

Uittreksel
Veel hedendaagse christenen beschouwen de historiciteit van Adam als onbelangrijk of slechts bijzaak. Steeds meer evangelische geleerden ontkennen de ‘echtheid’ van Adam vanwege de impact die evolutie heeft op de theologische wereld. Een recent voorbeeld hiervan kun je vinden in het boek Adam and the Genome. Dit artikel evalueert de Bijbelse argumenten die theoloog Scot McKnight gebruikt om een historische Adam te verwerpen.

 

Introductie

Een van de belangrijkste vraagstukken voor de hedendaagse kerk betreft de historiciteit van Adam. In de tegenwoordige wereldse cultuur is het gebruikelijk om het bijbelse verslag over Adam als een verhaal, mythe of vergelijking te zien. Nu zijn er echter ook steeds meer praktiserende, evangelische geleerden die boeken schrijven over hun afwijzing van of twijfel over Adams historiciteit—of op zijn minst enkele details uit Genesis over Adam.1 Omdat er blijkbaar een conflict bestaat tussen theologie en wetenschap, is er kort geleden een ander boek verschenen, Adam and the Genome, dat een historische Adam achter zich laat.

Het boek is in twee secties opgedeeld. Hoogleraar biologie Dennis Venema behandelt de wetenschappelijke zaken van het genoom, waar nieuwtestamentisch theoloog Scot McKnight het bijbelse perspectief op Adam bekijkt. Deze recensie zal McKnights voornaamste argumenten behandelen. Voor een verdediging van Adam als historisch persoon, zie: “In Defense of the Historical Adam” en “When Was Adam Created”.2

McKnight geeft als hoofdstelling in zijn hoofdstukken aan dat er geen historische Adam heeft bestaan en dat dit geen gevolgen heeft voor het verlossingsverhaal van de Bijbel.

Wetenschap en de Bijbel

Hoewel McKnight beweert dat zijn interpretatie van Adam gebaseerd is op de Schrift, is het belangrijk om te zien dat die zwaar beredeneerd is vanuit het huidige evolutionaire paradigma:

“We zijn dus weer terug bij onze twee feiten: de wetenschappelijke visie dat het menselijke DNA teruggaat naar meer dan twee mensen en de klaarblijkelijke leer uit de Bijbel dat het terugkomt op twee mensen, Adam en Eva. Dus zien we de feiten onder ogen. De Bijbel laat het echt lijken alsof Adam en Eva de mensen zijn van wie wij afstammen. Maar wetenschappers zullen ons direct vertellen dat Adam en Eva zelf voorouders hadden (…) Zo komen we op dit punt, en voor mij is dit de belangrijkste pastorale vraag die voorgangers tegelijk moeten stellen met wetenschappers: Ben je bereid om de feiten onder ogen te zien–de feiten van de Bijbel en de feiten van de wetenschap?3

Het is alleen niet de ‘wetenschappelijke visie’ dat menselijk DNA teruggaat naar meer dan twee mensen. Beter gezegd is het de visie van bepaalde wetenschappers die in evolutie geloven. McKnight was ook niet in staat om twee significant verschillende wetenschapstakken te onderscheiden: historische wetenschap en observatiewetenschap. Historische wetenschap wil het niet-herhaalbare, niet-observeerbare verleden reconstrueren door te kijken naar de observeerbare gevolgen van vroegere evenementen. En zulke historische reconstructies zijn sterk afhankelijk van het geloof of het wereldbeeld van de wetenschapper.

Anderzijds gebruikt observatiewetenschap herhaalbare, observeerbare, testbare experimenten om te kijken hoe dingen in het heden werken, zodat we medicijnen kunnen maken, nieuwe technologieën kunnen ontwikkelen of andere wetenschappelijke vorderingen teweeg kunnen brengen. Zelfs evolutionisten erkennen dit verschil.4 McKnight verwart “feiten” ook met interpretaties van evolutionisten over waarneembare wetenschap, en hij slaagt er niet in om te zien dat die interpretaties zijn gebaseerd op aannames van een anti-bijbels, naturalistisch wereldbeeld. Dus McKnight lijkt degene te zijn die de feiten niet onder ogen wil zien.

Zoals het meestal gaat met nieuwe boeken over evolutie en Genesis, laat McKnight geen interactie zien met jonge-aarde creationisten die al over deze zaken hebben geschreven, en diegenen die het niet met hem eens zijn over Adam doet hij af als ‘fundamentalisten’. In feite gaat hij zelfs zo ver dat hij zegt dat “wetenschappelijke creationisten” uit “angst” handelen, namelijk: een “angst dat de Bijbel ongelijk zou kunnen hebben en dat hun hele geloof zou instorten”.5 Daarom gelooft McKnight dat er “eerlijkheid” nodig is “over wat de Bijbelteksten en empirische studies eigenlijk laten zien.”6

Dit had serieus genomen kunnen worden als hij tenminste liet zien dat hij op een eerlijke manier op anderen reageerde die met hem van mening verschillen.7 Desalniettemin is McKnights grootste zorg—iets dat Answers in Genesis allang heeft aangetoond—dat deze discussie ervoor zorgt dat jonge mensen kerkverlaters worden:

“De voornaamste reden dat jonge christenen het geloof achter zich laten is het conflict tussen wetenschap en geloof, wat kan worden gespecificeerd tot het conflict tussen de evolutietheorie en het ontstaan van de mens zoals we dat lezen in Genesis 1–2.”8

Dit komt omdat de meeste jonge mensen inzien dat evolutie en de Bijbel niet te verenigen zijn. McKnight tracht te pleiten dat ze de context van de Bijbel verkeerd begrepen hebben. Maar als ze eenmaal de juiste uitleg hebben gekregen, zullen ze zien dat evolutie door de context wordt toegestaan.

Adam: wie zijt gij?

Omdat McKnight evolutie aanvaardt, is het geen verrassing dat hij veel klassieke tegenwerpingen naar voren brengt voor het lezen van Genesis 1–11 als een kort verslag van echte gebeurtenissen in de geschiedenis. Hij ziet Genesis 2 bijvoorbeeld als een tweede beschrijving van de schepping die niet overeen kan stemmen met Genesis 1.9 Dit wordt echter gedreven door zijn kritische blik op de Pentateuch en hij negeert de verschillen en nuances in deze stukken tekst, zoals het gebruik van de goddelijke namen.10

Hij brengt ook het populaire argument ter sprake dat de “auteur van Genesis 1 (…) tot de conclusie komt dat de lucht een koepel of een ‘gewelf’ is”11 en natuurlijk de bekende (en reeds beantwoorde) vraag waar Kaïn zijn vrouw vandaan haalde.12 Deze en andere onderwerpen (zoals dat Adam uit stof is gevormd, de hof van Eden, en een wereldwijde vloed)13 vormen de redenen die McKnight doen geloven dat we Genesis met een ‘frisse blik kunnen lezen’ en dat “de eerlijke lezer zich moet afvragen of die onderwerpen strikt geschiedkundig zijn bedoeld”.14

Maar waarom zou een “eerlijke” lezer deze kwesties afwijzen als geschiedenis? De Eerlijkste Lezer die ooit heeft geleefd (Jezus Christus zelf) deed dat niet. Hij nam Genesis aan als oprechte historie (Mattheüs 19:4–6; 24:37–39; Markus 10:6; Lukas 17:26–27). De reden dat McKnight deze teksten afdoet als onhistorisch komt omdat hij, bewust of onbewust, de geschiedenis (in ieder geval die van vóór Abraham) en wetenschap al heeft gelimiteerd tot een puur naturalistisch beeld. Met andere woorden: alles moet worden verklaard door tijd, toeval en de natuurwetten die op materie werken. Maar deze manier van denken over geschiedenis en wetenschap heeft niet altijd de boventoon gevoerd.15 We leven nu alleen wel in het heden en omdat McKnight door dit naturalistische wereldbeeld is beïnvloed, wijst hij de bovennatuurlijke elementen in Genesis 1–11 af.

Vanuit een naturalistisch oogpunt kunnen geschiedenis en wetenschap niks zeggen over iets wat we niet kunnen observeren. Daarom kan je de openbaring van God hier ook niks over laten zeggen. Wat Genesis 1–11 betreft: McKnight heeft simpelweg de methoden en conclusies van kritische, wereldse geleerdheid overgenomen.

Ook maakt McKnight een verkeerd onderscheid tussen de “literaire Adam” en de “historische Adam”16 en gebruikt hij liever termen als “archetypisch”, “genealogisch” en “literair” om Adam te beschrijven. Hij stelt:

“’Archetypische Adam en Eva’ verwijzen naar hun weergave van de gehele mensheid—Adam als ‘Iedereman’ en Eva als ‘Iederevrouw’. ‘Genealogische Adam’ verwijst naar Adam (en Eva) in genealogische lijsten, waaruit blijkt dat de auteur van de genealogie (op zijn minst) zinspeelt dat hij ze als echte personen zag. ‘Literaire Adam (en Eva)’ verwijst naar de Adam en Eva uit Genesis die een eigen leven gingen leiden, aangezien we ze vinden in een passage binnen Israëls Geschriften.”17

Maar waarom zou bijvoorbeeld de genealogie in Lucas slechts zinspelen op Adam als echt persoon? Lucas (3 verzen 23–38) laat Adam zien naast talloze historische individuen (Noach, Abraham, Jozef, David) die in de genealogie van Christus zijn opgenomen. Lucas is een geloofwaardige historicus die de dingen van voren af aan nauwkeurig onderzocht heeft om zijn lezers enige kennis te geven (Lucas 1 vers 3–4), en hij laat zien dat Jezus’ genealogie kan worden herleid tot de eerste mens en vader van de hele mensheid. Als Adam geen historisch figuur is, dan ondermijnt dat het punt van Lucas doordat hij een mythisch figuur zou hebben gebruikt om een theologisch punt te maken. Het is duidelijk dat Lucas geloofde in een historische Adam (zie ook: Handelingen 17 vers 26).

Ook al zoeken veel theïstisch evolutionisten voor een werkelijke “Adam” die de leider van het menselijke ras werd, gekozen uit een groep hominiden, wijst McKnight er terecht op: “Men kan dat suggereren, maar het is voor iedereen die Genesis 1 en 2 leest zonneklaar dat er geen andere mensen aanwezig waren waaruit Adam en Eva konden worden gekozen.”18

Niettemin is de voornaamste reden voor McKnight om te geloven dat Genesis als iets anders dan een historische beschrijving van gebeurtenissen moet worden gelezen dat hij denkt dat het door teksten is beïnvloed (zoals Enuma Elish, het Gilgamesh Epos, en Atrahasis) van naburige volken uit het antieke Nabije Oosten.19 Daarom pleit McKnight ervoor dat Adam (en Eva) beschouwd moeten worden als deel van het Israëlische narratief in discussies met andere natiën in het antieke Nabije Oosten:

“Een contextuele benadering voor het lezen van Genesis 1–3 stelt meteen vast dat Adam en Eva uit de Bijbel een literaire Adam en Eva zijn. Dat wil zeggen, Adam en Eva zijn deel van een vertelling die is ontworpen om te spreken in een wereld die dezelfde en andere vertellingen bezat. Het gebruik van deze context betekent zowel dat Adam en Eva niet ‘fictief’ zijn, als dat ze niet ‘historisch’ zijn. Om zo eerlijk mogelijk te zijn met het plaatsen van de tekst in diens context, moeten we beginnen met het onmiskenbare: Adam en Eva zijn literair— ze zijn onderdeel van een vertelling die ontworpen is om te onthullen hoe God wil dat zijn volk begrijpt wat mensen zijn en voor welke acties mensen geroepen zijn in Gods schepping.”20

Deze contextuele lezing geeft McKnight de vrijheid om te zien dat er niet één interpretatie is voor “Adam en Eva”. McKnight wijst erop dat, vanaf de tweede tempel bouw tot het nieuwe testament (530 voor Christus tot 90 na Christus), de “Adam en Eva” van het bijbelse narratief op verschillende manieren zijn geïnterpreteerd. Daarom is “de literaire Adam een wassen Adam” door de geschiedenis heen.21

Een ander probleem met McKnights beeld dat Adam niet historisch is, houdt in dat het totaal niet in overeenstemming is met bijna alle benaderingen van Adam door de gehele geschiedenis. Geloofden de joden uit de eerste eeuw dat Adam historisch was? Ja.22 Dachten de nieuwtestamentische schrijvers er ook zo over? Ja. Dacht Jezus Zelf dat Adam historisch was? Jazeker. Geloofden de vroege christenen dit? Ja.23 Desalniettemin claimt McKnight dat het slechts sinds de komst van moderne genetica is dat we nu weten dat Adam niet historisch was. Maar als McKnights opvatting van Adam de bijbelse is, waarom geloofde niemand dit dan voor hem (of Karl Barth of Peter Enns)?24 Daarom zijn zij die beweren dat, wanneer je de Bijbel in diens context leest, Adam niet-historisch is, volledig in conflict met mensen uit de antieke wereld en dwars door de kerkgeschiedenis heen, die Genesis niet op die manier begrepen.

Paulus en Adam

McKnight argumenteert dat, wanneer het op het Nieuwe Testament aankomt, “De Adam van Paulus niet de historische Adam [was]”.25 Op het beantwoorden van de vraag wat voor soort Adam het is die we in Romeinen 5 kunnen vinden, zegt McKnight:

“Het antwoord is duidelijk: de Adam van Paulus is de literaire Adam uit Genesis, geraffineerd door de joodse interpretatietradities waarin Adam als archetypische, morele, en rolmodel Adam wordt gezien.”26

McKnight gelooft dat Paulus een “literaire Adam” aanvaarde die reeds gefiltreerd was door een conversatie die al een lange tijd aan de gang was onder Joodse uitleggers. McKnight ontkent in zijn behandeling van Romeinen 5 vers 12 dat de erfzondeleer zich daar laat vinden en beschuldigt, zoals veel theïstisch evolutionisten, Augustinus voor het denken dat het er wel is:

“Paulus bevestigt noch ontkent de overdracht van zonde [erfzonde], een zondige natuur en dood door voortplanting en geboorte en een leven hebben geleefd vóór God. Wat centraal kwam te staan in latere theorieën over redding—dat ieder mens ‘in’ Adam gezondigd heeft en dat ieder mens schuldig geboren wordt en redding nodig heeft—hoe duidelijk dit ook in logica klinkt—kunnen we niet vinden in Romeinen 5 vers 12.27

Voor McKnight gaat het “Paulus niet alleen maar om Adam die de dood in de kosmos uitstortte, maar ook om een ieder van ons die als een Adam of Eva onze eigen dood teweeg brengt”.28 Daarom “kan Paulus Adam niet verwijten; hij beschuldigt iedereen van zondigen zoals Adam”.29

Heeft McKnight gelijk over Romeinen 5 vers 12? Komt onze zonde voort uit Adams ongehoorzaamheid of komt het vanwege onze eigen individuele zonde? Het moge duidelijk zijn dat de tekst een primaire en een secundaire oorzaak aangeeft. De primaire oorzaak is Adams ongehoorzaamheid, waardoor de dood zijn intrede deed in de wereld; de tweede oorzaak is de zonde van individuen die door hun eigen ongehoorzaamheid de dood op hen doen neerkomen.30 Door de gehele tekst van Romeinen 5 vers 12–21 contrasteert Paulus de zonde van één mens (Adam) en de rechtvaardigheid van één mens (Jezus).

De hele beredenering uit Romeinen 5 vers 12–21 is gebaseerd op de eenheid van alle zondaars in Adam en de eenheid van de vrijgekochten in Christus. Door deze hele passage spreekt Paulus over de zonde van één man (verzen 15­—19) als oorzaak van het probleem, niet over individuen. Uit de opmerkingen van Paulus in Romeinen 5 vers 19 (“Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens velen als zondaars aangemerkt worden”) kunnen we begrijpen dat Adams ongehoorzaamheid (“zonde”) al zijn nakomelingen schuldig maakte op grond van zijn eerste zonde. Zodoende “staat Paulus erop dat mensen daadwerkelijk zijn gemaakt tot zondaars door Adams ongehoorzame handelen”.31

In tekstverband staat “velen” uit vers 19 voor “alle mensen” in vers 12. Het is als gevolg van Adams ongehoorzaamheid dat we als zondaren worden beschouwd. Dit ontkent de menselijke verantwoordelijkheid voor zonde niet, omdat we “niet schuldig zijn aan Adams zonde; we zijn schuldige zondaren in Adam”.32 Bovendien zou Paulus’ redenering in Romeinen 5 vers 12–21 totaal worden ontwricht als Adam de ‘mensheid’ in het algemeen, als metafoor voor iedereen, zou betekenen. Als zonde, verwerping en veroordeling niet door één mens zou zijn gekomen, hoe kan het dan zo zijn dat redding wel door één mens, Jezus Christus, is gekomen? Als Adam een metafoor is voor de mensheid, wordt de gelijkenis verbroken en werkt de analogie niet.

Ook al zou de term “erfzonde” door Augustinus kunnen zijn gebruikt om naar onze collectieve menselijke schuld en verdorvenheid te verwijzen, dit betekent nog niet dat die term door hem is uitgevonden. Er bevindt zich een beschrijving van de erfzondeleer in de Patristische theologie van Irenaeus (130–202 n.Chr.), Basil (329–379 n.Chr.) en Ambrose (340–397 n.Chr.).33 Daarbij komt dat het Joodse volk uit de tweede tempelperiode (530 v.Chr.–70 n.Chr.) “de opvatting dat menselijke zonde [was] afgeleid van Adam deelden (IV Ezra 3.7; Sifre Deuteronomium 3 vers 23)”.34 Misschien wel de meest heldere tekst van deze Joodse schrijvers die naar erfzonde door Adam refereert kunnen we vinden in 2 Esdras 3 vers 21–22, 26.35

Uiteindelijk gelooft McKnight dat de Adam van Paulus literair is, en niet historisch. Maar, zoals mede evolutionistische creationist Denis Lamoureux aanduidde, het lezen van Paulus zonder historische Adam “is een zeer tegennatuurlijke manier om de Heilige Schrift te lezen”.36

Conclusie

Jammer genoeg laat Adam and the Genome meer bewijsmateriaal zien voor de richting waarin veel evangelisten zich keren als het op het vraagstuk van Adam neerkomt. De historiciteit van Adam en zijn zondeval zijn geen onbelangrijke zaken, maar bijbelse feiten met enorme theologische consequenties. De historiciteit van Adam is helemaal door de bijbelse geschiedenis en theologie verweven. Als er geen Adam zou zijn, dan valt de hele bijbelse boodschap uit elkaar, omdat hij van groot belang is voor de bijbelse boodschap van schepping, zondeval, en verlossing. De onenigheid over Adams historiciteit en het proces waardoor God hem schiep negeert het grote plaatje van Adam en zijn belang in de vertelling van de Schrift.

 

Referenties en voetnoten

  1. Zie: Francis Collins, The Language of God: A Scientist Presents Evidence for Belief (Pocket Books: Great Britain, 2007) 126, 207; Tremper Longman III, “What Genesis 1–2 Teaches (and What It Doesn’t)” in Reading Genesis 1–2: An Evangelical Conversation (ed. J. Daryl Charles; Peabody Massachusetts: Hendrickson Publishers, 2013) 122.; Christopher Hays & Stephen Herring, “Adam and the fall” in Evangelical Faith and the Challenge of Historical Criticism (eds. Christopher M. Hays and Christopher B. Ansberry; Grand Rapids, Michigan: Baker Academic, 2013) 24-54;Denis O. Lamoureux, “Evolutionary Creation View”, in Four Views on the Historical Adam (Grand Rapids, MI: Zondervan, 2013), 37–65.
  2. Voor een diepgaande discussie over het Bijbelse, historische en wetenschappelijke bewijs voor de waarheid over Adam, zie het door zestien auteurs geschreven boek Searching for Adam: Genesis the Truth about Man’s Origin (Green Forest, AR: Master Books, 2016).
  3. Zie: Dennis R. Venema en Scott McKnight, Adam and the Genome: Reading Scripture after Genetic Science (Brazos Press: Grand Rapids, Michigan, 2017), 100. Door zijn hoofdstukken legt McKnight veel nadruk op wetenschappelijk bewijs dat Adam als historisch persoon afdankt. Zie: blz. 93–97, 132, 145.
  4. Zie: “Two Kinds of Science?,” Answers in Genesis, https://answersingenesis.org/what-is-science/two-kinds-of-science/.
  5. Venema en McKnight, Adam and the Genome, 101.
  6. Terzelfder plaatse (t.z.p.).
  7. Als geleerde is McKnight verplicht om in ieder geval interactie te vertonen met enkele van de vele boeken en artikelen die door toonaangevende jonge-aarde creationisten (zowel Bijbelgeleerden als wetenschappers) zijn geschreven. Als hij dat had gedaan, zou hij zich realiseren dat zijn punten foutief en al lang geleden beantwoord zijn.
  8. Venema en McKnight, Adam and the Genome, 104–105. Zie ook: 171–173.
  9. T.z.p. 102
  10. Bijvoorbeeld, er wordt door theïstische evolutionisten vaak betwist dat de verschillen tussen Genesis 1 en 2, zoals het gebruik van de goddelijke namen, betekenen dat het verschillende en tegenstrijdige Scheppingsverslagen zijn. Dit laat alleen wel de context en het doel van de hoofdstukken achterwege. In Genesis 1 vers 1 – 2 vers 3 wordt de goddelijke naam ‘elohiym gebruikt, die 35 keer voorkomt en de focus legt op de majesteit en almacht van God. In Genesis 2 vers 4 – 3 vers 24 daarentegen wordt de naam Yahweh gebruikt in combinatie met ‘elohiym voor Gods verbond, wat 20 keer voorkomt. Genesis 1 en 2 zijn geen twee verschillende en tegensprekende beschrijvingen van de Schepping. Beter gezegd focust Genesis 2 vers 4–25­ op de gebeurtenissen die leiden naar de hof van Eden, de mens inbegrepen. Voor een bespreking van het idee dat Genesis 2 een tweede versie is van de Schepping, zie: Simon Turpin, “Genesis 2–Defending the Supernatural Creation of Adam,” Answers in Genesis, 21 september, 2016, https://answersingenesis.org/bible-characters/adam-and-eve/genesis-2-defending-supernatural-creation-adam/.
  11. Venema en McKnight, Adam and the Genome, 125. Voor een weerlegging van het idee dat de lucht in Genesis 1 vers 6–8 een rigide koepel was, zie: Gary Vaterlaus, “Underneath a Solid Sky,” Answers in Genesis, 9 maart, 2009, https://answersingenesis.org/contradictions-in-the-bible/underneath-a-solid-sky/.
  12. T.z.p. 96, 145.
  13. McKnight gelooft dat deze kwesties ons afhouden van het lezen van Genesis 1–11 als geschiedenis. Zie bovenstaand artikel “Defending the Supernatural Creation of Adam,” voor een verdediging van Genesis 2 als een nauwkeurig, historisch verslag. Voor een verweer voor de Zondvloed als unieke beschrijving van een wereldwijde en historische gebeurtenis, zie dr. Andrew A. Snelling en Ken Ham, “Was the Flood of Noah Global or Local in Extent?,” Answers in Genesis, April 17, 2013, https://answersingenesis.org/the-flood/global/was-the-flood-of-noah-global-or-local-in-extent/; en Steve Ham, “Is Genesis 1–11 a Derivation from Ancient Myths?,” 29 maart, 2011, https://answersingenesis.org/creationism/creation-myths/is-genesis-1-11-a-derivation-from-ancient-myths/.
  14. Venema en McKnight, Adam and the Genome, 96.
  15. Bijvoorbeeld: Peter Harrison liet zien dat de zondeval van Adam de moderne wetenschap heeft beïnvloed. Zie: Peter Harrison, The Fall of Man and the Foundations of Science (Cambridge: Cambridge University Press, 2007).
  16. Venema en McKnight, Adam and the Genome, 107–108.
  17. T.z.p. 108.
  18. T.z.p. 145.
  19. T.z.p. 111–146.
  20. T.z.p. 118.
  21. T.z.p. 149.
  22. McKnight heeft weliswaar een hoofdstuk dat verschillende joodse interpretaties van Adam bespreekt voor en tot de eerste eeuw, toch concludeert hij dat “geen enkele auteur gaf om een historische uitleg voor Adam te geven” (Venema en McKnight, Adam en het Genoom, 168). Maar McKnights behandeling van de joodse bronnen is duidelijk geneigd naar het passen van zijn uitleg van Adam als “archetypisch”, “genealogisch” en “literair” – eigenlijk alles behalve historisch. Voor een korte bespreking van de relevante joodse bronnen die Adam als historisch begrepen, zie: William VanDoodewaard, The Quest For The Historical Adam: Genesis, Hermeneutics, and Human Origins (Grand Rapids, MI: Reformation Heritage Books, 2015), 21–22.
  23. Voor een verdediging van een historische Adam door de kerkgeschiedenis heen, zie: Dr. Tom Nettles’ hoofdstuk, “Adam’s Place in the History of the Church’s Theology,” in Terry Mortenson, ed., Searching for Adam: Genesis & the Truth About Man’s Origin (Green Forest, AR: Masters Books, 2016), 73–111.
  24. Zowel Barth in de 20e eeuw en Enns in de 21e eeuw wezen Adam af als historisch vanwege de invloed van het evolutionistische denken. Zie Karl Barth, Church Dogmatics: The Doctrine of Reconciliation, vol. 4, Part 1 (Edinburgh, Scotland: T&T Clark, 1956) 508–509; Peter Enns, The Evolution of Adam: What the Bible Does and Doesn’t Say about Human Origins (Grand Rapids, MI: Brazos Press, 2012), xvi.
  25. Venema en McKnight, Adam and the Genome, 188.
  26. T.z.p. 187.
  27. T.z.p. 183–184.
  28. T.z.p. 184.
  29. T.z.p 187.
  30. Dit erkent Colin G. Kruse ook: Paul’s Letter to The Romans: The Pillar New Testament Commentary (W. B. Eerdmans: Grand Rapids, Michigan, 2012), 240–242.
  31. Douglas Moo, The Epistle to the Romans: NICNT (W. B. Eerdmans: Grand Rapids, Michigan, 1996), 345.
  32. Michael Horton, The Christian Faith: A Systematic Theology for Pilgrims on the Way (Grand Rapids, Michigan: Zondervan, 2011), 426.
  33. Zie: Peter Sanlon, “Original Sin in Patristic Theology,” in Hans Madueme and Michael REeves, eds., Adam, The Fall, and Original Sin: Theological, Biblical, and Scientific Perspectives (Grand Rapids: Baker Academic, 2014), 85–107.
  34. Brevard Childs, Biblical Theology of the Old and New Testaments (Minneapolis: Fortress, 1993), 579.
  35. Want de eerste Adam, belast met een slecht hart, zondigde en was overmeesterd, zoals ook allen die van hem afstamden. Zo werd de ziekte eeuwig; de wet was in het hart van de mensen, samen met diens kwaadaardige wortel. Maar wat goed was, verdween, en het kwade bleef achter … wat in alles deed zoals Adam en al zijn nakomelingen hadden gedaan, want zij hadden ook een kwaad hart.” (2 Esdras 3 vers 21–22, 26 NRSV).
  36. Denis O. Lamoureux, “Evolutionary Creation View,” in Matthew Barrett en Ardel B. Caneday, eds., Four Views on the Historical Adam (Grand Rapids, MI: Zondervan, 2013), 63.