Steenkoollagen en de zondvloed

Steenkoollagen en de zondvloed
door Andrew Snelling in Creation 8(3).
vertaling FZ, Werkgroep In Genesis

Zijn steenkoollagen plantaardige overblijfselen die ongeveer 4500 jaar geleden catastrofaal begraven werden door de zondvloed? Evolutionisten geloven dat het materiaal in de steenkoollagen zich heeft opgebouwd in rustige moeras milieus zoals de Everglades in Florida. Evolutionistische geologen maken vaak bezwaar tegen de creationistische verklaring over de vorming van steenkoollagen, dus wat zijn hun argumenten en welke antwoorden kunnen we hen geven?

Sommige geologen hebben beweerd dat zelfs indien alle vegetatie op aarde plotseling omgezet zou worden in steenkool, dit slechts een steenkoolafzetting zou geven van 1-3% van de bekende steenkool reserves op aarde. Hieruit volgt dan dat om de ons bekende steenkoollagen te produceren er achtereenvolgend in de tijd, op zijn minst 33 maal een zondvloed moet zijn geweest. Daarom kan een enkele zondvloed niet de oorzaak zijn van onze steenkoolformaties.

Dit argument is gebaseerd op redelijke volumeschattingen van de actuele vegetatie op het huidige landoppervlak. Maar het verondersteld dat er op zijn minst 12 meter vegetatie nodig is om één meter steenkool te produceren (bijv. Holmes, 1965 [1]). Recenter onderzoek wijst uit dat er minder dan 2 meter vegetatie nodig is om één meter steenkool te maken. Enkele observaties van steenkool geologen, die in mijnen werken, suggereren dat de compressie verhouding wellicht veel kleiner is dan 2:1 en waarschijnlijk dicht in de buurt komt van 1:1. Deze observaties vagen deze bezwaren betreffende de steenkoollaag vorming tijdens de zondvloed van tafel. In plaats van dat het volume van de huidige vegetatie comprimeert tot slechts 1 a 3% van de bekende steenkool reserves, blijkt het volume van de hedendaagse vegetatie te comprimeren tot op zijn minst 30% van de bekende steenkool reserves. Maar waar kwam de overige 60% vandaan?

Twee andere factoren zijn hier zeer relevant. Het argument van evolutionisten dat is gebaseerd op het vegetatievolume van het hedendaagse landoppervlak, negeert het feit dat vandaag de dag 60% van het landoppervlak uit woestijn bestaat of slechts schaars begroeid is. Ook zien we dat onder uitgestrekte ijsvlaktes (zoals bv Antarctica) zich rotslagen bevinden die dikke steenkoollagen bevatten. Dus wanneer het huidige landoppervlak volledig bedekt was met overdadige plantgroei zoals de steenkoollagen op Antarctica suggereren, dan zou het volume van zulke vegetatie op het huidige landoppervlakte voldoende zijn om op zijn minst 50% van de bekende steenkoolreserves te produceren. Maar hoe zit het met de resterende 10%? Overigens zou dit heel goed mogelijk zijn onder de invloed van een subtropisch broeikaseffect voor de zondvloed ten tijde van Noach. Dit wordt ook geïmpliceerd door de bijbelse beschrijving van de ‘wateren boven’ (de zogeheten waterdampkoepel) en de damp die de grond dagelijks van water voorzag (in plaats van de tegenwoordige onbetrouwbare periodieke regen) Maar hoe zit het met de resterende 10%?

Maar hier wordt er van uitgegaan dat het beschikbare landoppervlakte voor vegetatiegroei altijd gelijk is geweest. Deze veronderstelling is simpelweg onjuist. In Genesis 1:9-10 wordt ons verteld over God’s werk aan het begin van de derde dag van de scheppingsweek, toen Hij de wateren (welke in eerste instantie de gehele planeet bedekten) naar één plaats verzamelde zodat het droge land tevoorschijn kwam. God noemde de wateren ‘zeeën’ (meervoudig), maar zij werden bijeen verzameld in één plaats. Dit betekent dat,in plaats van de landmassa’s omgeven door zeeën (de huidige wereld), de wereld voor de zondvloed een zee was, omringd door een grote landmassa. Het taalgebruik in de Schrift duidt er ook op, dat de planeet misschien wel meer land dan ‘zeeën’ bevatte (zie Taylor, 1982 [2]). Dit het geval zijnde, was het waarschijnlijk dat er op zijn minst twee maal zoveel land beschikbaar was voor vegetatiegroei in de wereld vóór de zondvloed, vergeleken met de huidige wereld (dwz, 60% land tegen 40% zee vóór de zondvloed vergeleken met de huidige 30% land tegen 70% oceanen). Wanneer dit uitgestrekte grondgebied rijk begroeid was, dan stond het garant voor 100% van de bekende steenkoolreserves.

Een betere methode

Maar er is ook een andere methode om een vergelijking te maken tussen vegetatie groei en volume met de bekende steenkoollagen. Een methode die misschien wel veel betrouwbaarder is, en dat is door de opgeslagen energie in de vegetatie te vergelijken met die van steenkool.
Mary Archer, een internationale autoriteit op het gebied van zonenergie, heeft verklaard dat de hoeveelheid zonenergie die in 14 dagen op het aardoppervlak valt, gelijk is aan de bekende wereldvoorraad van fossiele brandstof. Zij zei ook, dat slechts 0.03 % van de zonenergie die de aardoppervlakte bereikt, als chemische energie wordt opgeslagen in de vegetatie door fotosynthese processen. (Journal of Applied Electrochemistry, Vol. 5, 1975, p. 17) Met deze informatie kunnen we een schatting maken van het aantal jaren hedendaagse plantgroei wat nodig zou zijn om het opgeslagen energie-equivalent te produceren in de huidige bekende steenkoolreserves:

Deel 14 dagen door 0.03%
Dat is (14 x 100) / 0.03 dagen en komt overeen met 46,667 dagen of 128 jaren zon aanvoer via fotosynthese.

We kunnen dus concluderen dat slechts 128 jaren plantengroei met de huidige groeisnelheid alles is wat nodig is om te voorzien in de energie equivalent zoals opgeslagen in de tegenwoordig bekende steenkoollagen! Er was natuurlijk voldoende tijd tussen de schepping en de zondvloed om die plantgroei te waarborgen, in feite 1600 jaar.

Conclusie

Om het even of we nu een vergelijking maken tussen de opgeslagen energie in de vegetatiegroei en die van steenkool (dwz de tijdfactor), of tussen de vegetatiegroei, klimaat, geografie, grondgebied en de compressie verhouding (dwz de volumefactor). Beide vergelijkingen kunnen overtuigend aantonen dat de bezwaren van de evolutionisten totaal ongegrond zijn. Er was voldoende tijd, ruimte en vegetatiegroei om alle vandaag bekende steenkoollagen te produceren door die ene zondvloed in de tijd van Noach.



Referenties en aantekeningen

[1] Holmes, A., 1965. Principles of Physical Geology, Nelson, London.
[2] Taylor, C., 1982. ‘Linguistics, Genesis and Evolution, Part Three: the Seas’, Ex Nihilo, 7(3), 1985.

Originele Engelse tekst op: http://www.answersingenesis.org/creation/v8/i3/noah.asp