Bossen die op het water groeiden

Bossen die op het water groeiden
door Carl Wieland in Creation 18(1).
vertaling FZ, Werkgroep In Genesis

Verassende harde feiten vanuit steenkool ontwortelen het denkbeeld van ‘miljoenen jaren’


In enkele delen van de wereld vinden we veel steenkoollagen gescheiden door andere rotslagen, in herhalende patronen boven op elkaar. In een bepaald deel van het Duitse Ruhrgebied bijvoorbeeld, kan men van onder tot boven tot wel 230 afzonderlijke steenkoollagen tellen. Als zoals beweerd wordt, de steenkool in iedere laag gevormd is uit planten die daar op diezelfde plaats groeiden, dan heeft die gehele laagdikte duidelijk een lange tijd nodig gehad om te ontstaan.

Figuur 1
Fig. 1. Model en schets (inzet) van de centrale wortel van een Stigmaria met radiale vertakkingen. Een dergelijk patroon vinden we bij waterplanten, niet bij planten die groeien op het land.

Mensen zoals de jurist-geoloog Charles Lyell (wiens boek een enorme invloed had op de jonge Darwin) waren in staat om in de zogenaamde Euro-Amerikaanse steenkool (van het Carboon) van het noordelijk halfrond [1] de vinger te leggen op hetgeen concreet bewijs leek dat de vegetatie inderdaad precies op die plaats gegroeid was.

Onder iedere steenkoollaag zit een rotslaag die geïnterpreteerd werd als ‘wortel–bed’ of fossiele ‘grond’. [2] Deze bevat veel gefossiliseerde wortels afkomstig van bomen die gewoonlijk zowel-in-als-boven de steenkool gevonden worden. Het leek logisch om te veronderstellen dat deze rotslagen eens de aarde was geweest, waarin deze wortels groeiden terwijl het steenkool moeras zich vormde. Als dit waar is, dan kan deze steenkool niet gevormd zijn zoals afgeleid kan worden volgens de bijbelse weergave van de geschiedenis, namelijk planten die vanuit andere plaatsen bijeen werden gedreven en begraven.

Afwijzen van de Bijbel

Dit bewijsmateriaal, geclaimd als bewijs voor een hoge steenkoolouderdom was één van de factoren waardoor vele mensen, inclusief Darwin, de bijbelse beschrijving van een recente schepping en de grote zondvloed afwezen. Het geloof in een hoge ouderdom van de aarde raakte stevig verankerd zelfs onder vele godvrezende kerkgangers. Dit gaf ruimte aan geforceerde en onnatuurlijke nieuwe manieren om Genesis te ‘herinterpreteren’, zoals de ‘constitutieleer’ (‘tijdgat’ theorie), de ‘dag-tijdperk’ theorieën, enzovoort. Het heeft ook de basis gelegd voor de latere wijdverspreide acceptatie van de evolutie denkbeelden.

Echter, het onthutsende feit is, dat bij nadere bestudering van deze ‘wortel-grond’ het tegenovergestelde duidelijk wordt: de vegetatie die de Euro-Amerikaanse steenkool heeft gevormd, is daar niet gegroeid, en kon daar ook niet zijn gegroeid zijn. In feite, groeiden de wortels van deze inmiddels uitgestorven bomen [3], [4] helemaal niet in de grond, maar dreven in/op het water!

De toegekende naam voor deze fossiele wortels zoals gevonden in die lagen is Stigmaria. Aan de gevonden wortels vinden we nog vaak de secundaire wortels, of aanhangsels. Levend waren ze gerangschikt zoals weergegeven in fig.1, als spaken uit een centrale naaf.

De bewijsstukken dat deze steenkoolbossen op het water groeiden.

1. Een dergelijk ‘radiaal’ wortelpatroon vinden we alleen bij waterplanten.

Figuur 2
Fig. 2. Dwarsdoorsnede van Stigmaria in schalie (versteende klei) toont de gespreide vertakkingen.
Figuur 3
Fig. 3. Reconstructie van de stambasis van een Lycophyta .

Water in de grond verplaatst zich neerwaarts onder de invloed van de zwaartekracht, dus wortels die in de grond groeien zijn ontworpen om hun secundaire wortelvertakkingen in die richting te sturen, weg van het grondoppervlak. Ter vergelijking, de wortels van hedendaagse planten die in het water drijven groeien recht vanuit de hoofdstam in alle richtingen (heel logisch om dezelfde reden, nl om onafhankelijk van hun groeirichting te kunnen ‘drinken’ ), precies zoals de Stigmaria aanhangsels. Fig. 2 toont dit patroon in een fossiel exemplaar.

2. De bomen waren binnenin bijna volledig hol.

Fig. 3 is een schets van de stamconstructie van een van deze bomen. Met hoofdzakelijk lucht tussen de centrale cilinder en de bast waren ze extreem licht van gewicht. In Fig. 4 zien we het holle interieur van de boom gevuld met sediment waardoor er een ‘gietvorm’ van de binnenkant achterblijft nadat de bast is weggerot. Fig. 5 toont het bekende ‘fossiele bos’ in Glasgow. Feitelijk bestaan deze stompen niet uit versteend hout maar zijn ze het resultaat van sediment welke het holle interieur van de Lycophyta bomen heeft gevuld. Merk op hoe de holte van de hoofdstam vloeiend verloopt naar het interieur van de grote stigmaria ‘wortels’.

Figuur 4
Fig. 4. Opgerichte afdruk/afgietsel van een holle Lycophyta boom, Joggins, Nova Scotia, 1981.
Figure 5
Fig. 5. Fossiel bos, Glasgow.
De buitenafdruk is verdwenen, een afgietsel van de holle binnenkant (stam en wortels) is achtergebleven.

3. De wortels en wortelvertakkingen waren ook hol.

Niet alleen waren de Stigmaria zelf hol. Maar ook de secundaire wortels (aanhangsels) waren hol (zie Fig. 1). Luchtgevulde wortels in waterplanten zijn zinvol, maar niet in de grond.

Figuur 6a
Fig. 6a. detailopname van een “appendix” (van Fig. 6b); agaat-achtige ringen van calciet vullen zijn holle binnenkant.
Figuur 6b
Fig. 6b. Gedeeltelijke gesegmenteerde steenkool bal.

‘Steenkool ballen’, gevonden in en rondom steenkoollagen zijn ruimtes van de originele vegetatie (of turf) en water waar de steenkool uit ontstaan is en waar vervolgens mineralen zijn binnengedrongen (koolstof- of ijzer-oxide). Dit voorkwam compressie en steenkoolvorming, en door verstening en conservering van het turfweefsels is het mogelijk ze beter te onderzoeken. Fig. 6a toont kalksteen wat de holle binnenzijde van een aanhangsel vult in een dergelijke steenkoolbal (Fig. 6b).

In Fig. 7 zien we de holle binnenkant van een aanhangsel opgevuld met een gietvorm van sediment. De foto inzet toont hoe de compressie van het weefsel van de centrale cylinder van de stigmaria (terwijl het sediment nog tamelijk zacht was) door de overbelasting een groef heeft veroorzaakt aan de bovenzijde van het oppervlak.

4. De aanhangsels waren ontworpen om afgeworpen/afgedankt te worden.

Het woord stigmaria is afgeleid van de karakteristieke stigmata of littekens, zichtbaar op de buitenkant van deze wortelstructuren. Nadat een aanhangsel is afgeworpen, zoals een boom zijn blaadjes laat vallen in de herfst, blijft een van deze putjes achter aan het oppervlak. Er is ons geen plant bekend die secundaire wortels van een dergelijke dikte afwerpt in de grond (Fig. 7). Fig. 8 toont een fossiele wortel van een Stigmaria wortel met zijn karakteristieke door littekens getekende buitenkant. Fig. 9 toont een opmerkelijke detailweergave van een steenkool-bal, met een aanhangsel welke op het punt staat afgeworpen te worden, zichtbaar is het ‘breukvlak’ waar de afscheiding op het punt stond plaats te vinden.

Overige aanwijzingen tegen het denkbeeld van het ‘langzaam groeiende moeras met wortel-grond’

1. Geen rot in de begeleidende fossielen.

Fig. 10 toont, in hetzelfde voorbeeld van deze vermeende ‘wortel-grond’, fossiele aanhangsels én een fossiel varenblad zonder teken van verval. Als de interpretatie van de wortels moet betekenen dat de rotsen de oorspronkelijke grond voorstelt waar het bos op groeide, dan had de varen snel in compost veranderd moeten zijn. De goed bewaard gebleven fossiele varen in dezelfde rots toont dus aan dat zowel de varen als de wortels snel door sediment bedolven werden.

Figuur 7
Fig. 7. Met zand gevulde aanhangsel (schaal in millimeters, donkere lijn geretoucheerd). inzet: Groef in fossiele stigmaria t.g.v. bezweken centrale cilinder.
Figuur 8
Fig. 8. Fossiele wortel van Stigmaria. De littekens tonen waar de aanhangsels zijn afgeworpen.

Figuur 9
Fig. 9. Detailopname van een steenkoolbal fragment. De pijl geeft aan waar het aanhangsel op het punt staat te worden afgeworpen (dunne witachtige laag).
Figuur 10
Fig. 10. Rots met aanhangsels (pijl boven) en goed geconserveerd varenblad (pijl onder).
Figuur 11
Fig. 11. Aanhangsels in kalksteen (een druppel HCL reageert hier krachtig mee).
Figuur 12
Fig. 12. Schetsen van bestaande stammen in verschillende Europese musea.

2. Veel aanwijzingen voor hoog energetische sedimentatie in deze lagen.

Deze veronderstelde versteende ‘grond’ tonen dikwijls eigenschappen van ‘cross-bedding’, onderwater ‘duinvorming’, en zelfs tekenen van afkalving die aantonen dat de ene laag sediment gestort werd terwijl de onderliggende laag nog steeds zacht was. De ongestoorde gelaagdheid rondom de Stigmaria wortels zijn in overeenstemming met hun sedimentaire begraving, niet met het indringen van wortels in een vooraf gelaagde grond. [5]

3. Gefossiliseerde stigmaria worden gevonden in een te groot scala aan rots typen.

Hoewel vaak aangetroffen in zandsteen kunnen Stigmaria/aanhansels ook in kalksteen gevonden worden (Fig. 11). Als deze rotssoorten oorspronkelijk vóór het uitharden de-‘grond’-voorstelde waar de wortels in groeiden, dan zou dat betekenen dat deze ene groep uitgestorven planten, die toen enorme gebieden van het aardoppervlak bedekten, verdraagzaam was voor een onmetelijk veel groter bereik aan grondsoorten dan waar de huidige kennis van levende planten vandaag de dag op duiden.

Reconstructie van het drijvende bos

Fig. 12 toont een schets, gebaseerd op fossiel bewijsmateriaal, van hoe de wortels van zulke Lycophyta bomen met elkaar verweven waren, elkaar ondersteunend bij het drijven/dobberen. Gevallen bladeren en afval zullen zijn opgevangen in deze kluwen, en zo hebben voorzien in een voedingsbodem voor de varens en andere plantsoorten die nu ook gefossiliseerd gevonden worden samen met deze steenkool. Zulke matten (die later na bedekking met sediment steenkoollagen werden) van levende wortels, gevallen rommel en levende kleine planten, zouden een aanzienlijke structurele eenheid gehad hebben, zijn flexibiliteit zou gemakkelijk weerstand kunnen bieden aan scheuring. Het zou genoeg opwaartse druk kunnen uitoefenen om deze superlichte holle ‘boom’-stammen te ondersteunen, bijgestaan door de vele luchtgevulde aanhangsels die daar doorheen waren verweven (zoals getoond bij de steenkoolbal fragmenten ). [6], [7]

Zie hier een tekening van Dr Scheven’s voorstelling van een drijvend bos.

Begraven van het drijvende bos

De zondvloed in de tijd van Noach bracht enorme onstuimigheid, erosie, sedimentatie en verzakkingen met zich mee, verband houdend met de ‘fonteinen van de grote waterdiepten’, de opkomende wateren, vulkanische activiteit en aardschokken. Men kan zich voorstellen dat (in aanvulling op het zinken van de met water verzadigde mat van plantenafval) afgebroken delen van relatief ongeschonden matten achtereenvolgens aanspoelden, om vervolgens door sediment bedekt te worden. Daar deze bos-matten gewoonlijk met de ‘juiste zijde boven’ werden begraven, verklaard dit waarom de Stigmaria zich doorgaans vlak onder de steenkool bevindt, wat niet het geval is voor de wortels van de andere planten; zij bungelden niet in het water (zoals de wortels van de holle Lycophyta soorten ), maar groeiden in de hoger gelegen meer voedingsrijke mat (welke is veranderd in een steenkoollaag).

Figuur 13
Fig. 13. Illustratie van een gedeelte van een drijvende bosmat die ‘strand’ bovenop eerder begraven matten en overige sedimentlagen.

Binnen de gebruikelijke filosofie van een langzaam-en-geleidelijke aardse geschiedenis, is het moeilijk te verklaren, waarom er zulke omvangrijke lagen (cyclothems genaamd) zijn waarin steenkool en de andere rotstypen keer op keer, op wezenlijk dezelfde of soortgelijke volgorde, zo herhaaldelijk voorkomen. [8] Echter, cyclische golven van sedimentaire activiteit tijdens de zondvloed zoals hieronder beschreven (zie Fig.13), voorzien in een levensvatbaar verklarend raamwerk.

Conclusie

De aanwijzingen dat de vegetatie welke de Euro-Amerikaanse steenkool (van het ‘Carboon’) vormde, niet op die plek groeide, maar bestond uit grote matten van drijvende bossen, die bijeen gespoeld zijn als onderdeel van een sedimentaire opeenvolging, zijn niet suggestief maar overweldigend. Het feit dat zulke duidelijke aanwijzingen voordurend over het hoofd gezien of genegeerd worden, spreekt boekdelen. Het denkbeeld ‘worteling in grond’ onder de steenkool heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de ondermijning van de acceptatie van Gods Woord, door het concept van een oude aarde te vestigen (welke ook een noodzakelijke fundament is voor evolutionair geloof). Er is aangetoond dat dit denkbeeld ongegrond is, en dat de feiten veel meer overeenstemmen met de bijbelse beschrijving van de aardse geschiedenis.

Erkenning

Dit artikel is gebaseerd op het oorspronkelijke onderzoek, de inzichten en foto’s van de Duitse creationist Dr Joachim Scheven. Meer details en fotografische illustraties komen rijkelijk aan bod in Dr Scheven’s video: Coal, Catastrophe and Floating Forests.



Referenties en aantekeningen

[1] In tegenstelling tot de (zgn. Perm) ‘Gondwana’ steenkool van Zuid-Afrika, Australië, India, Antarctica, enz.
[2] Ook bekent als onderklei of ‘seat-earth’.
[3] Veelal de uitgestorven mossen en hun verwanten (alle Lycophyten) zoals het Lepidodendron geslacht, maar ook Sigillaria en de Lycopoditen. Sommige van de bomen bereikten een hoogte tot wel 30 meter, met een stamdiameter van één meter en bladeren van één meter lengte.
[4] Gondwana steenkool (zoals de Sydney-Bowen Basin ‘Perm’ steenkool ) hebben een ander type gefossiliseerde vegetatie. Claims van ‘wortelgrond’ worden in verband gebracht met een deel van deze steenkool vanwege de zo nu en dan voorkomende aanwezigheid van ogenschijnlijke ‘wortel’ structuren genaamd ‘vertebraria’. Deze zijn echter niet gevonden verbonden aan enige boom, terwijl ander bewijsmateriaal tegenovergesteld is aan de ‘wortelgrond’’ hypothese. De (niet verwantzijnde ) massale bruinkoolbedden (uit het Tertiair) van Yallourn en Morwell, Australië waar een kleilaag onder ligt afkomstig van vulkanische as, in plaats van enige vorm van wortelgrond. Dit veroorzaakt nog veel meer problemen voor ‘oude aarde’ verklaringen.
[5] Bewijsmateriaal wordt ter plaatse getoond in de video door Dr Scheven, Coal, Catastrophe and Floating Forests.
[6] In feite waren zulke grote drijvende bossen die uitgestrekte gedeelten van de zeeën van voor de zondvloed bedekten, in staat geweest om een volledig (mogelijk uniek) ecosysteem te huisvesten, met inbegrip van gewervelde dieren. Dit biedt nieuwe mogelijkheden voor ecologische verklaringen van fossiele zonering in vloed-geologie modellen. Zie het verwachtte artikel hierover door Dr Kurt Wise in het tijdschrift Technical Journal (TJ).
[7] Nadat Dr Scheven gebaseerd op zijn eigen onderzoek tot de conclusie was gekomen van het drijvende bos, was het interessant om te ontdekken dat ook de evolutionistische botanicus, Otto Kunze, in 1884, tot deze conclusie was gekomen in zijn boek, Die vorweltliche Entwicklung der Erdkruste und der Pflanzen. Phytogeogenesis. Hij werd genegeerd; mogelijk was het te schadelijk voor het ‘miljoenen jaren’ denkbeeld.
[8] Het probleem wat ze hebben bestaat hoofdzakelijk uit het verklaren van de cyclische herhaling van dezelfde of soortgelijke volgorde van de omstandigheden (sediment type A wordt gedumpt (wordt ‘wortelgrond’ A), dan een moerasbos B groeit op het zich vormende veen dat later steenkool laag B wordt, later bedekt door het sediment van type C gevolgd door type D, E, enz, soms gaat dit wel door tot I). Verscheidene combinaties (maar altijd beginnend met AB, en doorgaans in dezelfde volgorde, hoewel enkele kunnen ontbreken) worden herhaald tot wel honderden maal. Keer op keer op dezelfde plaats, zelfs hetzelfde type vegetatie, over gigantische/onmetelijke (tijds)periodes. Aanhangers van een ‘oude aarde’ hebben getracht de analogie toe te passen van overstromingen die we zien in de huidige rivierdelta’s en moerasachtige kustgebieden. Echter gaat die analogie niet op want er zijn onverklaarbare herhalende veranderingen in land- en zee-niveaus benodigd, en omdat de laterale continuïteit van het sediment en vegetatie typen zoals gewoonlijk zichtbaar in steenkoolvelden over grote afstanden niet worden aangetroffen in zulke delta’s of moerassen.

Originele Engelse tekst op: http://www.answersingenesis.org/creation/v18/i1/forests.asp