Reactie op ‘biofilms’ als mogelijke verklaring zacht weefselstructuur

Reactie op ‘biofilms’ als mogelijke verklaring zacht weefselstructuur
Door Carl Wieland, 2 augustus 2008, CMI.
vertaling FZ, MIG 30 september 2008

Public Library of Science (PLoS)

Structuren verkregen uit dinobot door Thomas Kaye en collega’s. Zij beweren dat het geen bloedvaten zijn maar moderne biofilms.

Structuren verkregen uit dinobot door Thomas Kaye en collega’s. Zij beweren dat het geen bloedvaten zijn maar moderne biofilms.

Eind juli 2008 werd er in de media veel ruchtbaarheid gegeven aan een onderzoek waarbij enkele wetenschappers de eerder gedane bewering tegenspraken dat er bloedvaten en ander zacht weefsel zou zijn aangetroffen in T-rex fossielen. [red.1] Deze bewering was veelbetekenend voor creationisten. Maar volgens deze onderzoekers waren de vezels feitelijk het resultaat van ‘biofilms’.

Wij (CMI) ontvingen hierover veel vragen zodat dr. Carl Wieland hier alvast een voorlopige reactie geeft.


Achtergrond

In een artikel van maart 2005, met de titel Nog steeds zacht en rekbaar, schreven wij gedetailleerd over de sensationele ontdekking van zacht weefsel in een gefossiliseerd bot van een T-rex nadat de minerale delen waren opgelost in een zwakke alkalische oplossing (hoewel een zwak zuur ook gewerkt zou hebben bij demineralisatie en veel verslagen dit ook vermelden). De plaatjes bij dat artikel, samen met de titels, zijn zo belangrijk dat ze hier(onder) worden herhaald.

De verantwoordelijke wetenschapper, dr. Mary Schweitzer (een theïstische evolutionist), had enkele jaren eerder, in een ander stuk T-Rex gebeente, in de bloedvaten structuren ontdekt die precies leken op rode bloedcellen. Immunologische testen duidden zelfs op de aanwezigheid van hemoglobine, een complex en kwetsbaar molecuul dat in geen geval ‘miljoenen jaren’ bewaart zou kunnen blijven. Het relevante deel van dat bot leek in dat geval eigenlijk niet gefossiliseerd te zijn (zie het Sensationeel verslag over dinosauriërbloed!).

In beide gevallen waren de aanhangers van ‘miljoenen jaren’ er snel bij om de forse implicaties van die vondsten – die ingingen tegen de ‘miljoenen jaren’ – te ontkrachten; met overigens weinig resultaat. Zie bijvoorbeeld deze Reactie op kritiek met betrekking tot de originele bewering van rode bloedcellen. [red.2]

De recente bewering betreffende biofilms moet zorgvuldig en emotieloos overwogen worden. Als daarmee een belangrijk argument dat spreekt voor de schepping wegvalt, moet het maar zo zijn. In mijn eigen publieke presentaties die dinosauriërkwesties terloops behandelen, heb ik er herhaaldelijk op gewezen dat het zelfs verrassend genoeg is om na duizenden jaren zacht weefsel aan te treffen. En ik schreef:

‘Zeker, „het stelt iemands verbeelding” minder „op de proef“ [maar het stelt iemands verbeelding nog steeds op de proef – CW] om te geloven dat dergelijke structuren een paar duizend jaar hebben overleefd, in tegenstelling tot meer dan 65 miljoen jaren. Zelfs de meest standvastige aanhanger van ‘miljoenen jaren’ zou het hiermee eens moeten kunnen zijn. [1]

“Tot dusver is Mary Schweitzer niet overtuigd. Zij en haar team beschouwde deze [biofilm] hypothese al in een vroeg stadium als een mogelijkheid, maar verwierpen deze.

Het punt is nu dat wanneer zou blijken dat deze structuren toch geen zacht weefsel zijn, het op geen enkele wijze bewijs is voor miljoenen jaren. Het ligt namelijk duidelijk binnen de grenzen van waarschijnlijkheid om na duizenden jaren sinds de zondvloed geen zacht weefsel te hebben.

Het explosieve rapport

Het rapport van Thomas Kaye en zijn collega’s, die de zachte weefselvondsten in twijfel trekken, werd 30 juli 2008 gepubliceerd in PloS ONE, het journal of the Public Library of Science. Omdat het document via internet vrij toegankelijk is, zien we geen noodzaak er hier gedetailleerd op in te gaan. [2]

De inleiding erkent dat het schijnbare zachte weefsel in oude fossielen niet ‘op zichzelf staat’, maar dat het nu meermaals bevestigd is naar aanleiding van andere vondsten, ‘over een range van tijd en taxa’. De onderzoekers gingen grondig te werk. Zij brachten 200 uren onderzoekstijd door achter een Scanning Elektronen Microscoop (SEM) om de binnenkant van fossiele dinosauriërbeenderen te bekijken, voordat het mineraal werd opgelost. Het onderzoek omvatte ‘zeven geologische formaties en meer dan vijftien taxa’. Ook maakten zij gebruik van infrarode spectroscopie.

Hierna, zo zeiden zij, gaven hun bevindingen aanleiding om de originele bevindingen van Schweitzer te herinterpreteren als het resultaat van bacteriële biofilms. Dit zijn bekende structuurtypen, veelal aangeduid als ‘slijm’ (datgene wat zich op de wanden van aquaria afzet, zou een voorbeeld kunnen zijn, of het materiaal waarmee waterslakken zich voeden).

Vanuit de verschijningvormen die zij onder de SEM hebben ontdekt, maakten zij een stevig pleidooi dat erop gericht was om duidelijk te maken dat het bewijsmateriaal spreekt van bacteriële activiteit in het verleden.

Zij beweren dat hun bevindingen erop wijzen dat de ‘zachte weefsels’ van Schweitzer door moderne bacteriën werden geproduceerd, die het exemplaar infiltreerden en zogenaamde `endocasts’ van bacteriële film vormden. Die zouden dan bijvoorbeeld de vorm van het bloedvat bewaren (een endocast is een gietvorm die bijvoorbeeld wordt gemaakt van de binnenkant van een holte en daarmee de vorm van de holte bewaart). Een andere bewering, eveneens ondersteund met bewijsmateriaal, is dat de schijnbare rode bloedcellen feitelijk framboïdale ijzeroxidestructuren (framboosachtige vormen) zijn.

Deze beweringen worden voor de gemiddelde lezer wellicht nog ondersteund door de (niet-toetsbare) verklaring van Kaye dat hij graag bevestigd had gezien dat er werkelijk zacht weefsel was gevonden.

Commentaar

De suggestie zou overtuigender zijn geweest als er enkel doorzichtige bloedvaten waren gevonden en enkele ronde deeltjes die vaag op rode bloedcellen lijken. Het lijkt echter een behoorlijke hoeveelheid goedgelovigheid te vereisen om te denken dat de biofilm-/framboids-verklaring het hele scala aan bevindingen in het oorspronkelijke rapport kan weerleggen. Vandaar dat het belangrijk was om de illustraties hier opnieuw weer te geven.

T-Rex zachte delen
CREDIT: M.H. Schweitzer
Links: De flexibele vertakte structuren in het bot van de T-rex zijn terecht geïdentificeerd als ‘bloedvaten’. Zacht weefsel zoals bloedvaten behoren daar niet aanwezig te zijn, als de beenderen daadwerkelijk 65 miljoen jaar oud zouden zijn.
Rechts: Bij sommige bloedvaten was het mogelijk om deze microscopische structuren eruit te knijpen. Het is te zien dat ze ‘lijken op cellen’, zoals de onderzoekers zeiden. Dus opnieuw is er ruimte voor dr. Schweitzer om dezelfde vraag te stellen, ‘hoe kunnen die cellen het 65 miljoen jaar uitgehouden hebben?’

Bedenk ook dat er niet alleen flexibele doorzichtige bloedvaten zijn gevonden, maar dat deze binnenin ook nog rode bloedcelstructuren hadden met elke verschijning van het hebben van kernen, alle in een verschijningsvorm die er als tandpasta uit geknepen zou kunnen worden (merk op dat rode bloedcellen in reptielen hun kernen behouden wanneer ze volledig ontwikkeld zijn; dit in tegenstelling tot die van zoogdieren).

Ook werden er duidelijk waarneembare (hier niet getoonde) beencellen (osteocyten) gevonden, met een zeer kenmerkende verschijning (het Kaye-team gelooft dat ook deze door bacteriën werden gevormd). Je zou denken dat van al die oorspronkelijke Schweitzer-vondsten (de vertakkende fibreuze structuren die hierboven in de diagrammen worden getoond) het moeilijkst te verklaren zijn via de ‘bacteriële filmtheorie’. Ik zag echter op de schrijfdatum van dit artikel hier nergens discussie over.

Eigenlijk is er geen reden waarom niet beide aanwezig kunnen zijn: bacteriële biofilms (en/of hun gedeeltelijk gemineraliseerde resten) evenals elementen van de oorspronkelijke structuur, iets wat tot op heden al het bewijsmateriaal inpast. Dat concept past ook goed met de waarneming van een bekende dinosaurusvindplaats, de Hell Creek-formatie in Montana, waarvan paleontologen allang weten dat de meeste fossielen daar – wanneer ze zijn opengebarsten – de ‘geur van de dood’ (ontbindend, rottend vlees) verspreiden. [3]

Dit suggereert inderdaad dat bacteriën niet alleen de fossielen zijn binnengedrongen, maar dat er ook nog organisch materiaal beschikbaar was om te ontbinden. En aangezien de meeste bacteriën organisch materiaal nodig hebben om op te leven, kan de aanwezigheid van zacht weefsel een goede reden zijn waarom zij in de eerste plaats in dit fossieldragende gesteente zijn doorgedrongen.

Wat denkt Mary Schweitzer ervan?

“Om nu te concluderen dat er geen zacht weefsel in dinosauriërs zijn gevonden, zou op zijn minst voorbarig en zeer ongerechtvaardigd zijn, om het maar eens mild uit te drukken.

Schweitzer blijft blijkbaar bij haar eerdere bewering. Zij kan als evolutionist en theïst nauwelijks van sympathie voor Bijbelse creationisten beschuldigd worden. Schweitzer heeft zelfs haar wanhoop uitgedrukt toen zij ontdekte dat haar werk gebruikt wordt om de geschiedenis in Genesis te verdedigen. Het schijnt dat zij tot dusver niet overtuigd is van de biofilmhypothese, hoewel ze ook niet uitsluit dat er bacteriële actie bij betrokken zou kunnen zijn. De website van Discover-magazine vermeldt dat zij en haar team deze biofilmhypothese al in een vroeg stadium als mogelijkheid beschouwde, maar het verworpen hadden. [4] Op andere plaatsen wordt gemeld dat zij gezegd zou hebben dat dergelijke films in der loop der tijd aan de onderzijde dikker zouden moeten zijn geworden vanwege de zwaartekracht; dit in tegenstelling tot de waarnemingen.[zie kadertekst hieronder, met een latere reactie van Mary Schweitzer].

Koolstofdatering

Creationisten zagen allang uit naar het moment waarop het zachte materiaal van Schweitzer’s ontdekking aan koolstofdatering zou worden onderworpen. [5] Als zij miljoenen jaren oud waren, zouden ze geen radioactieve koolstof meer mogen bevatten. Zo zagen wij uit naar de resultaten die radiokoolstofdateringen (om het even welke soort) geven, omdat deze automatisch de bewering van ‘miljoenen jaren’ zouden verzwakken.

Maar het was voor het eerst dat CMI ervan hoorde dat er zo’n datering was uitgevoerd, namelijk in dit Kaye-rapport. Het verklaart dat de radioactieve koolstofresultaten op de structuren die zij hebben gevonden „groter was dan modern”, wijzend op een ‘moderne oorsprong van het materiaal’. In feite zou een dergelijk resultaat ook door creationisten verwacht worden, aangezien het zeker tot nog meer twijfel zou leiden over het denkbeeld dat deze dinoweefsels ‘miljoenen jaren’ oud zijn. Natuurlijk beschouwt het Kaye-rapport deze radioactieve koolstof resultaten als bevestiging van de bewering dat dit moderne bacteriën waren die het fossiel binnen waren gedrongen.

Interessant genoeg zegt een rapport op PhysOrg.com dat de koolstofdatering ‘de oorsprong vaststelt rond 1960’. [6] Veronderstel dat dit het geval zou zijn en negeer de reusachtige beperkingen en foutmogelijkheden in dergelijke dateringen eens: zeggen ze dan niet dat dit volledige spectrum aan dinosauriërfossielen – op verschillende geologische plaatsen en niveaus gevonden, en zich daar al miljoenen jaren bevindend – dit slijm pas de laatste decennia gevormd zouden hebben? Wellicht zal verder onderzoek hier meer inzicht over geven.

T-Rex zachte delen
Wetenschap via AP
(Bron: www.msnbc.msn.com/id/7285683/)
A: De pijl wijst naar een stukje weefsel dat nog steeds elastisch is. Het vergt een zeer bijzonder groot geloof dat elastisch weefsel als dit, bewaard zou kunnen blijven gedurende 65 miljoen jaar.
B: Nog een afbeelding die wijst op een ‘fris voorkomen’. Het is, net als bij A, moeilijk om in dit geval te geloven in miljoenen jaren.
C: In de gedeeltes van het bot die getoond worden, is de fibreuze structuur nog aanwezig. Dit in tegenstelling tot de meeste fossiele botten waar deze structuur ontbreekt. Maar van deze botten wordt beweerd dat ze 65 miljoen jaar oud zijn en desalniettemin deze structuur behouden hebben.

Eiwitten

Bedenk ook dat er binnen het ‘miljoenen jaren’ denkbeeld nog afgerekend moet worden met Schweitzer’s vermelding over bewijsmateriaal van het bloedeiwit hemoglobine [7], evenals met de eerder gerapporteerde aanwezigheid van het boteiwit osteocalcine in fossiele dinosauriërbotten. [8] Zulke eiwitten zijn complexe biologische moleculen die een gestage thermodynamische trend vertonen. Daarbij valt hun originele structuur door de tijd heen uiteen en gaat verloren, zelfs als die volledig beschermd wordt tegen invloeden als vochtigheid, bacteriële actie en dergelijke zaken. Ook was er een eiwit in het exemplaar van Schweitzer [red.3] dat een aminozuur-sequentie had die goed genoeg overeenkwam met die van een kip om de stellige bewering te doen dat dino’s en vogels evolutionaire verwanten zijn. We citeren een evolutionistische bron:

‘“De sequenties zijn duidelijk afkomstig van T. rex,” aldus John Asara van Harvard Medical School in Cambridge, Massachusetts, die een van de onderzoeken leidde.’ [9]

Conclusie

Het korte inleidende commentaar hierboven bij dit vroege verschijnen, lijkt goede redenen aan te dragen om uiterst sceptisch te zijn over de conclusies van Kaye en zijn collega’s. Tegelijkertijd zou ik rekening houden met de mogelijkheid, zelfs waarschijnlijkheid, dat hun bewijsmateriaal duidt op bacteriële actie nadat het exemplaar bedolven was.

Onze scepsis wordt gedeeld door de evolutionistische dr. Schweitzer (en enkele andere wetenschappers, zo te beoordelen naar de blog-reacties).

Creationisten hebben het ‘zachte weefsel’-bewijsmateriaal extreem behulpzaam gevonden, maar zijn vanwege de kracht van al het andere bewijsmateriaal er niet van afhankelijk voor het handhaven van de jonge aarde en de Bijbelse vloed.

Anderzijds zal voor evolutionisten elk bewijsstuk voor ‘zacht weefsel’ in ‘miljoenen jaren oude fossielen’ voortdurend druk geven om het op een of andere wijze te verklaren.

Als, naarmate het onderzoek vordert, het volledige werkterrein van de Kayeconclusie ooit voldoende door bewijsmateriaal wordt ondersteund, (om mee te beginnen dat de hier genoemde bezwaren duidelijk worden weerlegd) dan zullen de meeste evolutionisten het natuurlijk warm welkom heten. Hoewel dat op zijn minst niet uit te sluiten is, is het geen garantie dat daarmee het laatste woord gezegd is. Het uiteindelijke resultaat zal op dit punt waarschijnlijk een `hybride’ van beide verklaringen zijn, die op zijn minst ongemakkelijke vragen blijven oproepen voor hen die vasthouden aan een ‘miljoenen jaren’ filosofie.

Er zullen zeker evolutionisten zijn, op zijn minst in het Schweitzer–team, die het rapport in detail zullen uitdagen, zodat wij een poosje aan de ‘zijlijn kunnen kijken’ welke andere interessante resultaten zich aandienen.

 


Referenties en aantekeningen

[2] Zie Thomas G. Kaye, Gary Gaugler, Zbigniew Sawlowicz; Dinosaurian Soft Tissues Interpreted as Bacterial Biofilms, PLoS One, 30 July 2008, <http://www.plosone.org/article/info:Adoi/10.1371/journal.pone.0002808>.
[4] Researchers Debate: Is It Preserved Dinosaur Tissue, or Bacterial Slime?, <http://blogs.discovermagazine.com/80beats/2008/07/30/researchers-debate-is-it-preserved-dinosaur-tissue-or-bacterial-slime>, 30 July 2008.
[6] New research challenges notion that dinosaur soft tissues still survive, <http://www.physorg.com/news136613903.html>, physorg.com, 30 July 2008.
[7] Mary H. Schweitzer, Mark Marshall, Keith Carron, D. Scott Bohle, Scott C. Busse, Ernst V. Arnold, Darlene Barnard, J. R. Horner, and Jean R. Starkey (1997), Heme compounds in dinosaur Heme compounds in dinosaur Trabecular bone, Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA 94, pp. 6291–6296, June 1997, <http://www.pnas.org/cgi/content/abstract/94/12/6291>.
[8] Muyzer G., Sandberg P. Knapen M.H.J., Vermeer C., Collins M.J., and Westbroek P. (1992) Preservation of bone protein osteocalcin in dinosaurs. Geology 20, 871–874.
[9] Dinosaur Soft Tissue Sequenced; Similar to Chicken Proteins, <http://news.nationalgeographic.com/news/2007/04/070412-dino-tissues.html>, National Geographic News, 12 April 2007.
[red.1] In Nederland bijv. ‘Zacht weefsel’ dinobot blijkt vervuiling met onze reactie op het ND artikel en hier een wat genuanceerder artikel in NGV-Geonieuws
[red.2] Zie ook het CMI artikel Squirming at the Squishosaur dat tal van tegenwerpingen weerlegt met betrekking tot de kritiek uit het ‘miljoenen jaren’-kamp op de zachte weefselvondst.
[red.3] Gebruikmakend van een techniek, die bij toepassing op een eiwit van een mammoet, bevestigde dat het uiterst nauw overeenkwam met die van moderne olifanten.

Reactie van Mary Schweitzer <http://scintilla.nature.com/node/380683>
vertaling FZ, MIG 30 september 2008

Er is werkelijk niet veel nieuws hier, hoewel ik het toejuich dat iemand een poging doet om de onderzoeken die wij hebben geleid probeert te bekijken en te herhalen. Er zijn in het verslag van Kaye et al werkelijk tal van fouten in de bewoordingen (evenals spelling en grammatica) en er lijkt een fundamenteel misverstand over ons werk, onze gegevens en onze interpretaties aan ten grondslag te liggen.

Iets wat door buitenstaanders niet volledig gewaardeerd wordt, is dat wetenschap een proces is. Men doet een observatie, vormt een toetsbare hypothese over de observatie, verzamelt gegevens, en de gegevens steunen of weerleggen de hypothese. Het wordt dan verfijnd en opnieuw getest. Als de hypothese meerdere malen getest is, wordt hij sterker, en wordt het eventueel een theorie, één van de sterkste verklaringen binnen de wetenschap.

Als iemand besluit om een voorgestelde hypothese uit een ander onderzoek met bijbehorende ondersteunende gegevens uit te dagen, is men verplicht tot het volgende:

  1. vorm een hypothese die een alternatief biedt voor de eerste;
  2. herinterpreteer de oorspronkelijke voorgelegde gegevens zodanig dat het de nieuwe hypothese beter ondersteund dan het origineel, en
  3. produceer naast de originele ook nieuwe gegevens die de alternatieve hypothese beter ondersteunen dan het origineel.

Dat is wetenschappelijke vooruitgang. Hypothesen worden op deze wijze voortdurend opnieuw geformuleerd, omdat wetenschap een aan verandering onderhevig proces is omdat er nieuwe gegevens beschikbaar komen.

In 2005 rapporteerden wij voor het eerst over schijnbaar zacht weefsel in dinosauriërresten. Gebaseerd op onze aanvankelijke waarnemingen stelden wij ons toen 2 vragen (waarbij wij overigens zorgvuldigheid betrachten om de gegevens die wij op dat ogenblik hadden, niet te overdrijven). Wij vroegen onszelf af ‘hoe wijdverspreid is dit fenomeen?’ en, ‘wat is de samenstelling van het materiaal dat wij observeren, en is het verenigbaar met de originele, maar veranderde, organisme componenten?’

Om de eerste kwestie te behandelen, stelden wij een hypothese op dat als dit inderdaad oorspronkelijke zachte weefsels waren, zij niet tot een één enkel organisme of type beperkt zouden zijn, maar ook vertegenwoordigd in botten van andere dieren van verschillende leeftijden. Wij voerden toen een tijdstransgressie onderzoek uit met fossiel materiaal afkomstig van van meer dan 30 exemplaren die een tijdsspanne omvatte van het heden tot aan het Trias. Deze vertegenwoordigden meerdere afzettingslocaties, verscheidene continenten en velen taxa. Ongeveer het enige dat onze steekproeven gemeenschappelijk hadden was dat het bot betrof. De (morfologische) aanwezigheid van ten minste 3 van de 4 componenten die wij in het eerste onderzoeksrapport vermeldde, waren aanwezig in ongeveer de helft van de geteste exemplaren, en dit was niet geheel onafhankelijk van de omgevingsinvloeden: zandsteen bewaarde dit materiaal het beste. Dit stelt ons in staat om modellen van verval en behoud uit te werken voor het verdere (nog voortdurende) onderzoek.

Wat betreft de tweede vraag, wij voerden een zorgvuldige chemische en moleculaire-analyse uit op één van de 4 componenten waarover we rapporteerden, die van de collageenmatrix (Fibreus, NIET draderig (filamentous) zoals Kaye verklaarde, dit maakt een groot verschil!). Onze meervoudige analysen die in verschillende laboratoria door verschillende onderzoekers werden geleid, steunden de hypothese dat het met collageen verenigbare materiaal in deze dinosaurusweefsels bewaard was gebleven. Wij baseerden ons niet alleen op morfologische studies, maar wendden vele analyses aan. Wij beperkten ons in het onderzoek niet alleen tot eigen werk, maar onze resultaten werden door anderen, onafhankelijk bevestigd.

Terwijl Kaye et al zich wel richtte op de morfologie van de structuren die wij waarnamen en waar zij hun eigen verklaringen voor vonden, richten zij zich niet op de aanzienlijke chemische en moleculaire gegevens die wij hebben geproduceerd om onze hypothese van endogeneïteit mee te ondersteunen. Wij stelden biofilm productie voor als mogelijke verklaring voor het materiaal dat wij zagen, maar gebaseerd op de gegevens die wij hebben verkregen, waren microbiële biofilms geen parsimonische verklaring voor de gegevens (zie Schweitzer et al., 2007, Proc. R. Soc. Lond. B). Verdere studies (document in voorbereiding) deden onderzoek naar het materiaal dat verzameld was van diep begraven vondsten. Binnen een maand na het delven van dit materiaal werd het door middel van meervoudige analysen onderzocht en door vele onderzoekers onafhankelijk uitgevoerd.

Alle gegevens bekijkend, is het idee dat biofilms alleen volledig verantwoordelijk zijn voor de oorsprong van de structuren die wij hebben gerapporteerd niet onderbouwd. Zo is er bijvoorbeeld in de literatuur geen aanwijzing dat biofilms vertakkende holle buizen vormen die wij hebben waargenomen. Biofilms worden alom gezien en zelfs gedefinieerd, als vlakke films die microbiële organismen en hun exopolymerische afscheidingen bevatten.

Kaye et al verklaren dat er geen microbiële organismen werden waargenomen, slechts een ‘golvende’ film. Bovendien is het vanwege de zwaartekrachtwerking in de positionering van deze beenderen, hoogst onwaarschijnlijk dat een biofilm evenredig over de kanalen zou worden verdeeld zoals wij rapporteerden. Het is eerder hoogstwaarschijnlijk dat een biofilm aan de gravitatiebodem iets verdikt zal zijn, maar dat hebben wij niet geobserveerd. Terwijl Kaye et al , bevestigen dat hun C-14 gegevens op een recente biofilm wijzen, identificeren zij geen microbiële organismen, een kenmerk van biofilms. Ik heb eigenschappen gezien in exemplaren die overeenkomen met wat zij voorstellen maar die zijn het resultaat van achterblijvend EDTA residu – d.w.z. dat er onvoldoende gespoeld is.

Wij deden geen C-14 datering op ons materiaal omdat wij een buffer gebruikten om deze vezels en cellen te onttrekken. Deze buffer is rijk aan modern koolstof (EDTA) en die laat natuurlijk een residu achter op vezels en cellen welke op deze wijze gedemineraliseerd zijn. Omdat de Kaye et al gegevens een ‘groter dan modern’ C-14 datering hebben, betekent dit, dat hun biofilms recenter dan 1950 afgezet en gemineraliseerd moeten zijn, de nuldatum voor dergelijk onderzoek. Kaye et al verklaren dat ‘biofilms een laag zouden afzetten op vasculaire kanalen’ maar leveren geen bewijs voor dit argument, en hiermee, voeren zij slechts een gedachte-experiment uit op dit punt.

Kaye et al deden niets met onze immunologische data en controles. Zij richtten zich ook niet op de phylogenetische sequentieanalysen zoals gerapporteerd door Organ et al, 2008. Ze bieden geen verklaring voor hoe ‘biofilm’ eiwit van dinosauriër kan clusteren met dat van kip, of hoe ‘biofilm’ van mammoet en mastodon kunnen clusteren met dat van een olifant. Noch verklaarden zij de interne, of ‘intracellulaire structuur’ die wij vermeldde als waargenomen osteocyten.

En tenslotte, verklaarden zij ook niet hoe de ronde structuren die wij waarnamen, zich in stand konden houden – vrij rondbewegend – in een holle biofilm zoals wij beschreven voor de ‘vasculaire’ insluitsels in dinosauriërvezels. Het lijkt er namelijk op dat zij gemakshalve enkel die aspecten van onze studie selecteerden die pasten bij hun bevooroordeelde ideeën, aangezien zij maar lukraak wat elementen verkozen om zich op te concentreren. Zoals wij na het verschijnen van ons rapport dikwijls verklaarden is morfologie op zichzelf, niet toereikend om beweringen te doen over de oorsprong van dergelijk materiaal. Vandaar dat wij een scala aan andere gegevens gebruikten om de endogeneïteit hypothese te ondersteunen. Kaye et al deden minder moeite om hun bewering te onderbouwen dat het door hun geobserveerde materiaal, biofilm betreft.

Kaye et al overwaarderen ook hun FTIR data, en laten daarmee een verkeerd begrip zien van hoe ze deze gegevens dienen te gebruiken en wat ze ons kunnen zeggen. Er zijn vele verschillende moleculaire trillingen en rotatie trillingswijzen in een heterogeen monster zoals vertegenwoordigd door hun dinosaurusmateriaal. Het is verre van een zuiver monster. In dit geval, overlappen de IR pieken elkaar, en de resolutie van het spectrum is niet hoog genoeg om hen te scheiden. Het spectrum is eveneens afhankelijk van zowel de samenstelling van de verschillende componenten, alsook de relatieve concentraties. Het combineren van al deze variabelen en vervolgens te concluderen dat één aflezing meer overeenkomt dan een andere is werkelijk betekenisloos, vooral wanneer je probeert om pieken te interpreteren in het fingerprint gebied van 1500-400 cm-1. Het lage resolutie IR-spectra wat in dat document wordt getoond is ongeschikt om ook maar enige conclusie te trekken over een heterogeen monster.

Tot slot

Hoewel wij geen uitspraken deden over de oorsprong van deze rode, ronde structuren binnen de vezelstructuren van ons materiaal, vertoonden de structuren die wij hebben waargenomen geen framboosvormige microkristalstructuur kenmerken, en nergens in de literatuur word melding gemaakt van framboids die een centrale kern van dichter materiaal bezitten en anders van structuur zijn dan de doorzichtige buitengebieden, wat wij in meerdere exemplaren hebben aangetoond. Wij beweren niet, hebben ook nooit beweerd, dat dit `bloedcellen’ zijn. Wij hebben onszelf hooguit toegestaan [te zeggen] dat zij niet verenigbaar zijn met pyrietframboids, en misschien kan het ijzer dat wij in deze microstructuren aantonen, als organisch afgeleid worden, een hypothese die wij nog testen.

Wij blijven de hypothese testen; dat er oorspronkelijk materiaal in fossiel bot behouden is, zelfs in dinosaurusbot. We doen dit door meervoudige analysen toe te passen en te werken met deskundigen uit vele disciplines. Wij onderzoeken fossielen die op vele verschillende manieren, vanuit vele perioden, en van een verscheidenheid van afzettingsgebieden bewaard zijn gebleven, en proberen factoren te bepalen die tot behoud bijdragen. Hoewel wij instemmen met het scepticisme van collega’s, hopen wij dat de recensenten en de lezers hen wel volgens dezelfde normen houden waaraan wij worden gehouden. De wetenschap schrijd voort door onderzoek en testen. Wij zullen ons deel zo zorgvuldig mogelijk doen, zonder onze resultaten te overdrijven, tegelijkertijd onderzoeken wij alle mogelijke verklaringen voor de observaties die wij hebben gedaan. Ik zou zeggen – blijf ons maar volgen!

Terug naar de tekst.

Originele Engelse tekst op: http://creationontheweb.com/content/view/5931/