Waarom werkt wetenschap überhaupt?

Veel tegenstanders van het christelijk geloof beweren dat het christendom en de wetenschap al eeuwen vijanden zijn van elkaar. Maar dit is het tegengestelde van de waarheid. Goed geïnformeerde wetenschapsgeschiedkundigen, inclusief niet-christenen, wijzen erop dat de moderne wetenschap als eerst tot bloei kwam onder een christelijke wereldvisie terwijl ze een stille dood stierf in andere culturen zoals in het oude Griekenland, China en Arabië.1

Dit zou geen verrassing mogen zijn, wanneer we ons afvragen waarom wetenschap überhaupt werkt. Er zijn immers bepaalde noodzakelijke voorwaarden die wetenschap mogelijk maken, en deze voorwaarden bestonden simpelweg niet in niet-christelijke culturen.2

Objectieve waarheid

Er bestaat zoiets als een objectieve waarheid. Jezus zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Johannes 14 vers 6). Maar bijvoorbeeld het postmodernisme ontkent dat er zoiets is als objectieve waarheid. Een voorbeeld daarvan is: “Wat waar is voor jou, is niet waar voor mij.” Dus misschien moeten ze maar proberen van een klif te springen om te controleren of de wet van de zwaartekracht wel voor hen geldt.

Een andere postmodernistische stelling is: “Er is geen waarheid”—dus is deze stelling dan wel waar?; of “We kunnen de waarheid niet weten”—hoe weten zij dat dan?

Een reëel universum

Het universum is echt, omdat God de hemel en de aarde schiep (Genesis 1). Dit klinkt vanzelfsprekend, maar in veel oosterse filosofieën gelooft men dat alles een illusie is (maar is dat geloof dan ook een illusie?). Het heeft dan ook geen zin om een illusie met experimenten te onderzoeken.

Een ordelijk universum

Het universum is ordelijk, omdat God een God van orde is, niet van verwarring (1 Korintiërs 14 vers 33). Maar als er geen Schepper is, of als Zeus en zijn bende de leiding zouden hebben, waarom zou er dan ook maar iets van orde zijn? Als bepaalde Oosterse religies het juist hebben, dat het universum een grote Gedachte is, dan zou het op ieder ogenblik van gedachte kunnen veranderen.

Het is onmogelijk vanuit de natuur te bewijzen dat ze ordelijk is, omdat de bewijzen deze orde juist zouden moeten vooronderstellen om ze te bewijzen. Bovendien is het in deze gevallen wereld met zijn natuurrampen, onweren en algemene chaos niet zo vanzelfsprekend dat ze gemaakt werd door een ordelijke Schepper. Dit is een belangrijke boodschap uit het boek Prediker—als we ons leven trachten te leiden volgens wat er “onder de zon” is, dan is het resultaat zinloos. Daarom is ons belangrijkste doel “God te vrezen en zijn geboden te onderhouden” (Prediker 12:13).

Een fundamenteel facet van de wetenschap is het afleiden van wetten die voorzien in voorspelbare resultaten. Dit is alleen mogelijk omdat het universum ordelijk is.

Beroemde wetenschappers

Daar God soeverein is, was Hij vrij om te scheppen zoals Hij wilde. Dus de enige manier om te weten te komen hoe Zijn schepping in elkaar zit, is haar te onderzoeken en er experimenten op uit te voeren, en niet te vertrouwen op door de mens bedachte filosofieën, zoals de oude Grieken dat deden.

Dit werd geïllustreerd door Galileo Galilei (1564–1642). Hij toonde aan, door middel van een experiment, dat verschillende gewichten met dezelfde snelheid naar beneden vallen (zonder luchtweerstand), wat in tegenspraak was met de Griekse filosofie die stelde dat zwaardere objecten sneller vallen. Hij toonde ook door middel van waarnemingen aan dat de zon vlekken vertoonde, waarmee hij de Griekse opvatting dat de hemellichamen “volmaakt” waren, weerlegde.

Een ander voorbeeld is Johannes Kepler (1571–1630), die ontdekte dat planeten zich in ellipsvormige banen rond de zon bewegen. Dit haalde de Griekse filosofieën omver die belang hechtten aan cirkels, omdat dit de meest “volmaakte” vormen waren; dit was niet in overeenstemming met hun waarnemingen, dus voegden ze een ingewikkeld systeem van cirkels in cirkel toe, namelijk epicycli.

Maar wanneer het de oorsprong betreft tegenover hedendaagse processen, dan heeft God ons geopenbaard dat Hij zo’n zesduizend jaar geleden alles schiep in zes normale dagen van 24 uur, en dat Hij de aarde geoordeeld heeft door middel van een alles-bedekkende zondvloed, ongeveer 4.500 jaar geleden. Het is dan ook geen toeval te noemen dat Kepler de scheppingsdatum berekende op 3992 v. Chr. en dat Isaac Newton (1643–1727), mogelijk de grootste wetenschapper aller tijden, ook sterk de Bijbelse tijdlijn verdedigde.

Bedrijf wetenschap

De mens kan en is geacht de wereld te onderzoeken, omdat God ons de heerschappij over Zijn schepping heeft gegeven (Genesis 1 vers 28); de schepping zelf is immers niet goddelijk. We hoeven dus ook geen offers te brengen aan de bosgod om een boom om te hakken, of de watergeesten gunstig te stemmen om het kookpunt van water te meten. Zoals Kepler zei, waren zijn wetenschappelijke gedachten eerder “Gods gedachten na Hem denken”.

Vele andere stichters van de moderne wetenschap zagen hun wetenschappelijk onderzoek ook als een eerbetoon aan God. Newton zei: “Dit uiterst prachtige systeem van de zon, planeten en kometen kan enkel voortkomen uit de overleggingen en de heerschappij van een intelligent Wezen. … Dit Wezen regeert over alle dingen, niet als de ziel van de wereld, maar als Heer over alles; en vanwege zijn heerschappij wordt hij gewoonlijk “Here God” Παντοκράτωρ [Pantokratōr, 2 Korintiërs 6 vers 18] of ‘Universele Heerser’. … De Allerhoogste God is een eeuwig Wezen, oneindig, volledig volmaakt … ”.3

“Het tegengestelde van de godsvrucht is het atheïsme in belijdenis en afgoderij in de praktijk. Het atheïsme is zo zinloos en verfoeilijk voor de mensheid dat het nooit veel aanhangers heeft gekend.”4

Waarom kloppen mijn gedachten?

De mens kan handelingen en gedachten ondernemen; ze zijn niet louter het resultaat van deterministische wetten van de breinchemie. Dit volgt uit het Bijbelse idee dat de mens zowel een materieel als immaterieel aspect heeft (vb. Genesis 35 vers 18, 1 Koningen 17 vers 21–22, Mattheüs 10 vers 28). Dit immaterieel aspect van de mens betekent dat hij meer is dan materie, en dat zijn gedachten dus niet gebonden zijn aan de samenstelling van zijn hersenen.

Maar als het materialisme waar zou zijn, dan zijn “gedachten” slechts een epifenomeen van het brein en het resultaat van de wetten van de scheikunde. Dus, als we hun eigen vooronderstellingen in acht nemen, komen materialisten niet ongemoeid tot hun conclusie dat het materialisme waar is, want hun conclusie was immers reeds bepaald door de chemie van hun brein.

Maar waarom zou hun breinchemie dan meer te vertrouwen moeten zijn dan de mijne, aangezien ze toch beiden gehoorzamen aan dezelfde onfeilbare wetten van de chemie? Dus dan zouden ze, in realiteit, niet anders kunnen dan geloven in wat ze geloven (inclusief hun geloof in materialisme!), als de materialisten het bij het rechte eind zouden hebben. Toch noemen zij zichzelf dikwijls “vrijdenkers”, zonder de ironie hiervan te beseffen. Het echte initiëren van gedachten is een onoverkomelijk probleem voor het materialisme, alsook het bewustzijn zelf.5

De mens en logica

De mens kan rationeel en logisch nadenken en deze logica zelf is objectief. Dit is een afleiding van het feit dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis (Genesis 1 vers 26–27) en van het feit dat Jezus, de Tweede Persoon van de Drie-eenheid de Logos, oftewel het Woord is (Johannes 1:1-3). Dit vermogen om logisch te denken is aangetast, maar niet uitgewist door de zondeval van de mens in opstand tegen zijn Schepper.

De zondeval heeft als gevolg dat het logische denken soms gebrekkig is, en dat soms het logisch denken wel juist is, maar van foute vooronderstellingen uitgaat. Daarom is het dwaas om de redeneringen van mensen te plaatsen boven wat God geopenbaard heeft in de Schrift.6 Maar als evolutie waar zou zijn, dan zou er alleen maar selectie zijn op basis van overlevingsvoordeel, en niet noodzakelijk ten voordele van rationaliteit.

Gij zult geen vals getuigenis geven

Resultaten moeten eerlijk worden gerapporteerd, omdat God valse getuigenissen verboden heeft (Exodus 20:16). Maar als evolutie waar is, waarom zou men dan niet liegen? Het is niet zo verrassend dat wetenschappelijke fraude een steeds groter probleem wordt.7

Let wel goed op het punt dat we hier willen maken—niet dat atheïsten zich niet moreel kunnen gedragen, maar wel dat zij geen objectieve basis hebben voor hun moraliteit vanuit hun eigen wereldbeeld. De fanatieke atheïstische evolutionist Dawkins geeft toe dat onze “beste impulsen geen basis hebben in de natuur”,8 en een andere atheïstische evolutionist, William Provine, zei: “Naturalistische evolutie heeft duidelijke gevolgen waarvan Charles Darwin volledig op de hoogte was:

  • er bestaan geen goden (die het waard zijn te hebben);
  • er is geen leven na de dood;
  • er bestaat geen ultiem fundament voor ethiek;
  • er is geen uiteindelijke betekenis van het leven;
  • en de menselijke vrije wil bestaat niet.”9

Christelijke fundamenten

Het is dan ook geen toeval te noemen dat wetenschap tot bloei is gekomen sinds de reformatie, toen de autoriteit van de Bijbel opnieuw ontdekt werd. En het is ook geen toeval dat het land met de sterkste overblijfselen van een Bijbels, christelijk geloof, namelijk de VS, aan de kop staat van de wereld bij het publiceren van nuttig wetenschappelijk onderzoek.

De westerse wereld leeft nog op krediet van zijn christelijke fundamenten. Maar de tendens om studenten te indoctrineren met evolutie, en bijgevolg het atheïsme (tenminste, daar komt dit in de praktijk op neer) ondermijnt deze christelijke fundamenten van de wetenschap (vgl. Psalm 11 vers 3). Het onderwijzen van de evolutie zal de wetenschap dan ook niet verbeteren, maar vernietigen.

“Dit uiterst prachtige systeem van de zon, planeten en kometen kan enkel voortkomen uit de overleggingen en de heerschappij van een intelligent Wezen.” – Sir Isaac Newton

 

Referenties en noten

  1. Stark, R., For the Glory of God: How monotheism led to reformations, science, witch-hunts and the end of slavery, Princeton University Press, 2003; zie ook het overzicht van Williams A., The biblical origins of science. Journal of Creation 18 (2): 49-52, 2004; <creation.com/stark>.
  2. Ik ben Sean Wieland erkentelijk voor zijn inbreng bij zo’n lijst.
  3. Principia, Boek III; geciteerd in : Newton’s Philosophy of Nature: Selections from his writings, uitg. Thayer, H.S., Hafner library of Classics, New York, VSA, p. 42, 1953.
  4. A Short Scheme of the True Religion, manuscript geciteerd in Memoirs of the Life, Writings and Discoveries of Sir Isaac Newton door Sir David Brewster, Edinburgh, 347, 1855.
  5. Thompson, B. and Harrub, B., Consciousness: the king of evolutionary problems, CRSQ 41(2):113–130, 2004.
  6. Sarfati, J., Loving God with all your mind: Logic and creationJournal of Creation12(2):142–151, 1998; zie ook voor de Nederlandse versie: Heb God lief met heel uw verstand: Logica en schepping, scheppingofevolutie.nl/logica-schepping.
  7. Bergman, J., Why the epidemic of fraud exists in science todayJournal of Creation 18(3):104–109, 2004.
  8. Evolution: The dissent of Darwin, Psychology Today30(1):62, January/February 1997.
  9. Provine, W.B. (Professor of Biological Sciences, Cornell University, USA), Origins Research 16(1/2):9, 1994; Darwin Day at the University of Tennessee, Dr William Provine (abstract).