De zondvloed: hoe zit het dan met al dat water?

De zondvloed: hoe zit het dan met al dat water?
Door Ken Ham, Jonathan Sarfati, en Carl Wieland, red. Don Batten
Voor het eerst gepubliceerd in The Revised and Expanded Answers Book, Hoofdstuk 12.
Vertaling EV, Werkgroep In Genesis

Waar kwam al dat water vandaan dat nodig was voor de zondvloed? Was er een waterkoepel? Hoe kon de Mt. Everest met water bedekt zijn? Waar ging al het water heen na de zondvloed? Hoe kon dit allemaal gebeuren?

In de beschrijving van de wereldwijde zondvloed in de dagen van Noach, geeft de Bijbel ons veel informatie over waar al het water vandaan kwam en waar het heen ging. De bron van het water wordt vermeld in Genesis 7:11 als ‘de fonteinen van de grote afgrond’ en ‘de sluizen van de hemel.’ (Staten Vertaling)

De fonteinen van de grote afgrond

‘De fonteinen van de grote afgrond’ worden allereerst genoemd, daarna ‘de sluizen van de hemel,’ wat duidt op hun afzonderlijke belang of de volgorde van gebeurtenissen.

Wat zijn de ‘fonteinen van de grote afgrond?’ Deze uitdrukking wordt alleen gebruikt in Genesis 7:11. ‘Fonteinen van de grote afgrond’ worden ook genoemd in Genesis 8:2, waar het heel duidelijk naar hetzelfde verwijst. In Spreuken 8:28 is de precieze betekenis niet duidelijk. ‘De grote afgrond’ wordt nog drie keer gebruikt: Jesaja 51:10, waar het duidelijk naar de oceaan verwijst; Amos 7:4, waar God’s oordelend vuur een grote afgrond verteerde, waarschijnlijk de oceaan; en Psalm 36:7, waar het metaforisch gebruikt wordt voor de diepte van God’s gerechtigheid.

‘De afgrond’ wordt vaker gebruikt en verwijst normaal gesproken naar de oceanen (bijvoorbeeld, Genesis 1:2; Job 38:30, 41:23-24; Psalm 42:8, 104:6; Jesaja 51:10, 63:13; Ezechiël 26:19; Jona 2:3 (de diepte, red)). Soms verwijst het ook naar ondergrondse waterbronnen (Ezechiël 31:4, 15). Het Hebreeuwse woord (mayan) wat hier vertaald is met ‘fontein’ betekent ‘fontein, bron.’ [1]

Dus de ‘fonteinen van de grote afgrond’ zijn waarschijnlijk oceanische of mogelijk ondergrondse waterbronnen. In het geval van de verhandeling over de zondvloed, zouden beide betekenissen bedoeld kunnen zijn.

ark

Als de fonteinen van de grote afgrond de belangrijkste waterbronnen waren, moeten zij ontzagwekkend zijn geweest. Sommigen beweren dat toen God op de derde scheppingsdag het land liet verschijnen van onder het water, een deel van het water ingesloten werd onder het droge land. [2]

Genesis 7:11 vertelt dat de fonteinen opengebroken werden op de dag dat de zondvloed begon. Dit betekent dat er een enorme hoeveelheid water vrijkwam, dat mogelijk zijn weg zocht door grote spleten in de grond of door de zeebodem. Het water dat tot dusver werd vastgehouden kwam met catastrofale gevolgen vrij.

Er is veel vulkanisch gesteente verspreid tussen de fossiele lagen in de rotsafzetting. Deze lagen zijn duidelijk afgezet tijdens de zondvloed. Het is dus aannemelijk dat deze fonteinen van de grote afgrond gepaard gingen met opeenvolgende vulkanische uitbarstingen waarbij buitengewoon grote hoeveelheden water uit de grond barstten. Het is interessant dat tot wel 70 procent van wat er tegenwoordig uit een vulkaan komt, gewoon water is, vaak in de vorm van stoom.

Austin en anderen hebben een zondvloedmodel voorgesteld (Zie: What about continental drift?), op basis van catastrofale plaat-tektoniek. Hierin stellen zij voor, dat bij het begin van de zondvloed de oceaanbodem snel gestegen is tot wel 2.000 meter. Dit zou het gevolg zijn van een temperatuurstijging door de snel toenemende horizontale beweging van de tektonische platen. [3] Hierdoor zou het zeewater over het land worden uitgestort en grootschalige overstromingen veroorzaken, misschien wordt dat wel bedoeld met het ‘openbreken van de fonteinen van de grote afgrond.’

De sluizen van de hemel

De andere waterbron voor de zondvloed, waren ‘de sluizen van de hemel.’ Genesis 7:12 vertelt dat het onafgebroken regende gedurende 40 dagen en 40 nachten.

Genesis 2:5 vertelt ons dat er geen regen was voordat de mens geschapen was. Sommigen beweren dat er helemaal geen regenval op aarde was tot de tijd van de zondvloed. Echter, de Bijbel zegt dit niet letterlijk. We moeten hierin dus niet dogmatisch zijn. [4]

Sommigen beweren dat God’s gebruik van de regenboog als teken van Zijn verbond met Noach (Genesis 9:12-17) suggereert dat er nog geen regenbogen waren vóór de zondvloed en daarom ook geen wolken of regen. Echter, als regenbogen (en wolken) al bestonden voor de zondvloed, dan zou het niet de enige keer zijn dat God een al bestaand ding als een speciaal ‘nieuw’ teken van een verbond zou maken (denk bijvoorbeeld aan het brood en de wijn in het Avondmaal).

Het is moeilijk om je een pré-zondvloed watercyclus voor te stellen zonder wolken en regen. De warmte van de zon moet in die tijd enorme oppervlaktewater volumes hebben verdampt. Dit zou uiteindelijk toch weer gecondenseerd moeten worden naar vloeibaar water. Dit leidt tot wolkvorming en uiteindelijk tot neerslag.

De uitdrukking ‘sluizen van de hemel’ wordt twee keer gebruikt in samenhang met de zondvloed (Genesis 7:11, 8:2). Het wordt slechts drie keer op een andere plaats in het Oude Testament genoemd: twee keer in 2 Koningen 7:2 en 19 (vensters van de Hemel, red), verwijzend naar God’s machtige tussenkomst in het sturen van regen. Ook in Maleachi 3:10, waar de uitdrukking gebruikt wordt om God’s vermogen om overvloedige zegeningen te geven aan zijn volk uit te drukken. In Genesis wordt duidelijk de buitengewone aard van de regenval voorafgaand aan de zondvloed aangeduid. Het is niet een term die voor normale regenval gebruikt wordt.

Hoe zit het met ‘de wateren boven het uitspansel’?

Genesis 1:6-8 vertelt ons dat God op de tweede dag van de schepping de wateren die onder het uitspansel waren, scheidde van de wateren die boven het uitspansel waren toen hij het uitspansel (Hebreeuws: raqiya) maakte tussen die wateren. [5] Velen hebben geconcludeerd dat dit ‘uitspansel’ de atmosfeer zou moeten zijn, omdat God vogels in het uitspansel plaatste. Dit suggereert volgens hem dat het uitspansel de atmosfeer omvat, waarin de vogels vliegen. Dit zou deze wateren boven de atmosfeer plaatsen.

Echter, Genesis 1:20 dat over de schepping van de vogels spreekt zegt (letterlijk) ‘en het gevogelte vliege boven de aarde in het uitspansel des hemels.’ [6] Dit laat op zijn minst de mogelijkheid open dat ‘het uitspansel’ verder zou kunnen reiken dan de atmosfeer.

Dr Russel Humphreys [7] redeneert als volgt: omdat Genesis 1:17 ons vertelt dat God de zon, maan en sterren ook ‘in het uitspansel des hemels’ plaatste, zou het uitspansel op zijn minst interstellaire ruimte moeten bevatten. Zodoende zouden de wateren boven het uitspansel van Genesis 1:7 voorbij de sterren moeten zijn, aan de rand van het heelal. [8]

Echter, voorzetsels (in, onder, boven, etc.) zijn in het Hebreeuws (en ook in andere talen) voor meerdere uitleg vatbaar. Over een onderzeeër wordt gezegd dat hij zowel in als onder de zee is. Op een zelfde manier kunnen de wateren boven het uitspansel en in het uitspansel hetzelfde betekenen. Daarom moeten we voorzichtig zijn en hier niet te veel waarde aan toekennen.

Wat waren nu eigenlijk die ‘wateren boven het uitspansel’? Sommigen hebben beweerd dat het simpelweg de wolken zijn. Volgens anderen moeten we het zien als een ‘waterdamp koepel’, waarmee ze een waterdamp laag veronderstellen, rondom de aarde.

Een waterdamp koepel?

Dr. Joseph Dillow heeft veel onderzoek gedaan naar het idee van een ‘deken van waterdamp’ die de aarde zou omhullen voor de zondvloed. [9] Dr. Larry Vardiman heeft in een aangepaste versie van de koepeltheorie gesuggereerd dat een aanzienlijk deel van de ‘wateren boven het uitspansel’ opgeslagen zouden kunnen zijn als kleine ijsdeeltjes. Deze deeltjes zouden verdeeld zijn in equatoriale ringen rond de aarde, net als diegene rondom Venus. [10]

De referentie in Genesis 7:11 naar het openen van de sluizen van de hemel, wordt hier geïnterpreteerd als het ineenstorten van een dergelijke waterdampkoepel die op de een of andere manier instabiel geworden was en uitgestort werd als regen. Vulkanische uitbarstingen die worden geassocieerd met het openbreken van‘des grooten afgronds’, zouden stofwolken in de waterdampkoepel gestuwd kunnen hebben, waardoor de waterdamp reageerde met de stofdeeltjes en regen veroorzaakte.

Dillow, Vardiman en anderen hebben gesuggereerd dat de dampkoepel een broeikaseffect veroorzaakte voor de zondvloed. Hierdoor zou op de hele aarde een aangenaam sub-tropisch klimaat hebben geheerst, zelfs op de polen waar nu ijs is. Dit zou geweldige groei van vegetatie tot gevolg hebben, op het land, over de gehele aarde. De ontdekking in Antarctica van steenkool-lagen die vegetatie bevat die nu niet meer aangetroffen wordt op de polen, maar blijkbaar wel onder warmere omstandigheden, dienen als ondersteuning van deze ideeën. [11]

Een dampkoepel zou ook het wereldwijde windsysteem hebben beïnvloed. De bergen waren waarschijnlijk voor de zondvloed niet zo hoog als tegenwoordig, zoals we zullen zien. In de huidige wereld zijn de grote windstromen en het hooggebergte van grote invloed op de waterkringloop die regen voortbrengt op de continenten. Maar vóór de zondvloed zouden deze factoren een heel ander weersysteem teweeggebracht hebben.

Degenen die hier verder in geïnteresseerd zijn, doen er goed aan om de werken van Dillow en Vardiman te bestuderen.

Een groot probleem met de koepel theorie

Vardiman [12] erkende een groot probleem van de koepel theorie. Het beste koepelmodel resulteert nog altijd met ontoelaatbare hoge temperaturen op de aardoppervlakte.

Rush en Vardiman hebben geprobeerd om dit probleem op te lossen, [13] maar ondervonden dat zij dan de hoeveelheid waterdamp in de koepel drastisch moesten reduceren, van 12 meter naar een halve meter. Verdere modelleringen toonden aan dat maximaal 2 meter water in een waterkoepel gehouden kon worden, zelfs als alle relevante factoren waren aangepast tot de best mogelijke waarden om de opgeslagen waterhoeveelheid te maximaliseren. [14] Een dergelijke koepel zou niet in belangrijke mate kunnen bijdragen aan de regenduur van 40 dagen en nachten aan het begin van de zondvloed.

“ Een dampkoepel die meer dan twee meter water zou bevatten, zou de oppervlakte van de aarde onacceptabel heet maken. Een dampkoepel kan dus niet een belangrijke vloedwaterbron zijn. ”

Veel creationistische wetenschappers laten nu het waterdamp-koepel-model varen [15] of zien niet langer de noodzaak voor een dergelijk concept, vooral wanneer er andere redelijke mechanismen zijn die de regen veroorzaakt zouden kunnen hebben. [16] In het catastrofale platen tektoniek model voor de zondvloed, [17] wordt vulkanische activiteit in verband gebracht met het openbreken van de pre-zondvloed oceaanbodem. Hierdoor ontstonden lineaire geisers (als een muur) van oververhitte stoom vanuit de oceaan, die intense wereldwijde regen veroorzaakte.

Hoe of wat dan ook de bron van dit mechanisme was, de bijbelse beschrijving over het openen van de sluizen van de hemel is een passende beschrijving van de wereldwijde stortregens.

Waar ging het water naartoe?

De hele aarde was bedekt met het water van de zondvloed (zie hoofdstuk 10, Was the Flood global? ). De wereld die toen bestond, was verwoest door hetzelfde water van waaruit het land oorspronkelijk kwam door God’s woord (Gen. 1:9, 2 Pet. 3:5–6). Maar waar gingen deze wateren na de zondvloed heen?

Er zijn een aantal bijbelverzen die de vloedwateren identificeren met de huidige zeeën. (Amos 9:6 en Job 38:8–11). Als het water er nog steeds is, waarom zijn dan de hoogste bergen niet nog steeds bedekt met water, zoals in Noach’s dagen? Psalm 104 geeft hierop het antwoord. Nadat het water de bergen bedekten (vers 6), schold (NBG; dreigen) God, en zij vluchtten (vers 7); de bergen rezen op, de dalen daalden (vers 8) en God stelde een grens (NBG), zodat zij niet wederom de hele aarde zouden bedekken (vers 9) [18] Het zijn dezelfde wateren!

Jesaja geeft dezelfde verklaring over Noach’s wateren die nooit de aarde weer zullen bedekken (Jesaja 54:9). Het is duidelijk dat de Bijbel ons vertelt dat God de topografie van de aarde veranderde. Nieuwe continentale landmassa’s die nieuwe bergketens met rotslagen rezen op uit de wereldomhullende wateren, die de pre-zondvloed topografie hadden geërodeerd en uitgevlakt. Grote diepe oceaan bassins werden gevormd om al het vloedwater op te vangen dat van de rijzende continenten af kwam.

deep water

Zonder bergen of oceaanbassins zou het water de hele aarde omvatten met een diepte van 2,7 kilometer (niet op schaal). [19]

Dat is waarom de oceanen zo diep zijn en waarom er bergketens zijn. Het is zelfs zo dat wanneer de topografie van de hele oppervlakte van de aarde uitgevlakt zou zijn, (niet slechts het landoppervlak, maar ook de rots-structuren op de oceaanbodem), de wateren van de oceaan het aardoppervlak zouden bedekken tot een diepte van 2,7 kilometer. [19] Het is goed om te bedenken dat ongeveer 70% van het aardoppervlak nog altijd bedekt is met water. Het is dus duidelijk dat het water van de zondvloed ook nu nog steeds in de oceanen is.

Een mechanisme?

Het catastrofale platen tektoniek model (What about continental drift?) voorziet in een mechanisme voor het verdiepen van de oceanen en het rijzen van de bergen aan het einde van de zondvloed.

Toen de nieuwe oceaanbodem afkoelde werd deze zwaarder en zonk. Hierdoor kon het water van de continenten af stromen. Terwijl dit water naar de oceanen afstroomde kwam er extra druk op de oceaanbodem en verminderde de druk op de continenten. De oceaanbodem zonk hierdoor verder en de continenten bewogen verder opwaarts. [20] Het verdiepen van de oceaanbassins en het rijzen van de continenten resulteerde in meer water dat van het land afstroomde. Het botsen van de tektonische platen heeft de bergketens omhoog geduwd, vooral tegen het einde van de zondvloed.

Stond de Mount Everest ook onder water?

Mt.Everest is bijna 9 kilometer hoog. Hoe kon de zondvloed dan ‘alle hooge bergen die onder den ganschen hemel zijn’ bedekken?

Zoals we al zagen, kunnen we uit Psalm 104:6-9 afleiden dat de bergen na de vloed hoger werden dan daarvoor. De huidige bergen zijn gevormd tegen het einde en/of na de zondvloed, door het botsten van tektonische platen en de bijbehorende opwaartse krachten. Wat deze theorie ondersteund is dat de toplagen van Mt. Everest samengesteld zijn uit – door water afgezette – fossielhoudende lagen.

Nieuwe continentale landmassa’s die rijzen van onder het vloedwater impliceert dat de bergen rezen en de dalen daalden waardoor het water met grote snelheid van het nieuwe stijgende land afstroomde. Het doorbreken van natuurlijke dammen die het vloedwater vasthielden zou ook catastrofale overstromingen veroorzaakt hebben. Grote watervolumes met dergelijke stromingsnelheden veroorzaken enorme erosie en vormden de basiskenmerken van het huidige aardoppervlak.

The Olgas
Kata Tjuta in centraal Australië is opgebouwd uit materiaal dat in hoog tempo door water afgezet moet zijn.

Het is daarom niet moeilijk om een beeld te vormen van snelle uitsnijding van landschap-kenmerken zoals de Grand Canyon in de VS. De huidige vorm van Uluru (Ayers Rock), een zandstenen monoliet in centraal Australië, is het resultaat van erosie, gevolgd door het kantelen en rijzen van voormalig horizontale door water afgezette zandlagen. Het veldspaat rijke zand waaruit Uluru is opgebouwd, moet recent en snel zijn afgezet. Zandtransport over lange afstand zou de korrel afgerond en gesorteerd hebben, terwijl ze onregelmatig en ongesorteerd zijn.

Als ze verzameld zouden zijn in een droog rivierbed, drogend in de zon gedurende lange tijd (wat het verhaal is dat er bij verteld wordt in het park), zou het veldspaat tot klei verworden zijn. Op dezelfde manier, als Uluru gelokaliseerd zou zijn in het ooit vochtige gebied van centraal Australië, zou het verworden zijn tot klei. [21] Vergelijkbaar is het nabijgelegen Kata Tjuta (The Olgas). Deze zijn opgebouwd uit een ongesorteerde mix van grote keien, zand en modder. Dit duidt er op dat het materiaal zeer snel getransporteerd en afgezet is.

Terugtrekkend vloedwater erodeerde het land en creëerde riviervalleien, Dit verklaart waarom rivieren vaak zoveel kleiner zijn dan de valleien waar ze tegenwoordig doorheen stromen, zij hebben de valleien niet uitgesneden. De waterstroom die de vallei uitsneed moet veel groter geweest zijn dan het watervolume wat we tegenwoordig door de rivieren zien stromen. Dit komt overeen met volumineuze vloedstromen, die van de landoppervlakten afstroomden tegen het einde van de zondvloed, toen ze in de snel dalende, nieuwe oceaanbassins stroomden.

Ons begrip van hoe de zondvloed kon plaatsvinden ontwikkeld zich voortdurend. Ideeën komen en gaan, maar het feit van de zondvloed blijft staan. Genesis getuigt hier duidelijk van. Jezus en zijn discipelen bevestigen het. Bovendien is er overvloedig geologisch bewijs voor een wereldwijde watersnoodramp.

 



Referenties en aantekeningen

[1] Strong’s Concordantie.
[2] Er komt bewijsmateriaal beschikbaar dat er nog steeds een grote hoeveelheid water is opgeslagen, diep in de aarde in de vorm van kristalroosters. Dit zou mogelijk zijn door de immense druk. Zie ook L. Bergeron, Deep waters, New Scientist 155(2097):22–26, 1997. ‘You have oceans and oceans of water stored in the transition zone. It’s sopping wet.’ (‘Er zijn oceanen van water, opgeslagen in de overgangszone. Het is drijfnat.’)
[3] S.A. Austin, J.R. Baumgardner, D.R. Humphreys, A.A. Snelling, L. Vardiman, and K.P. Wise, Catastrophic Plate Tectonics: A global Flood model of Earth history, Proc. Third ICC, pp. 609–621, 1994.
[4] Sommigen beweren dat de mensen Noach’s waarschuwing bespotten, omdat ze nog geen regen gezien hadden. De huidige mens heeft al ontzettend veel regen gezien, maar bespot nog steeds de wereldwijde zondvloed. Genesis 2:5 zegt dat er nog geen regen op de aarde was gevallen. Of het daarna al dan niet geregend heeft in de pre-zondvloed wereld, wordt niet verteld.
[5] In hun poging de Bijbel te bespotten, beweren sommige sceptici dat de raqiya een vaste koepel beschrijft en dat de oude Hebreeërs geloofden in een vlakke aarde met een soort koepel daaroverheen. Dergelijke ideeën staan niet in de Bijbel of in het Hebreeuwse begrip voor raqiya. Zie ook J.P. Holding, ‘Is the raqiya a solid dome?’ Equivocal language in the cosmology of Genesis 1 and the Old Testament: a response to Paul H. Seely, CEN Technical Journal 13(2):44–51, 1999.
[6] H.C. Leupold, Exposition of Genesis, Vol. 1, Baker Book House, Grand Rapids, MI, p. 78, 1942.
[7] D.R. Humphreys, A Biblical basis for creationist cosmology, Proc. Third ICC, Pittsburgh, PA, pp. 255–266, 1994.
[8] Dit zou de ‘achtergrond microgolf straling’ helpen verklaren die in het universum is waargenomen. Zie ook Hoofdstuk 5, How can we see distant stars in a young universe? en Humphreys, Ref. 7.
[9] J.C. Dillow, The Waters Above, Moody Press, Chicago, IL, 1981.
[10] L. Vardiman, The sky has fallen, Proc. First ICC, 1:113–119, 1986.
[11] Beweging van de tektonische platen zou ook verklaren waarom resten van planten uit een warm klimaat voorkomen op de polen. (zie Hoofdstuk 11).
[12] Vardiman, Ref. 10, pp. 116, 119.
[13] D.E. Rush and L. Vardiman, Pre-flood vapor canopy radiative temperature profiles, Proc. Second ICC, Pittsburgh, PA, 2:231–245, 1990.
[14] L. Vardiman and K. Bousselot, Sensitivity studies on vapor canopy temperature profiles, Proc. Fourth ICC, pp. 607–618, 1998.
[15] Psalm 148:4 lijkt tegen de koepeltheorie in te gaan. Geschreven na de zondvloed, lijkt dit te refereren aan de ‘wateren boven de hemelen’ die nog steeds bestaan. Dit zou betekenen dat de koepel niet ineengestort kan zijn bij de zondvloed. Calvin, Leupold en Keil en Delitzsch schreven allen over ‘de wateren boven’ als zijnde ‘gewone wolken’.
[16] Uiteraard zullen we misschien nooit precies begrijpen hoe de zondvloed gebeurde. Dat verandert niets aan het feit dat het wel degelijk gebeurde.
[17] Austin et al., Ref. 3.
[18] De meest natuurlijke vertaling van Psalm 104:8a is ‘De bergen rezen op, de valleien daalden neer’. Zie ook Hoofdstuk 11, referentie 27.

globe
~70% van het aardoppervlak is nog altijd bedekt met water.

[19] Een goede autoriteit hiervoor zal sommige mensen verbazen: Alfred Russel Wallace, de mede-ontdekker van Darwin’s theorie! Hij geldt dus als een vijandelijke getuige. Bovendien was hij onderzoeker, dus hij wist waar hij het over had in dit geval. In Man’s Place in the Universe, Ch. XII, schreef hij: Volgens de beste recente schattingen, beslaat het landoppervlak 28% van de hele oppervlakte en het water 72%. De gemiddelde hoogte van het land boven zeeniveau is bepaald op 670 meter, terwijl de gemiddelde diepte van de zeeën en oceanen 4.220 meter is. Ondanks dat de wateroppervlakte tweeëneenhalf keer die van de landoppervlakte beslaat, is de gemiddelde diepte van het water meer dan zes keer de gemiddelde hoogte van het land. Dit is natuurlijk te wijten aan het feit dat de laaglanden het merendeel van het landoppervlak beslaan, terwijl de plateaus en de hoge bergen slechts een klein deel daarvan uitmaken. De grootste diepten van de oceanen zijn ongeveer gelijk aan de hoogte van de hoogste berg. Toch zijn de enorme oppervlakten van de oceanen diep genoeg om alle bergen van Europa en Noord Amerika op te slokken, afgezien van de extreme toppen van een of twee van hen. [we weten nu dat zij groter zijn, dus hij onderschatte vooralsnog de mogelijkheid om de hele aarde te bedekken – red.]. Hieruit volgt dat het volume van de oceanen, zelfs als je alle ondiepe zeeën buiten beschouwing laat, meer dan dertien keer zo groot is als al het land boven zeeniveau. Als al het landoppervlak en de zeebodems tot één niveau worden gereduceerd, zodat de aarde een perfecte bol is, zou de gehele aarde bedekt zijn met een bijna 3 kilometer dikke laag water.

[20] Het geologische principe waar het hier over gaat is isostasie. Hierbij ‘drijven’ de platen op de mantel. De oceaanbeddingen zijn opgebouwd van zwaardere rots dan de continenten, zodat de oceaanbeddingen lager in de mantel zitten dan de minder zware continenten met hun bergen.
[21] Snelling, A.A., Uluru and Kata Tjuta: Testimony to the Flood Creation 20(2):36–40, 1998.

Originele Engelse tekst op: http://www.creationontheweb.com/content/view/3671